Le 3me Régiment des grenadiers à pied de la Garde Impériale

J.G. Kerkhoven

1. Inleiding

Speurend naar documentatie over meer moderne onderwerpen, stuitte ik in een Frans tijdschrift op een bijdrage van J. Margerand over het 3 e Regiment gardegrenadiers van Keizer Napoleon.1 Dit 3"'e Régiment des grenadiers à pied de la Garde impériale, kortweg 'le troisième' of 'het derde' genaamd, was voordien het 'Regiment grenadiers van de garde van Koning Lodewijk Napoleon' geweest (1806-1810). Het was de opvolger van de 'Gardegrenadiers van de garde van de raadpensionaris R.J. Schimmelpenninck' (1805- 1806). Het Keizerlijke 3™ Régiment des grenadiers à pied bestond dan ook grotendeels uit Nederlanders, die onder bevel stonden van de even bekwame als krijgshaftige kolonel-commandant R.D. Tindal. Over dit 3™ Régiment schreef M. van der Hoeven een overzichtelijk en interessant artikel.2 Zowel dit artikel, als het eerder genoemde van J. Margerand zijn algemeen gehouden: Van der Hoeven legt meer nadruk op de krijgsgeschiedenis, Margerand op de uniformkunde. Ik wil binnen het kader van de door beide auteurs gevolgde richtlijnen nader ingaan op enkele andere aspecten van dat 3""-' Régiment, n.l. over de mars- en gevechtstenues uit 1812 (hoofdstuk 3), over de tamboers en het muziekkorps (hoofdstuk 4) en over het regimentsvaandel, de zogenaamde 'aigle' hoofdstuk 5). Meer uitgebreide informatie over de tenues, de uniformen van het muziekkorps en over de 'aigle' is dooide heer M. Talens voor dit artikel samengevat in enkele reconstructietekeningen.

2. Korte geschiedenis

In de Garde impériale van vóór 1810 was o.a. het /1e' Régiment des grenadiers à pied (gardegrenadiers) opgenomen, een indrukwekkend regiment dat door zijn verschijning en zijn daden op de slagvelden van Europa beroemd werd. Het telde in zijn gelederen vele grognards (snorrebaarden), veteranen van veldtochten in Italië (1796-1797) en Egypte (1798-1799). In de latere militaire geschiedschrijving verkregen dan ook de Garde impériale en in het bijzonder dit Régiment een voorname plaats.3 Het Regiment grenadiers van de garde van Koning Lodewijk werd bij Keizerlijk decreet (4e paragraaf) van 9 juli 1810 ingelijfd bij dit Franse elitekorps en kreeg officieel de naam: Le 2me-' Régiment de grenadiers à pied de la Garde impériale. Op 5 augustus 1810 'passeerde' dit voormalige Koninklijk garderegiment 'de revue' te Utrecht, nog gekleed in het Hollandse uniform, n.l. witte rok (een jas) met rode uitmonstering en gouden lissen op kraag, borstkleppen (rabatten) en mouwopslagen, een witte pantalon en vest en een grenadiersmuts van zwart berenhaar met een hoge uitstekende, roodgetopte witte pluim en een blauwe ruw lakense kapotjas. Drie dagen later begon de ex-Koninklijke garde de mars naar Parijs, waar zij drie weken later onder grote belangstelling aankwam. Het regiment telde toen omstreeks 1.450 man. In het Utrechtse gemeentearchief is een verslag bewaard van die dagen, in een zgn. dagverhaal, bijgehouden door de Utrechtse apotheker Hendrik Keetell over de jaren 1794-1814." Hij vermeldt dat op 31 juli 1810 alle onderdelen van de garde, uit Amsterdam, Haarlem en Leiden komende, vóór de middag in Utrecht waren verzameld. Deze hielden op 1 augustus daarna een revue op de Maliebaan, maar de stemming was niet best, gezien het vermoeden van een aanstaand afscheid. Enige dagen later, op 5 augustus 1810, vond tussen 11.30 en 14.00 's middags een inspectie plaats in het 'Starrebosch', een park buiten de Singels dat als exercitieterrein werd gebruikt. De generaal der intendance Daru, daarvoor uit Amsterdam gekomen, verrichtte deze inspectie van de voltallige garde: de grenadiers 'in hun beste uniform'. Voor deze militaire plechtigheid bestond, ook al door het zeer fraaie weer, een grote belangstelling.

Al om 3 uur 's ochtends op 8 augustus 1810 waren de troepen verzameld op de Neude, om toeloop van het volk te vermijden. Maar mannen en vrouwen 'van de smalle gemeente' waren desondanks in massa opgekomen om de grenadiers de rijdende artillerie, de sappeurs en de huzaren uitgeleide te doen en te escorteren, toen om 04.00 uur de afmars begon. Echter, er bleek nog een ander escorte te zijn, namelijk van Franse gendarmes - om desertie te voorkomen. Direct na het passeren door de laatste grenadier van de Tolsteegpoort gingen de deuren hiervan dicht: en 'de gardes wierden voor het gansche geleide eensklaps onzichtbaar'. Voorlopig had het nieuwe regiment het rangnummer twee. De uit Holland meegebrachte uniformen bleven echter gehandhaafd, maar werden wel in de loop van september 1810 aangepast. De bolle knopen met de staande leeuw werden vervangen door platte voorzien van een adelaar. Niet uitgereikt aan het nieuwe regiment werden de Franse mutsplaten met een adelaar en een gekroonde 'N' erboven, maar de koperen ruit midden op de klep van de patroontas, met de staande leeuw van het Koninkrijk Holland, werd wel vervangen door één met een adelaar, en een springende granaat op elk der vier hoeken van de klep.'

