Parachutisten in voormalig Nederlands-Indië 1946-1950

 

 

Uniformen en onderscheidingstekenen

 

Naar aanleiding van het optreden van Duitse valschermjagers in april en mei 1940 besloten de Geallieerden in de zomer van 1940 over te gaan tot het formeren van parachutisteneen­heden.

Het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger bleef hierin niet achter en medio 1941 werd op het vliegveld Kalidjati op West-Java een `proefafdeling Parachutisten' (PraPar) opgericht. Het uitbreken van de oorlog in Azië heeft het formeren van een operationele parachutisten­eenheid bij het KNIL echter verhinderd.

Na de capitulatie van Japan op IS augustus 1945 kwam het plan tot invoering van legerpa­rachutisten opnieuw ter tafel. December 1945 besloot de Generale Staf van het KNIL tot het formeren van een parachutistenbataljon. Voor dit doel werd op 1 maart 1946 te Batavia de School voor Opleiding van Parachutisten (SOP) opgericht, die echter al spoedig werd verplaatst naar Hollandia op Nieuw-Guinea. De aspirant-parachutisten waren vrijwilligers van alle mogelijke wapens van KNIL en KL, doch voor de instructeurs kon men beschikken over geoefende para's die reeds tijdens de tweede wereldoorlog hun steentje hadden bijge­dragen. Zij waren afkomstig van Netherlands Special Operabons (Korps Insulinde) te Ceylon of van no. 2 (Dutch Troop) van no. 10 Interallied Commando.

Deze drie factoren:

  • het reeds bestaan hebben van een Proefafdeling Parachutisten;
  • het aantrekken van para-instructeurs die reeds bij de Geallieerden waren opgeleid;
  • de verplaatsing van de SOP naar Hollandia;

hebben elk voor een deel bijgedragen tot uniformering, uitrusting en ingevoerde onderschei­dingstekenen zoals deze bij de Nederlands-Indische para's van 1946 tot 1950 plaatsvond. 1)

 

 

1. Uniformering en uitrusting op Nieuw-Guinea

Door een tekort aan grondstoffen en het nog niet in bedrijf zijn van de Nederlandse en Indische industrie werden het naoorlogse KNIL en de naoorlogse KL aanvankelijk gekleed uit voorraden die van de Geallieerden werden overgenomen. Daardoor was uniformering in de diepere betekenis van het woord vaak ver zoek en zag men in 1945-1946 in Indië binnen dezelfde eenheid de militairen door elkaar gekleed gaan in Britse, Brits-Indische, Ameri­kaanse en Australische tropenkleding (en soms zelfs kleding uit Japanse voorraden); men droeg wat ter plaatse voorhanden was. Voor de School Opleiding Parachutisten en het op te bouwen esprit de corps in een elite-eenheid kwam het echter goed uit dat zich te Hollandia nog voorraden bevonden afkomstig van het Amerikaanse leger die deze plaats in 1944 ver­overd had op de Japanners.

De Engelse canvas bepakking (webbing) kon nu vervangen worden door de meer practische Amerikaanse canvasbepakking die is afgebeeld bij het artikel `Uniformering, distinctieven, uitrusting van het Nederlands Detachement Verenigde Naties 1950-1954' in Armamentaria aflevering 16 van 1981. Behalve de op blz. 180 en 181 afgebeelde uitrustingsstukken werd ook het zgn. Jungle pack verstrekt, een waterdicht ransel in camouflagekleur.

 

a. Veldtenue:

Bestond uit een jasje van olijfgroene katoen met visgraat motief (Herringbone twill) met groot model (harmonica) borstzakken en gesloten met metalen knopen. Het jasje werd in de broek gedragen. Lastig was dat de jassen niet voorzien waren van schouderbedekkingen voor het dragen van rangonderscheidingstekenen op schouderschuifpassanten, de jassen wer­den dan ook later van deze schouderbedekkingen voorzien. 2) De broek, eveneens van Her­ringbone twill, had twee grote zijzakken van het harmonicamodel. Daarnaast werd echter ook de Amerikaanse olijfgroene overall van dezelfde stof verstrekt. Zie afb. 1. Overigens werd de reeds aanwezige Britse tropenkleding van ongeveer dezelfde kleur afgedragen.