Ook de fraaie uniformen van het muziekkorps van de voormalige Koninklijke grenadiers, n.I. lichtblauwe rokken met gele uitmonstering en zilveren lissen, fraaie zwarte kolbakken met gele kolbakzakken bleven voorlopig ongewijzigd - op de boven vermelde aanpassingen na. Deze uniformen zouden eerst later, medio 1811, worden gewijzigd (zie hoofdstuk 3 en 4). De uitrustingsstukken en de wapens leken zozeer op die der Fransen, dat een kostbare vervanging hiervan zeker niet noodzakelijk was. Bij de bespreking der marstenues en bijbehorende details wordt hier dieper op ingegaan. Op 18 maart 1811 werd bij Keizerlijk decreet een nieuw (Frans) regiment gardegrenadiers opgericht, het 2me Régiment des grenadiers à pied. Het voormalige Hollandse garderegiment dat inmiddels al als het 2"«" Régiment bekend stond, werd hierop het 3™ Régiment des grenadiers à pied en is als zodanig de geschiedenis ingegaan. Deze beide 'nieuwe' garderegimenten en ook het aloude 7«- Régiment kregen in de zomer van 1811 uit handen van Napoleon elk afzonderlijk een aigle. De aigle (Frans voor adelaar) was het hoofdsymbool van het regiment, waarbij het vaandeldoek als aanvulling diende Deze 'keizerlijke' adelaar, van zwaar verguld brons, zat met gespreide vleugels op een stok gemonteerd, waaraan de drapeau (vaandeldoek) was gespijkerd, voorzien van een opdracht van Napoleon aan het desbetreffende regiment. De adelaar vormde tezamen met zijn voetstuk het hoofdbestanddeel van het regimentsembleem; het woord 'aigle' werd een pars pro toto en verving al snel de begrippen 'vaandel' of 'standaard'. De Keizer zelf reikte de aigle uit, als veldteken en symbool van een regiment en als teken van verbondenheid tussen zijn persoon en die eenheid." Voor het 1er Régiment was dit de tweede, het had zijn eerste aigle al ontvangen op 5 december 1804, na de omzetting van Consulaire in Keizerlijke garde van 18 mei 1804. Naar dat model uit 1804 zijn de vaandels van elk der drie garderegimenten (de aigles van 1811) vervaardigd. Op 30 juni 1811 ontving het 3me Régiment de grenadiers à pied, tezamen met afvaardigingen van alle vroegere 'Hollandse' regimenten - nu in Franse dienst en met hun nieuwe nummeringen op de grote binnenplaats van het Palais de Tuileries te Parijs, een aigle uit handen van de Keizer. In stromende regen en met een talrijk publiek. De plechtigheid duurde van twee 's middags tot acht uur in de avond. Zes weken later, op 15 augustus 1811 - de verjaardag van Keizer Napoleon, reikte deze opnieuw aigles uit; deze keer aan het Ier en het 2me Régiment des grenadiers à pied.** Het 3me Régiment vervulde ruim anderhalfjaar kazerne- en garnizoensdiensten in en rond Parijs, aangevuld met wachtdiensten bij de Tuileriën en rond het paleis te Versailles. Streng waren de inspecties en parades, zwaar de exercities en oefeningen. In februari 1812 vertrokken deze garderegimenten naar Polen, waar grote aantallen Franse en niet-Franse troepen werden samengetrokken. Op 10 maart daarop volgend bepaalde Napoleon nog dat alléén de aigle van het 1er Régiment mee op veldtocht zou gaan." Daarom bleven de aigles van het 2e en het 3e grenadiersregiment in Frankrijk. Van der Hoeven beschrijft het wel en wee van het langzaam slinkende 3me Régiment tijdens de opmars in de zomer van 1812. Ruim 1.200 man sterk was het bij het begin van de opmars in Rusland - een maand later telde het nog maar 1.000 man. Over deze opmars schreefde Amerikaanse historicus Paul Britten Austin een indrukwekkend boek. Hij beschrijft een opmars in een eentonig, eindeloos lijkend en droefgeestig stemmendlandschap, met een steeds wijkende horizon en falende medische zorg en bevoorrading in alsmaar meer afgestroopt een verwoeste landstreken. Een opmarsmet steeds toenemende, wederzijdse wreedheden en moordpartijen. Austin volgt deels het spoor van andere en eerdere publicaties, zoals die van de Fransman J. Lucas-Dubretin uit 1948. Deze laatste heeft zich in zijn publicatie duidelijk laten leiden door vergelijkbare omstandigheden uit de - toen kort tevoren beëindigde - Tweede Wereldoorlog. "Tijdens de opmars in de zomer van 1812 heeft de Beierse militair en tekenaar Albrecht Adam (1786-1862) hiervan vele tekeningen gemaakt. Eén tekening toont een aantal oprukkende grenadiersop de rug gezien. Ze dragen het marstenue ('tenue de route') in verschillende uitvoeringen, en zijn bepakt en beladen. Deze tekening vormt een visueel uitgangspunt voor een verhandeling over die marstenues van de garde tijdens de opmars (hoofdstuk 3); en tevens voor de reconstructietekening door M. Talens van een grenadier van de Garde impérialein de zomer van 1812. De zomerveldtocht van 1812 culmineerdein de slag aan de Moskwa (of bijBorodino), op 7 september 1812. Een week later volgde de intocht van de'Grande armée' in Moskou. Echter Napoleons leger kon deze benaming toen eigenlijk niet meer waar maken van de ruim 600.000 man van het oorspronkelijke leger waren er nog maar 140.000 overgebleven. Alle anderen waren weggevallen, door ziekten, ververwondingen, desertie en sneuvelen. Alleen de Garde impériale al telde bij het begin van de inval in Rusland zeker 50.000 man. Van dezen bereikten er slechts zo'n 22.000 Moskou, terwijl infeite alleen de artillerie van de garde inactie was geweest. En het 3meRégiment des grenadiers à pied? Dittelde in juni 1812 nog 1.200 man, zoals vermeld. Nog geen drie maanden daarna, half september, waren daar nog 700 man van over, zonder dat het regiment ook maar in gevecht was geweest. 'Ook de grenadiers van het 3me, onderbevel van Tindal, hebben tijdens het verblijf van Napoleon in Moskou wachtgelopen, in en rond het Kremlin. Of zij dat deden in het groot tenue? Ik betwijfel dat, gezien de riskante posities die zij daar innamen, temidden van een vijandige bevolking en overal opduikende partisanen groepen. Een 'tenue de campagne', het veldtenue van de grenadier op wacht' lijkt meer op haar plaats. Op 10 oktober telden de drie regimentengrenadiers en de twee regimenten jagers van de garde nog maar 195 officieren en 6.003 minderen.Te lang wachtte Napoleon op Russische onderhandelaars. Die kwamen niet, maar wel brandde een deel van Moskou af. Ruim een week later begon de terug tocht uit de Russische hoofdstad...Van der Hoeven schildert de ondergang van de restanten van de Grande arméeen daarbij van het 3™> Régiment des grenadiersà pied, tijdens deze terugtocht tussen oktober en december 1812. Behalve de door Van der Hoeven opgegeven literatuur van dat 'grote sterven',is er een recente heruitgave te noemen van een handschrift van de Württembergsesoldaat Jakob Walter over diensbelevenissen tijdens de veldtocht in Rusland in 1812.- Dit document dook zo'n zestig jaar geleden op in de Verenigde Staten. Het geeft door zijn onopgesmuktheid en realisme een bijzonder aangrijpende indruk van de gebeurtenissen tijdens de laatste maanden van dat rampjaar. Voortdurend toenemende koude, honger, uitputting en demoralisatie sloopten het leger, meer nog dan de niet aflatende Russische aanvallen en overvallen. Binnen deze scharen van wanhopigen heersten diefstal, doodslag en genadeloze hardvochtigheid tegenover zwakkeren, zieken en gewonden. De spreekwoordelijke kameraadschap maakte plaats voorde overlevings drang van kleine gewelddadige groepen, die zich ten koste van duizenden lotgenoten een weg baanden naar het redding-biedende Westen. Een eindeloos durende terugtocht, waar om elke hap eten werd gevochten, waar een plaats aan het vuur alleen werd gegund als men ook zelf hout meebracht, waargewonden werden beroofd van dekens,van schoeisel en kleren, waar zieken werden 'gedumpt' om onderdak, wagens en paarden voor validen te verkrijgenom de maandenlange, vrijwel uitzichtloze voettocht door de hel te kunnen doorstaan. Een enkele gelukkige had een bontjas gevonden, 27 maar vervolgens was het zaak voor hem dat deze hem niet ontstolen werd. Het behoud ervan waseen levenszaak geworden. Ook theepotten, pannen of kookpottenwaren uiterst gezocht. Men kon daarmee iets eetbaars koken of wellen. Sneeuwkon gesmolten worden, om daarmee gevonden knollen, kolen of - wie weet -aardappels te koken, dan wel graankorrelsof kaf te kneden en als 'brood' in 'tvuur te roosteren. Ruwe spijs kon metsmeer, leervet of talg iets verteerbaarder gemaakt worden en met kruit of salpeter op 'smaak' gebracht.

Dan volgt de ondergang van het 3""-'Régiment, tijdens de gevechten op 17 november 1812 in en rond Krasnoj. Gereduceerd tot één bataljon werd het regiment uiteindelijk opgeofferd om drie Franse legerkorpsen te redden van afsnijding en omsingeling. Van de ongeveer 500 Hollandse grenadiers bij het begin der gevechten waren er die avond nog maar een man of veertig over, te weinig om een kern te vormen voor een hernieuwd regiment. Omstreeks Kerstmis 1812 werden de resten van de drie regimenten Keizerlijke gardegrenadiers in Koningsbergen (Kaliningrad) verzameld. Het Ie Régiment telde nog ruim 400 militairen, het 2me ruim 270 en het 3me 41.2" Twee maanden daarna, in februari 1813 waren er van hen in totaal nog maar 408 validegrenadiers over.Bij Keizerlijk decreet van 15 februari1 813 werd het 3me"-' Régiment des grenadiers à pied dan ook opgeheven. De overgebleven militairen werden over de beide andere regimenten verdeeld, evenalsde zich in Versailles bevinden de magazijnen en kassen van het nu opgeheven regiment. Drie maanden later werden alle overtollige goederen van het 3me Régiment verkocht, waaronder de prachtige, groot tenue uniformen van de tamboers en het muziekkorps (hoofdstuk 4). Ook een ander regiment, bestaande uit Nederlanders, ging die dag bij Krasnojten onder, n.l. het 33""-' Regiment d'infantérielégère (33e Regiment jagers).Vóór de gevechtshandelingen die dag begonnen waren had deze eenheid nog een sterkte van zo'n 500 à 600 militairen. Uiteindelijk werden 78 man van dit 33""-' door de Russen, gevangen genomen, het merendeel van hen gewond. De rest was gesneuveld. Slechts negen militairen van dit regiment zagen uiteindelijk het vaderland terug!

3. De mars- en gevechtstenues van het 3me Regiment de grenadiers à pied gedurende de veldtocht in Rusland, juni-december 1812.

Juni - september 1812.

Deze mars- en gevechtstenues (Frans:tenue de campagne of tenue de route) omvatten kleding, uitrusting en bewapeningvan de grenadiers van het 3"'e, doorhen in Rusland gebruikt.

a. De kleding.

De kleding van de drie regimenten gardegrenadiers had de kapotjas en de grenadiersmutsgemeen, maar deze waren niet uniform. De kapotjassen waren vankarsaai (ruw laken), de grenadiersmutsenvan zwarte berenhuid. De kapotjassender beide Franse regimenten (het Ieren het 2me) waren vanaf 1804 middentotdonkerblauw. Die van het 3me echter was hemelsblauw, sedert 1805 de kleur van de militaire overjas in Holland. Al die kapotjassen hadden óf één rij van zes, of twee rijen van zes of acht knopen. Ze hadden, wat de manschappen betreft, hoge kragen en rodeepauletten. De kapotjas viel ruim overde knieën, was smal gesneden en kon(om het marcheren te vergemakkelijken) worden opgenomen. Daartoe werdende punten der voorpanden opgenomenen door middel van de op die punten aangebrachte knoopsgaten aan twee tailleknopen op de rug vastgemaakt. De veelzijdige kapotjas deed dienst als bescherming tegen kou en regen, maar ook als deken, als nachtleger en als dak. De vraag blijft natuurlijk of het 3me Regiment in 1812 nog steeds gekleed kon zijn in de eertijds meegebrachte, hemelsblauwe Hollandse kapotjassen van het model 1805, of dat de voorraad uitgeput was en er inmiddels ook donker(der) blauwe Franse kapotjassen van het model 1804 waren uitgereikt. Aangezien echter in die tijd verf werd gebruikt van natuurlijke grondstoffen, zullen deze kleuren blauw, tijdens de veldtocht van 1812, alras door regen, zon, stof, rook, zweet en vuil tot steeds groezeliger blauwgrijze tinten vervaagd zijn. De grenadiersmutsen van het 1er en het 2me Régiment verschilden met die van het derde.15 De eerste twee hadden Franse mutsen, deze waren smal, ruim 45 cm hoog, en hadden scherper afgeronde bovenranden; de Hollandse van het 3me waren 40 cm hoog, breder en minder scherp afgerond. Het 3me had geen mutsplaat, de Franse grenadiers wèl, n.l. op de benedenrand: een enigszins golvende driehoekige mutsplaat met een gekroonde adelaar. Bij het tenue de campagne waren de vangsnoeren, spiegels, kwasten, kokardesen pluimen van de muts afgenomen;alleen de platen bleven staan, uitgezonderd bij het 3"'e Régiment. De muts werd tijdens de veldtocht of gedragen, of meegevoerd in een zwart linnen foedraal, dat 'gewast' was (d.w.z. bestreken met een laag waterwerende was die met roet was zwartgemaakt). De pluim werd eveneens meegevoerd in een zwart'gewast' foedraal en met behulp van een veter aan de schede van de grenadiersabel bevestigd. Bij wachtdiensten werden zowel de pluim, als de kokardegedragen. De grenadiersmuts van het 3me had bovenaan een rood plateau met twee elkaar kruisende witte galons, die van het Ier en 2""-' Régiment ook een rood plateau, maar met een vlammende gele granaat in het midden. De kwartiermuts van de grenadiers van het 3me was wit, met rode galons en biezen, en met een rood kwastje aan de bovenkant. Deze muts werd naar zijn vorm 'slaapmuts' genoemd en met naar binnen gevouwen bovendeel als kazerne of kwartiermuts gebruikt. De kwartiermuts werd opgerold bevestigd aan twee riempjes onder de patroontas en beschermd door de overhangende klep van de patroontas. Blijkens afbeeldingen van ooggetuigen uit 1812 - onder andere de eerder genoemde Albrecht Adam, en Von Faberdu Faur - werden tijdens de opmars en ook bij het wachtlopen o.a. de ouderwetse hoge zwarte slobkousen gedragen, en waarschijnlijk de donkerblauwe kniebroek van het kleine tenue. Maar we zien op de afbeeldingen ook de lange linnenbroek met korte grijswitte slobkousen of de lange donkerblauwe lakense broek met omgeslagen pijpen en de grijswitte of zwarte korte slobkousen. De knoopjes van de zwarte slobkousen waren van koper; bij de grijswitte waren ze van been of leer. Vaak werden de broeken onder de slobkousen gedragen. Onder de slobkous werd de lage militaire schoen gedragen. In Frankrijk en Nederland zijn daarvan nog enkele paren bewaard gebleven." Het waren met hout gepende schoenen, met gelijkvormige linker- en rechter exemplaren, elk met twee of vier vetergaten. Geen enkel ander kledingstuk had zoveel te lijden van regen en sneeuw, van droogte en hitte en slechte, nauwelijks begaanbare wegen. Nergens groter gebrek dan aan schoeisel door scheuring, slijtage en verrotting. Het eerste waarvan een gesneuvelde werd ontdaan waren zijn schoenen, daarna zocht men pas naar eventuele levensmiddelen. En vaak genoeg werd er ook onder dwangschoeisel omgeruild, of zelfs geroofd, zoals veel gevangenen, gewonden en burgers bij elke veldtocht weer ondervonden.

b. Uitrustingsstukken.

Op grond van teksten en afbeeldingen weten we dat de voormalige garde grenadiers van Koning Lodewijk in 1810 ransels en patroontassen hadden die sterk overeen kwamen met de bestaande Franse modellen. Eveneens zijn er in 1810 exemplaren uit de Hollandse depots mee naar Frankrijk genomen. Gezien ook de toenmalige betrekkelijk lange voorgeschreven gebruikstijden van deze uitrustingsstukken,"4 lijkt een vervanging in dat jaar weinig aannemelijk- evenmin als van de kleding. Wel nieuw was de witte overtrek van 'gewast' linnen voor de patroontas, die daartoe over de klep werd geschoven en achterop vastgestrikt. Dat de grenadiers van het 3me de in het Franse leger voorgeschreven soepketel(la marmite) en de blikken bus (Ie grandbidon) gebruikt hebben lijkt wel zeker, daar aanpassing aan de Franse eetgewoonten en intendance noodzaak was. Per escouade (10 à 12 man) waren een soepketel en een bus aanwezig. Deze ketels en bussen werden bij toerbeurt gedragen en aan de ransel bevestigd. Broodzak en veldfles waren géén voorgeschreven uitrustingsstukken. Jonge recruten namen op de vaak lange weg naar het eerste depot deze onmisbare voorwerpen zelf mee van huis. Zo waren er in de Grande armée veldflessen van ijzer en van glas met 'gematte' overtrek (van gevlochten riet), maar ook de zeer populaire 'gourde' werd gebruikt, een uitgeholde kalebas met isolerende eigenschappen.

c. Wapens.