Afb. 1 a t/m d. Veldtenue voor de tropen van Amerikaanse oorsprong:

Afb. 1a. Tropenjas van olijfgroene Herringbone twill.

 

Afb. 1b. Tropenbroek van olijfgroene Herringbone twill.

 

Afb. 1c. Overall van olijfgroene Herringbone twill.

 

Afb. 1d. Veldpet met olijf groene Herringbone twill.

 

b. Uitgaanstenue:

Wederom door de aanwezigheid van Amerikaanse voorraden kon als uitgaanstenue het Amerikaanse khakikleurige katoenen tropen- of zomeruniform worden verstrekt. Het was een goed getailleerd uniform van uitstekende kwaliteit dat met het overhemd in de broek werd gedragen en dat maakte dat later, op west-Java, tijdens het passagieren de para's ten opzichte van de andere landmachtmilitairen zeer gunstig afstaken.

 

c. Schoeisel:

Bestond uit de Amerikaanse halfhoge dienstschoen met de ruwe kant van het bovenleer naar buiten en vanwege de goede pasvorm zeer geliefd. Bij het veldtenue werden de Amerikaanse canvasleggings gedragen, been- en enkelbedekkingen die aan de buitenzijden met een veter werden dichtgeregen. Bij het uitgaanstenue werd de broek over de schoenen gedragen. Overigens werden de bruikbare Britse legerschoenen die nog op de man waren afgedragen.

 

d. Hoofddeksels:

Als hoofddeksel droegen de aspirant-parachutisten bij het veldtenue de Amerikaanse veldpet met doorgestikte klep van olijfgroene Herringbone twill. Tijdens velddienst werd de Ameri­kaanse binnen- en buitenhelm gedragen. Alleen de instructeurs die geoefend parachutisten waren geweest bij Korps Insulinde of de Britten droegen te Hollandia de rode baret van Brits model, de overigen droegen - bij uitgaanstenue - de Amerikaanse khakikleurige katoe­nen veldmuts.

 

2. Onderscheidingsteknene gedragen op Nieuw-Guinea

a. Rangonderscheidingstekenen:

KNIL-model, bestaande uit schouderschuifpassanten van olijfgroen of khaki stof met de rangonderscheidingstekenen op een zwarte gelijkzijdige driehoek met zijden van 5 ½ cm, zie afb. 2 en noot 3.

 

Afb. 2. Rangonderscheidingstekenen KNIL, zoals gedragen op de schouderschuifpassantenbij SOP en PARACie.

 

b. Mouwonderscheidingstekenen:

Op Nieuw-Guinea werden door de aspirant-para's nagenoeg geen mouwemblemen gedragen. De mouwleeuw (met tekst Nederlandsch-Indië) was voor het KNIL in de tropen niet voor­geschreven, wél op het Europees uniform tijdens verblijf in Nederland. De KL-mouwleeuw (met tekst Nederland) leende zich niet voor het dragen in de tropen. Door het veelvuldig wassen der kleding en de zon werden de mouwleeuwen snel onbruikbaar en al spoedig niet meer gedragen. Weliswaar droegen sommige vrijwilligers het mouwembleem van de eenheid waarmee ze naar Indië waren gezonden, dit werd na aankomst te Hollandia uit het oogpunt van eenheid van tenue spoedig verboden.

 

c. Borstonderscheidingstekenen:

Zij die tijdens de tweede wereldoorlog bij de Britten een volledige parachutistenopleiding hadden gevolgd droegen een borstonderscheidingsteken met witte parachute ter weerszijde voorzien van een lichtblauwe gespreide vleugel (parawing Brits model). Dein Azië aange­maakte exemplaren waren handgeborduurd op een donkerblauwe ondergrond (zie afb. 3.a) en voorzien van een inwendige versteviging zodat de `wing' met een sluitspeld gemakkelijk boven de linkerborstzak bevestigd dan wel afgenomen kon worden, hetgeen te maken had met het dagelijks wassen van de kleding in de tropen. Aangezien het parachutespringen te Hollandia niet werd beoefend, werd de parawing dus uitsluitend gedragen door hen die afkomstig waren van het Korps Insulinde of de Britse commando's.