De fabricage van vuurwapens en blanke wapens was binnen de Europese staten, met de groei der staande legers in de 18e eeuw, steeds verder toegenomen en gestandaardiseerd. In de plaats van stedelijk een particuliere geweer makers en zwaard vegers kwamen er steeds meer fabrieken, die voor grotere lichamen werkten volgens - bij contract - voorgeschreven modellen, die vervolgens elders werden nagevolgd. J.P. Puype toont bijvoorbeeld overtuigend aan dat Franse blanke wapens al vóór de revolutie van 1789 grote invloed in Nederland kregen.

In de tijd van Napoleon Bonaparte waren er, over het Franse Keizerrijk verspreid, tien wapenfabrieken. Deze produceerden o.a. het Franse infanterie geweer Model 1777 corrigé, ook wel het model van 'An IX' genaamd. Dit verwijst naar het (revolutie jaar 9, omdat in oktober 1801 - en het jaar daarop - het model werd gewijzigd. " In ons land werd, in de sedert 1759 bestaande geweerfabriek te Culemborg, nadien naar dat model geproduceerd. Met die geweren werd een deel der Bataafse en Koninklijke Hollandse troepen uitgerust. Het geweer in kwestie was zeer goed, maar in z'n soort wel zwaar: ruim negen pond. Echter, de Culemborgse fabriek bleek kwantitatief niet aan de opdrachten te kunnen voldoen, ondanks het inzetten van Luikse vaklui. Er moest worden bijbesteld in Luik en Mutzig(Elzas), hoewel de geweren daar vandaan verschilden met - en veel minder van kwaliteit waren dan - die uit Culemborg. Het Culemborgse geweer b.v. was, mèt opgeplante bajonet, 1.418mm lang, dat uit Mutzig 1.519 mm." De bijbehorende bajonetten, respectievelijk te Klingenthal en Luik vervaardigd, waren 517 en 471 mm lang. De klingen voor de infanteriesabels werden te Solingen en Luik vervaardigd. De sabel was die van het Staatse Leger, van het model voor de infanterie van 1785-1795, die ook in gebruik was bij de stedelijke schutterijen. Al deze wapens werden - voor zover nog aanwezig - in 1814 door het nieuwe Nederlandse leger overgenomen. Het geweer werd vervolgens in 1842 omgebouwd tot percussie geweer en in 1864 zelfs tot achterlader. Ongetwijfeld zullen daarom veel van die geweren een respectabel aantal jaren dienst hebben gedaan.

Oktober-december 1812

De barre weersomstandigheden, die kort na de aanvang van de terug tocht uit Moskou (half oktober) begonnen te heersen, leidden binnen het leger tot allerlei vormen van zelfbescherming om te kunnen overleven. De toenemende kou, de steeds meer overheersende honger, gebrek aan slaap en de groeiende mentale uitputting maakten van de soldaten magere, grauwgele, uitgehongerde mannen in stinkende kleren, met voetlappenen bossen stro om bijeengebonden schoenen. Men droeg de broek in de slobkousen, onder de verkleurde en gehavende kapotjas. Men liep met omgeslagen dekens en tafelkleden en droeg delen van burgerkleding van allerlei kleur en vorm. Terwijl de meeste regimenten tijdens die terugtocht uiteen vielen en er zich overal kleine overlevingsgroepen vormden die als desperado's nergens meer voor terugdeinsden, behielden de garde regimenten nog hun eenheid. Op de ransels werdende bundels hout meegevoerd voor den achtelijke bivakvuren. De grenadiersmuts, waarschijnlijk boven op de kwartiermuts geplaatst, bood ongetwijfeld warmte, maar was inmiddels vervormd, verfomfaaid, vervuild en verijzeld. De stoere grenadier van weleer was een hongerige, verluisde en stinkende landlopergeworden."Jan Hoynck van Papendrecht (1858-1933) maakte in 1909 een indrukwekkendschilderij - thans in de collectie van het Legermuseum - van de ondergang van het 3me Régiment grenadiers. Het schilderij toont een sterk geslonken eenheid die de vuurlinie alsnog behoudt, vechtend in een besneeuwd, loodgrijs en koud aandoend landschap. Krasnoj, 17 november 1812 - via dit schilderij vormt het een blijvende herinnering aan één van de Nederlandse eenheden die in 1812 en 1813 werden opgeofferd aanvreemde belangen. Hoyncks schepping was voor dit hoofdstuk 3 punt van uitgang,en daarmee ook voor een tweedere constructietekening van de hand van M. Talens, van een grenadier van het 3me Régiment zoals die er bij Krasnoj zal hebben uitgezien.

4. De Tamboers en het Muziekkorps

a. Inleiding

Door de inzet in de late Middeleeuwen van tamboers en pijpers door de stedelijke schutterijen, de afdelingen ter heervaarten de huurtroepen, ontstonden melodieën en signalen die bevelen moesten doorgeven en die de oorsprong van de latere militaire muziek zouden worden. De grootte van de houten roertrommen, "'beschilderd met heraldische kleuren en wapens van stad, leenheer of soeverein nam in de 16e en 17e eeuw toe, zoals gravures van Goltzius, schutterstukken van Frans Hals en de Nachtwacht van Rembrandt getuigen. De tromstokken waren vrij kort en dik,en voorzien van ronde knoppen. Op het eind van de 17e eeuw werden de trommen weer kleiner. De houtenketels werden tegen het eind van de 18e eeuw vervangen door messingen exemplaren. De doffe bonkende tromslag veranderde, èn hierdoor, èn door de strakke gespannen slagvellen, in een droog en roffelend gedreun. De stokken werden langer en dunner en de knoppen eivormig. De slagtechniek werd ingewikkelderen de signalen en marsen veel gevarieerder. In de tijd van Napoleon kende elke compagnie formeel nog altijd twee tamboersen een pijper." De acht tamboers en vierpijpers van een bataljon stonden onder een korporaal tamboer {tambour-maîtreop z'n Frans); de zestien respectievelijk acht van een regiment onder een tamboer-majoor (tambour-major). Deze viel, veel meer dan de korporaal tamboer,op door een mooi gegalonneerd uniform, een staf met zilveren knop, een mooi zwaard aan een fraaie slagband en een grote hoed, met breed galon en hoge pluimen.Oorspronkelijk was de pijpersfluit vrijlang, in C-stemming. In de loop van de 18e eeuw werden daaraan de kortere fluiten in B- en A-stemming toegevoegd. Ze werden bewaard in een zogenaamde zogenaamde 'fluitebos', een cilindervormigekoker van hout, later van messing, meteen deksel en een schouderriem. In het Franse leger van Napoleon bestond een sterke neiging om de fluiten te vervangen door een ander houten blaasinstrument, aangezien hun iel geluid verloren ging in het massieve en droge tromgeroffel. In de loop van de I7e eeuw werden in vele Europese infanterieregimenten aande pijpers hobo's toegevoegd, in de 18e eeuw uitgebreid met klarinetten, pommers of schalmeien, fagotten, trombones, pistons en de later in onbruikgeraakte instrumenten, namelijk de zinken de serpent." Eind 18e eeuw werd aan deze korpsjes van zes of acht man de zogenaamde 'Turkse muziek' toegevoegd, te weten de bekkens, de grote trom en de schellenboom. " Niettemin bleven de muziekkorpsen klein, met uitzondering van die van de garde. En omdat de kleppen beperkt in aantal waren en ventielen nog moesten komen (in 1815), moet de militaire muziek van toen een vrij magere en niet altijd welluidende indruk hebben gemaakt.

b. De organisatie van het muziekkorps.

Al eerder werd meegedeeld dat in het Franse leger sinds 1807 per regiment infanterie acht muzikanten waren toegestaan. Indien méér muzikanten gewenst waren, moesten de officieren het verschil in soldij tussen die van een soldaaten van een beroepsmuzikant uit eigen beurs bijpassen."Het minimum muziekkorps van achtman telde (in 1820) twee klarinetten, twee pistons, twee fagotten, één bekkenen één grote trom.' Maximaal kon een regiment 22 tot 24 muzikanten tellen, dat wil zeggen acht a tien beroeps muzikantenen tien a twaalf soldaatmuzikanten.

Zoals R.A. Schimmel opmerkte in een aller aardigst opstel over de invloed van de Franse Revolutie op de militairemuziek, bleef de ontwikkeling hier te lande kleinschalig; de Hollandse en Zwitserse gardes van de stadhouder telden bijvoorbeeld omstreeks 1760 hoogstens acht muzikanten. Onder Franse invloed groeiden na 1795 bij ons demuziek korpsen in aantallen muzikanten. Het Regiment garde grenadiers van Koning Lodewijk telde in 1806, naast 36 tamboers en 18 pijpers, ook 14 andere muzikanten. Vrij waarschijnlijk bestond de instrumentale bezettinger van uit twee fagotten, twee klarinetten, twee pistons, twee trombones, één serpent, één bashoorn, één roffeltrom, één schellenboom, één grote trom en één bekken. Men moet daarbij wel bedenken, dat er toen nog geen eigenlijke kapelmeester was; één der muzikanten had de leiding. Veel groter waren de muziekkorpsen van met name de Franse Garde impériale. Het Ier Régiment des grenadiers âpied had in z'n 'tête de la colonne' (het muziekkorps) alleen al 16 klarinettisten, vier hoboïsten, vier fagottisten en vierhoornisten; in totaal telde dit muziekkorpsruim 40 man. Of het muziekkorps van het 3me Régiment na de inlijving bij de Garde impériale op de sterkte van het muziekkorps van het Ier Régiment is gebracht, is niet bekend.

c. Het repertoire

We weten dat de commando's bij het 3me Regiment in het Frans werden gegeven. Daarom is het van zelfsprekend dat ook de signalen en marsen van de Fransen werden overgenomen. Onder deze signalen waren er een aantal dat nog vandaag de dag in het Franse leger wordt geslagen en geblazen. Beroemde marsen zullen ongetwijfeld gespeeld zijn door het muziekkorps van het 3me, zoals 'La marche de la gardeconsulaire et Marengo'' met een gedragen, haast gewijde melodie. Of meeslepende marsen zoals 'Veillons aux salut de l'empire'en 'La victoire est à nous', beide ontleend aan deunen uit welbekende opera's, die dienden als melodieën van al even opwekkende liederen. Men speelde ook de al jaren bij de oude garde bekende massazangen waarmee deze ten aanval toog, zoals 'J'aime V'oignon frit àl'huile' of: 'On va leur percer le flanc'. Dit waren echter marsen en liederen die voor het eerste en het tweede Régimentdes grenadiers â pled een heel andere betekenis hadden dan voor het derde.

d. De kleding van het Muziekkorps van het 3me

De tamboers en pijpers van het 3me bleven in feite tot midden 1811 - in snit en kleur - dezelfde uniformen dragen die zij ook al in 1804 droegen. Deze bestonden uit witte rokken, vesten en kniebroeken, met karmozijn rode kragen, opslagen en rabatten (borstkleppen), gouden lissen op kraag en borstkleppen (zgn.Brandebourgs), hoge witte of zwarte slobkousen en een grenadiersmuts van zwart berenvel met witte katoenen kwasten, spiegels en vangsnoeren en een witroodgetopte, later geheel rode pluim. Ter onderscheiding van de grenadiers droegende tamboers en pijpers goudgalon langs de kraag, opslagen en rabatten. De gezamenlijke tamboers en pijpers (Frans:'la clique') hoefden in 1810 weinig te veranderen aan hun uniformen; alleen de knopen werden omgeruild. In plaats van die met de klimmende leeuw verschenen nu knopen met de adelaar. Het Regiment garde grenadiers van Koning Lodewijk had een muziekkorps van 14 man. Volgens besluiten van 10 juli en 2 augustus 1805 droegen de muzikanten, de tamboers en pijpers rode rokken met zwarte en witte uitmonstering. De tamboers en pijpers hadden daarop zwarte zwaluwnesten met wittegalon en franje. Dit voorschrift wordt bevestigd door de uniformen tekenaar Jan Langendijk, die in 1806-1807 aquarellen maakte van de gardegrenadiers met rode rokken, zwarte uitmonsteringen, en witte galons en lissen. De muzikanten droegen berenmutsen met rodepluimen en witte vangsnoeren. De tamboer-majoor droeg een grote vilten hoed met goudgalon, witte en lichtblauwe veren op de hoedrand en een pluim van rode, blauwe en gele veren. Het klein tenue der muzikanten bestond uit een donkerblauwe rok met rode uitmonstering, en goudgalon langs de kraag en opslagen, een wit vest en een donkerblauwe pantalon. Artikel 4 van het Keizerlijk decreet van 9 juli 1810 (waarbij het Koninkrijk Holland ingelijfd werd bij het Keizerrijk Frankrijk) bepaalde dat de Koninklijke garde deel ging uitmaken van de Gardeimpériale. Op 20 juli daaraan volgend verscheen een nieuw Frans decreet waarin werd bepaald dat de bestaande uniformen van de gardegrenadiers zouden worden gehandhaafd." Hierin werden verder de groot tenue uniformen van het muziekkorps beschreven. Met andere woorden: het muziekkorps van het nieuwe Keizerlijke grenadiers regiment zou dus een uniform doordragen dat te voren dat van het muziekkorps der-Koninklijke grenadiers was geweest, maar dat in geen Nederlands besluit ooit officieel is beschreven. Het uniform in kwestie bestond uit een lichtblauwe rok met gele uitmonstering en zilveren lissenen galons, een wit vest en kniebroek en een zwarte kolbak met gele kolbakzaken witte schommels, spiegels en kwasten en een witte pluim met blauwebodem. De tamboer-majoor had bovendien zilveren epauletten en galons, een zilver gegalonneerde kniebroek met zilveren Hongaarse knopen en laarzen, ook à la hussarde. Hij droeg een grote viltenhoed met zilveren galon en rood-geelblauwepluimen langs de rand en een grote staande pluim in dezelfde kleuren als die der muzikanten. Hij had ook een fraaie slagband, een koppel met plaat, een speciaal zwaard en een staf met zilveren knop en puntbeslag. De vroegst mij bekende afbeelding van dat uniform staat in een boek van Emile Marco de Saint-Hilaire over de geschiedenis van de Keizerlijke garde uit 1847. Hoe de schrijver aan zijn gegevens voor die afbeelding kwam is echteronbekend. Bijna 60 jaar daarna gaf L.Fallou in een werk over dezelfde garde een reproductie van twee fraaie en suggestieve aquarellen, vervaardigd door Maurice Orange, van muzikanten van het 3me Régiment des grenadiers à piedin de lichtblauwe rok, met gele uitmonsteringen bruinzwarte kolbak met witteblauw-getopte pluim en gele kolbakzak, als ook van de tamboer-majoor met een tamboer, beiden in groot tenue. Hebben Fallou of Orange deze uniformen zonder meer van De Saint Hilaire overgenomen, of andere bronnen gebruikt? Ook zij hebben daarover niets vermeld. In elk geval hebben ook later bekende uniformdeskundigen zoals Bucqoy,Rousselot en ook de Amerikaan Eltingen de Engelsman Haythornthwaite in hun diverse (levens)werken muzikantenen de tamboer-majoor in de lichtblauwerok met gele uitmonstering, kolbak en hoed afgebeeld. Wel menen zij dat deze muzikanten uniformen uit Holland afkomstig zijn, maar de datum van invoering ervan geven ook zij niet. De Nederlandse kunstenaars en uniform deskundigen Hoynck van Papendrecht, Staring en Van Tilburg maakten fraaie aquarellen van de tamboer-majooren de muzikanten van het 3"le, echter ook hier zonder commentaar of verwijzing naar eventuele bronnen. De kenner bij uitstek van de Nederlandse uniformen, dr. F.G. de Wilde, vermeldde dit uniform overigens niet in zijn studie over de garde-uniformen der infanterie tijdens het Koninkrijk Holland. Zoals gezegd: documentatie van die groottenue uniformen van Nederlandse origine is er niet en in de Koninklijke besluiten uit de jaren 1809 en 1810 wordt niet gerept over het muziekkorps van de gardegrenadiers van Koning Lodewijk. Echter, de in de zomer van 1811 nieuw ingevoerde groot tenues voor het muziekkorps en de tamboermajoor van het 3me, met name de donkerblauwe rokken met rode uitmonstering en goudengalons en lissen, de donkerblauwe kniebroeken en viltenhoeden, zijn goed gedocumenteerden beschreven door J. Margerand in 1926. Daar deze HTM.ats-98 uniformen zegge en schrijve éénmaal zijn gebruikt, zijn ze uiteraard niet echt bekend geworden. Alleen Bucqoy"1 en Elting gaven afbeeldingen van fraaie aquarellen van de tamboer-majoor en muzikanten van het 3me in het nieuwe uniformuit 1811, waarin het donkerblauw, het rood en het goud een mooie combinatievormen. Maar wannéér dan wel is het groot tenue 1811 die ene keer gebruikt? Drie data zouden in aanmerking kunnen komen, namelijk: 30 juni 1811, de dag waarop Napoleon een vaandel gaf aan elk der gezamenlijke voormalige Hollandse regimenten - waaronder het 3me Regimentdes grenadiers à pied, of 14 juli 1811, de Franse nationale feestdag en tenslotte wellicht 15 augustus 1811, de verjaardag van Keizer Napoleon, toen deze aande Ier en 2"'e garderegimenten grenadiersde aigles uitreikte. Het lijkt mij dat hiervan de 30e juni het meest in aanmerking komt.