 

Afb. 3. Borstonderscheidingstekenen, mouwemblemen en naamlint bovenmouw.

 

d. Mutsonderscheidingstekenen:

Zij die gerechtigd waren een rode baret te dragen, droegen hierop het witmetalen embleem van het Britse Parachute Regiment.

Alle anderen droegen op de voorzijde van de olijfgroene veldpet of links voor op khakikleu­rige veldmuts een metalen leeuw van koper (KL-uitvoering) of van bronskleurig metaal (KNIL-uitvoering), hoewel aan het bovenstaande niet nauwgezet de hand werd gehouden.

 

3. Uniformering en uitrusting op Java

Nadat op 1 maart 1947 de commandotraining in pelotonsverband zo ver was gevorderd dat een paracompagnie kon worden gevormd, vertrok deze eenheid per boot via Bali naar Java. 1 Mei werd door de Legercommandant de le Parachutistencompagnie KNIL (1 Paracie) opgericht met als standplaats Bandoeng, dicht bij de aldaar gelegen vliegbasis Andir. Op 1 september 1947 werd de SOP van Hollandia verplaatst naar de garnizoensplaats Tjimahi bij Bandoeng, zodat de Nieuw-Guinea periode thans geheel tot het verleden behoorde.

 

a. Veldtenue:

Op Java werd het veldtenue aangevuld met de Amerikaanse jungle-overall, die aldaar ook reeds aan andere eenheden te velde was uitgereikt. Dit kledingstuk in camouflagekleur was voorzien van grote borst- en heupzakken voorzien van drukknopen en werd gesloten met een ritssluiting. Ingebouwde, verstelbare bretels maakten het dragen geriefelijk, ook indien alle zakken gevuld waren met een zware inhoud (munitie, handgranaten).

Daarnaast bleef men echter ook de olijfgroene veldkleding als omschreven in punt 1. a dragen, (zie afb. 4).

 

Afb. 4. Vliegbasis Andir bij Bandoeng, 19 december 1948, 04.00 uur.
Een groep parachutisten van de Ie Parade staan aangetreden teneinde in te stijgen in degereedstaande Dakota. (C-47 Transporttoestel). Om 6.45 uur sprongen zij boven Magoewo,het vliegveld bij de republikeinse hoofdstad Djocjakarta, hetgeen de aanvang van de 2e politioneleactie betekende. Olijfgroene veldtenue en jungle overall worden door elkaar gedragen.Tijdens de sprong droeg men de stalen valhelm, die daarna echter al spoedig plaats maaktevoor de rode baret. Sommigen dragen hoge schoenen met leggings of enkelstukken, anderenjungle boots. Verder ziet men Amerikaanse veldflessen, patroontasjes, verbandtasjes en commandodolken.Links ligt een jungle pack op de grond, terwijl een van de para's met een kitbag gaat springen, voor het vervoer van wapens.

 

b. Uitgaanstenue:

Het Amerikaanse khakikleurige katoenen tropentenue zoals omschreven in punt 1.b. Nieuwe aanvullingen op Java droegen echter hun uit Nederland verstrekte khaki uitgaanskleding af.

 

c. Schoeisel:

Op Java werden jungle boots verstrekt, hoge soepele schoenen van groen linnen met rubber zool en hak en een vetersluiting aan de voorzijde. Daarnaast werden de Amerikaanse veld­schoenen met opgestikte leren enkelstukken uitgereikt (zie afb. 5) zoals in 1944 in gebruik genomen bij het Amerikaanse leger.

 

Afb. 5. Voor het maken van een oefensprongwordt de uitrusting nog eens terdegegeïnspecteerd. De sergeant-instructeur rechts is gekleed in jungle overall en rode baret. De parachutist vooraan draagt een valhelm van kunststof zoalsomschreven in punt 3.d, deolijfgroene veldtenue, Amerikaanse schoenen met opgestikte enkelstukken alsmede een kaartentas op zijn rechterbeen.

 

Men droeg echter ook de zwarte hoge schoenen KNIL-model (half leder, half canvas) dit in combinatie met de Amerikaanse canvas leggings. Amerikaanse jump boots (25 cm hoge bruine rijgschoenen met opgestikte neuzen en hakstukken) werden door onze para's in Indië niet gedragen.