Afbeelding 6 Groot-tenue uniformen van muzikantenvan het 3me Régiment desgrenadiers à pied. Van links naarrechts:serpentblazer 1809-1811, tamboer-majoor 1811-1812, tamboer1805-1812. Reconstructie vanM. Talens.(Collectie M. Talens)

Al die fraaie uniformen bleven in februari 1812 achter in Versailles. Zoals wij eerder lazen, werd op 15 februari 1813 bij Keizerlijk decreet het 3me' Regimentdes grenadiers à pied ontbonden. De kassen en depots ervan werden over die der beide andere grenadiersregimenten verdeeld. Alles wat overtollig was geworden werd de 17e mei daarop volgend in de Sotrykazerne te Versailles in het openbaar verkocht.'" Hieronder waren ook die slechts eenmaal gebruikte groot tenue uniformen van het muziekkorps van het 3"K'. Deze hadden in totaal 21.743 francs en 71 centimesgekost, volgens opgave van de conseild'administration. In dat bedrag waren ook de 2.866 francs begrepen - ongeveer een achtste deel dus - die betaald waren voor het fraaie uniform en de uitrusting van de tamboer-majoor zoals die door Bucqoy en Elting werden gereconstrueerd."' Voor die uniformen der muzikanten bestond vanzelfsprekend belangstelling, want Frankrijk was verarmd, en textielschaarste deed zich overal gevoelen. De rok, het vest, en de gegalonneerde kniebroek van de niet meer uit Rusland teruggekeerde tamboer-majoor Siliakus hebben tezamen iets meer opgeleverd dan de koppel mét de plaat (respectievelijk 700 en 685 francs), terwijl de prachtig gepluimde hoed weer wat minder opbracht dan het zwaard (respectievelijk 377 en 400 francs). Slechts twee officiersrokken van onbekende herkomst, en het zadel"" van de kolonel-commandant Ralph Dundas Tindal lijken alles te zijn wat er nog rest aan tastbare herinneringen van het 3me 'Regiment des grenadiers à pied de la Garde impériale. Bijzonder is, dat deze kledingstukken de tocht naar Moskou en terug vrijwel zeker niet hebben meegemaakt, maar het zadel wel.

e. De blanke wapens der muzikanten

Elders zijn de uniformen van de muzikanten, de tamboers, de pijpers en de tamboer-majoor beschreven. Ook heb ik iets meegedeeld over hun organisatie, repertoire en instrumentarium. Men zou bijna vergeten dat deze militairen ook bewapend waren. De tamboers en pijpers droegen dezelfde sabel als de grenadiers. Deze leek sterk op de Franse infanteriesabel, bijgenaamd Ie briquet' (de vuurslag). De Hollandse sabel is elders beschreven als onderdeel van de mars- en gevechtstenues. Van de twee typen lijkt de sabel van het vroegere Staatse leger (1785-1795) nog het meest geëigend. Deze was in totaal 819 mm lang, geschikt voor del angere soldaat. De muzikanten droegen degens, zoals die waarschijnlijk ook door officieren werden gedragen. Daarvan zijn er nog enkele bewaard gebleven, afkomstig van de voormalige Amsterdamse schutterij. Het door M. Talens uitgebeelde exemplaar is in de collectie van het Legermuseum ingeschreven als degen voor muzikantenen officieren uit ca. 1800.'"De tamboer-majoor droeg een zwaard. Hij had er ongetwijfeld één meegebracht uit Holland en kreeg hiervoor midden 1811 een nieuw exemplaar in de plaats. Uit die tijd is er van Hollandse kant geen enkel tamboer-majoorszwaard bekend, noch bewaard gebleven. In Frankrijk zijn er daarentegen verschillende bekend." Van uniformiteit is geen sprake,de rijke versiering van de schede en greep vallen op. De klingen daarentegen zijn hoogst eenvoudig, een teken dat die zwaarden niet voor het gevecht bedoeld waren, maar een louter decoratieve functie hadden. Voor zover ik althans weet, zijn er tot opheden geen nauwkeurige afbeeldingen van authentieke tamboer-majoorszwaarden van garderegimenten bekend, noch uit het Koninkrijk Holland, noch uit het Franse Keizerrijk. Om toch de daardoor ontstane leemten in de reconstructies van M. Talens op te vullen, heb ik mij -voor de maten en decoraties der onderdelen van de beide te reconstrueren zwaarden - gericht op de beschrijving van Teupken van het Nederlandse tamboer-majoorszwaard der infanterie uit 1819."" Ook heb ik gekeken naar de symbolen van het Koninkrijk Holland""en van het Franse Keizerrijk." Men verkrijgt dan weliswaar geen historische, maar wel een aanvaardbare, duidelijke reconstructie.

Afbeelding 7 Sabel (briquet) der tamboers en infanterie.Naar Geisweit van der Netten. ("Collectie mediatheek Legermuseum)

Afbeelding 8 Degen der muzikanten. Aquarel van M.Talens. (Collectie M. Talens)

Afbeelding 9 Zwaarden van Franse tamboer-majoors, ca.1810. Naar Aries - Armes blanches.Tekening van M. Pétard.(Collectie mediatheek Legermuseum)

Afbeelding 10 Voorzijde van het vaandel (aigle) van het 3me Régiment des grenadiers à pied, op 30 juni 1811 door Keizer Napoleon uitgereikt. Reconstructie door M. Talens.(Collectie M. Talens)

5. Over vaandels en aigles

In hoofdstuk 2 werd vermeld dat de onderdelen van de garde van Koning Lodewijk (1806-1810) eind juli, begin augustus 1810 in Utrecht werden verzameld, voordat zij op weg gingen naar Parijs. Behalve de onderdelen van de voormalige Koninklijke garde gingen ook haar kassen en depots mee naar Frankrijk. Daaruit kon voor eerst geput worden. Maar het vaandel van het voormalige Koninklijke garde regiment ontbrak. Tezamen met de andere vaandels en standaards van de vroegere Koninklijke Hollandse armee werd dit opgeslagen in Amsterdam, ten huize van de hertog van Reggio, de roemruchte generaal Oudinot (1767-1847), die belast was met de uitvoering van de inlijving van Holland. Blijkens een briefwisseling vroeg Oudinot in september 1810 wat hij met al die vaandels aan moest. Vermoedelijk zijn deze vaandels daarna verpakt en naar Frankrijk verzonden, omdaar getoond te worden. Waar? We kennende wensen van Napoleon daarover niet. Maar als het de Notre Dame was, zijn al die vaandels verbrand bij de nadering der geallieerden die op 31maart 1814 Parijs binnentrokken. Men had die vaandels beter in Holland kunnen laten.Twee restanten van de beide bataljonsvlaggen van het 5e Regiment infanterie van linie, afkomstig van de capitulatie van Veere voor de Engelsen op 1 augustus 1809, werden in 1898 door Jan Hoynck van Papendrecht ontdekt in het Royal Hospital te Chelsea, waar zij sinds 1809 hingen. Generaal Ten Raa maakte een reconstructie van de twee vlaggen, die Franse invloeden in kleur en motief verraden. Van der Hoeven gaf afbeeldingen van Hoynck's schetsen van die vlaggen en Ten Raa's reconstructie. Ik zelf liet een foto van zo'n bataljonsvlagafdrukken bij een opstel uit 1972 over de invasie van Zeeland in 1809. "Bij het vertrek naar Frankrijk in 1810 had het tiental in Franse dienst overgegane Hollandse regimenten, daaronder ook het 2me Regiment de grenadiers à pied, nog geen vaandel, zij hadden immers nog geen aigles ontvangen. Op 18 maart 1811 werd een nieuw regiment gardegrenadiers opgericht. We zagen reeds dat daarom het voormalige Hollandse regiment garde-grenadiers nu verder zou worden aangeduid als het 3me Régiment de grenadiers à pied. Voor het nieuwe 2me Régiment kwamen al een paar dagen na de oprichting mutsplaten beschikbaar. Op 24 maart daaraan volgend werd door de manufacturier leverancier een rekening ingediend voor het leveren van drie vaandeldoeken, bestemd voor de drie regimenten gardegrenadiers. "De Napoleontische aanduiding van het regimentsvaandel {drapeau) met 'aigle' gaat terug op de verering voor de moeden de haast mystieke kracht van de adelaar (Latijn: aquila). Deze roofvogel was oorspronkelijk het symbool van het Romeinse Rijk, met zijn legendarische leger, bestuur en wetgeving. De zeverering en bewondering is door velen gedeeld: landen als Pruisen, Rusland, Italië, Frankrijk en de Verenigde Statenvoerden en voeren de adelaar als symbool in hun wapens, vlaggen en vaandels. Napoleon Bonaparte realiseerde in 1802 de adelaar als een 'persoonlijk' idee ." Op het vaandeldoek (model 1804, resp. dat van 1811) met rode, witte en blauwefiguren er. met goud geborduurde letters, cijfers en galons, stond aan de ene kant een opdracht van de Keizer en aan de andere kant een oproep tot dapperheid en trouw. In latere jaren (1813-1814) werden aan de achterzijde ook wapen feiten vermeld door de plaats aanduidingen daarvan en kreeg het vaandeldoek de kleuren van de tricolore, de Keizerlijke Franse vlag. "De adelaar was, zoals vermeld, een gegoten en zwaar verguld exemplaar van 15 à 17 cm hoog (géén standaardmodel!), dat met gespreide vleugels op een eveneens verguld voetstuk stond, dat aan de vier zijden was voorzien van een adelaar in reliëf. Het voetstuk was bevestigd op een blauw geverfde houten stokvan ca. 240 cm hoog. Aan de stok was het vaandeldoek bevestigd met zestien tot achttien vergulde ronde kopspijkers. Het doek was van fijne witte zijde gemaakt, goud geborduurd en 80 tot 82 cm in het vierkant. In het midden van het doek was een wit vierkant in ruitvorm met goudgeborduurd een gedoomde galons uitgespaard, zodanig dat de hoekpunten van het vierkant de zijden van het vaandeldoek in het midden raakten. Binnen het vierkant stond de opdracht van de Keizer:'Garde impériale. L'empereur de Franceau 1er Régiment de grenadiers à pied'. In elk der vier overstaande boven- en benedendriehoeken stond het goudgeborduurde cijfer 1, omgeven door een gouden gefestoeneerde lauwerkrans. De drie hoeken links boven en rechts beneden waren blauw, de andere twee rood. De achterzijde van het vaandeldoek leek op de voorkant: alleen stond in het gekantelde vierkant: 'Valeur et discipline premierbataillon'. Deze spreuk stamde nog uit de tijd dat ook het Ie bataljon een aigle had. De overstaande driehoeken waren hiervan boven links en beneden rechtsrood, de andere twee blauw. De hier beschreven aigle van het 1er Régiment des grenadiers à pied is dus van 1811, naar het model van 1804, en wordt bewaard in het Musée de l'Empéri, in Salon-de-Provence."Ik meen dan ook dat het 3me Régiment, afgaande op de boven gegeven beschrijvingen, net zo'n type aigle kreeg uitgereik top 30 juni 1811, als het Ier en het 2me Régiment ontvingen op 15 augustus 1811. Als zodanig is dan ook de aigle van het 3me op papier gereconstrueerddoor M. Talens. Napoleon bepaalde op 12 maart 1812, toen de regimenten gardegrenadiers allang op weg waren naar Polen, dat alleen het vaandel van het 1er Régiment mee opveld tocht zou gaan. Dit is dus het vaandel dat in Salon-de-Provence wordt bewaard en dat de veldtocht in Rusland heeft meegemaakt. "De aigles van het 2mc' en 3"w Régimentbleven in Frankrijk. Ze werden bewaard bij de andere veldtekens van de Gardeimpériale, die zich in 1813 in een vertrek bij de 'Salle du Trône' in het Palais des Tuileries bevonden." We weten dat het 1er en 2mc Régiment in april 1813 alweer nieuwe aigles kregen volgens een model waarin de Franse driekleur was verwerkt en waarop aan de achterzijde de krijgsbedrijven uit de jaren 1800 tot en met 1812 waren vermeld, van Marengo tot Moskou. Dit ging in feite voor het 2me Régiment niet op. De twee aigles uit 1813 zijn bewaard gebleven en hangen eveneens in het Musée de l'Empéri.Van de in 1811 uitgereikte aigles is, zoals vermeld, alleen die van het 1er Régimentde grenadiers à pied bewaard gebleven. Die van de andere twee regimenten zijn spoorloos verdwenen...

Afbeelding 11 Achterzijde van dit vaandel.Reconstructie door M. Talens.(Collectie M. Talens)

Addendum 1. Kapotjassen

a. Iconografie Franse kapotjas L. Rousselot - L'Armée Française:pl. 16 Grenadiers en tenue de route 1813-1814;pl. 48 Infanterie de Ligne 1812-1815;pl. 63 no. 9 Tamboer-tenue de campagne. Emile de Saint Hilaire - Histoire de la Garde Impériale:p.548, afb. 6. Marstenue grenadier Elba1814/1815. Donkerblauwe kapotjassen enpantalons. E.L. Bucqoy - Uniformes du Premier Empire. Delen 1-10:10e Série 218-221 ; naar voorbeeld tekening Albrecht Adam;221e Série Grenadiers Ie en 2e Regt met donker blauwe kapotten.John R. Elting - Napoleonic Uniforms Ie deel (1994):Illustraties door Herbert Knötel, zie afdeling Imperial Guard, afb. 18 Gardegrenadier 1815 in tenue de campagne met donkerblauwe kapotjas en pantalon, rodeepauletten en uitmonstering. Alain Pigeard - L'Armée Napoléonienne:p. 60, afb. 41, Grenadier in tenue de campagne met donkerblauwe kapot.L. Fallou - La Garde Impériale 1804-1810:p. 89 Tenue de campagne Michel Pétard - 'Le Grenadier à Pied dela Vieille Garde':p. 20 De Kapotjas;p. 25 Reconstructietekening grenadier in groot tenue en in marstenue, resp. voorenachterzijde. Ph. Haythornthwaite/M. Chappel -Uniforms of the Retreat from Moscow:afb. 2b Grenadier in tenue de campagne. Heeft gematte veldfles (Calvados-type):"'Le grand bidon" aan ransel. Gewast linnenovertrek over grenadiersmuts;p.  Soldaten droegen musket vaak over schouder, vastgehouden bij loop metachterwaarts uitstekende kolf en horizontalestand.

b. Nederlandse kapotjas F.G. de Wilde -'Garde Infanterie Kon.Holland';p. 49. Volgens besluiten van het Uitvoerend Bewind van 31 juli en 3 aug. 1805 kreeg de infanterie van de Bataafsche Republiek een grijze karsaaien kapotjas. Maar volgens een later besluit van 10 december 1805 werd dat een blauwe. Zie F.G. de Wilde: 'Uniformen van het leger van de Bataafse Republiek', t.o. 44.

Addendum 2. Ransels

a. Ransels Koninkrijk Holland

In mediatheek Legermuseum, zie J.J. Genaert:'Bijzondere kledinge der Bataafsche Troupes' (1802) afb. 21: Bruin-wittekoeienhuid. Hoogte:Breedte als 1:2.Drie smalle sluitriemen langs kleprand van ransel. In mediatheek Legermuseum, rubriek 'Infanterie Koninkrijk Holland':Afb. infanterie, jagers, grenadiers 1806-1810. Rechthoekige ransels met 2 lange sluitriemen. Voltigeur van achter gezien: ransel heeft 2 korte vrij brede sluitriemen met gesp en lange pakriem daartussen. Bovenop de ransel links en rechts twee korte pakriemen, pakriemen, ter bevestiging blauwe kapotjas.

b. Franse ransels M. Talens, zie De ransel op de rug: dl. I, 67.L. Rousselot - 'L'Armée Française':afb. 4 en 5. Ransels met soepketel, brood en blikken bus (de laatste nog niet met een schenktuit).M. Pétard - Equipements Militaires de 1600 à 1870.Tome IV 1804-1815, dl. II, 39. Ransel met extra riemen bovenop, ter bevestiging van de gerolde kapotjas; idem dl.I, 16 Maten ransel infanterie. M. Pétard 'L'Homme de 1812':p. 26. Tekeningen van ransels met o.a. soepketel en schenkel rundvlees.

Addendum 3. Patroontassen

a. Patroontassen Koninkrijk Holland In mediatheek Legermuseum, rubriek ' Infanterie Koninkrijk Holland':Afb. Voltigeur 3e Regt Jagers van opzij. Naar Piepers - Uniformen Kon.Hollandse Armee, Collectie Kon.Huisarchief.N.B. Onder de bodem van de patroon tas de opgerolde kwartiermuts. De patroontas met rechte klep. Afb. Soldaat 9e Regt Inf van Linie vanopzij. Patroontas met rechte klep, daaronderopgerolde kwartiermuts.

b. Franse patroontassen M. Talens - De ransel op de rug:p. 23.M. Pétard - 'Le Grenadier à Pied de la Vieille Garde':p. 15-27; p. 22 Giberne rechte klep metadelaar in het midden en granaten in de hoekpunten. M. Pétard - Equipements:tome IV dl. I, 13: Tableau A. Patroontas met bandelier infanterie; p. 23: Volgepakte patroontas ;p. 64-65 Klep giberne met adelaar en granaat op elk der vier hoeken.Jean Boudriot - Armes à feu. Modèles d'ordonnance:Cahier 3, pi. 8 Giberne et buffleterie =Patroontas met bandelier van wit buffelleder.

Addendum 4. Collectie mediatheekLegermuseum

a. Rubriek Militaire Kunstenaars:- 'Garden Koninkrijk Holland'- Jacob de Gheijn- J. Hoynck van Papendrecht- Lamme- L. Rousselot - L'Armée Française, sesUniformes, son Armament, sonEquipement planches 1-105; (verschillendeuitgevers 1944-1969).- W.C. Staring- F.J.G. Ten Raa en M.H. van Tilburg -'Garden te voet en te paard. Keizerrijk 1810-1813'.- M.H. van Tilburg

b. Infanterie Koninkrijk Holland- J.J. Genaert - 'Bijzondere kledingeder Bataafsche Troepen (1802)'

c. Infanterie Franse Keizerrijk- J.Hoynck van Papendrecht -'Schetsboek Bataafsche Republiek en Koninkrijk Holland'.- Lamme - 'Tekeningen sierdegens.

d. Vlaggen en Vaandels Koninkrijk Holland

Addendum 5. Collectie Gemeentearchief Utrecht:

Hendrik Keetell - Dagverhaal der voornaamste gebeurtenissen binnen Utrecht, te rekenen van den aanvang des Franschen Oorlogs tot aan de verheffing van Willem den Zesden, Prins van Oranje tot Koning der Nederlanden;ms. in UB Utrecht, coll. Hss 1298. Gedrukt in gedeelten, in één band in Gemeente archief Utrecht, bibl sign. IXA.40.Twee aquarellen van Anth. Grolman van het Sterrenbos te Utrecht resp. van 23 juli en 5 augustus 1884 vanaf Catharijnensingel en vanaf Spoorbaan. Gemeente archief Utrecht HAS 83.1 C4000-7 en HAS 83.1 C 21-199. Met vriendelijke dank aan mevrouw M. van der Kaa en de heer H. Kettlitz(Gemeente archief Utrecht).

Addendum 6. Collectie Centraal Museum Utrecht:

Anoniem schilderij van exercitie ProPatria et Libertate in Sterrenbos te Utrecht, uit 1784. Zie catalogus Centraal Museum, nr. 2971. Met vriendelijke dank aan mevrouw E. Altona (Centraal Museum) en de heer B. Ravelli te Bilthoven.