 

d. Hoofddeksel:

Toen op 1 mei 1947 de 1e Paracompagnie werd opgericht, werden rode baretten uitgereikt hoewel de springopleiding nog niet had plaatsgevonden. De Legercommandant wilde de aspirant-para's, die een zware commando-opleiding op Nieuw-Guinea achter de rug hadden, onderscheiden en ze als een elite-eenheid aan zijn hoge bezoekers tonen (zie afb. 6). De rode baret was als distinctief voor Britse para- en luchtlandingseenheden op 29 juli 1942 door de Britse legerleiding ingevoerd op aandrang van generaal-majoor F. A. M. `Boy' Browning, toen commanderend officier van de Britse airbornes. Het verhaal gaat dat de wijnrode kleur (maroon zoals de Engelse aanduiding is) is gekozen door Daphne du Maurier, de echtgenote van generaal Browning. Hoe dan ook, door het dappere en onverschrokken optreden van de `Red Devils' o.a. in de Slag om Arnhem was de rode baret een hogelijk gewaardeerd onderscheidingsteken geworden, niet in het minst door onze nieuwe Nederlandse para's.

 

Afb. 6. Bij aankomst van Minister-president Dr. L. J. M. Beel en de Minister van Overzeese gebiedsdelen. Mr. J. A. Jonkman te Batavia op 7 mei 1947 wordt een erewacht geïnspecteerd bestaandeuit leden van de kortelings opgerichte 1e Parade. Links de Legercommandant Luitenant-generaal S. H. Spoor, rechts van hem Vice-admiraal A. S. Pinke. De parachutisten, waarvan op dit moment alleen de commandant vóór de troep gesprongenheeft (elnt R. van Aarem), zijn gekleed in het olijf groene veldtenue en rode baret (gestikt model) met koperkleurige baretleeuw. Zij dragen verder de Amerikaanse koppel en canvasleggingsen zijn, behalve de commandant, bewapend met de Owen Sub-machine gun, een pistool-mitrailleur van Australische makelij. Op de rechtermouw dragen zij het stoffen mouwembleem zoalsafgebeeld in punt 3. e

 

De eerste baretten waren vervaardigd op Java en de diverse segmenten van de baret waren aaneengestikt (zie afb. 7.a). De baretten waren gevoerd met zwarte voeringstof en voorzien van een zwart lederen zweetband, waarin een zwarte katoenen veter was aangebracht die aangetrokken en gestrikt diende te worden, waardoor het mogelijk was - indien nodig - de maat enigszins aan te passen. De baret diende op Britse wijze 4) te worden gedragen, horizon­taal, met de rand circa 3 cm boven de wenkbrauwen, het embleem boven het linkeroog en de flap omlaag hangend tot de bovenzijde van het rechteroor. De gestikte baret leende zich minder voor deze draagwijze, zodat in 1948 zgn. gebreide baretten in Australië werden aangekocht. De gebreide baretten waren naadloos (zie afb. 7.b) en meer rekbaar zodat de flap op fraaie wijze naar rechts kon worden getrokken. Deze baretten hadden eveneens een zwart lederen zweetband, waarin een zwart lint en twee ventilatie-openingen met metalen ringen onder de flap. De baret was gevoerd met khakikleurige katoenen stof waarop een etiket van wit linnen was gestikt. Op dit etiket met zwarte letters gedrukt: `V 503 - made in Australia - 1944 - alsmede het woord `size', gevolgd door een nummer (aanduiding van de maat).

 

Afb. 7 a t/m c. Modellen van rode baretten zoals door de para's in het voormalige Nederlands-Indië 1946-1950gedragen alsmede het hierop gevoerde baretembleem.

 

Afb. 7a. Rode baret van het gestikte model.

 

Afb. 7b. De oorspronkelijke wing die later als baretembleem fungeerde. (Let op het oogje onderaan).

 

Afb. 7c. Rode baret van Australisch model (naadloos gebreid).

 

Aldus werd de Britse rode baret ook het distinctief voor de Nederlandse en Nederlands-In­dische parachutisten, welk distinctief door hen die later in Nederland in beroepsdienst bleven of overgingen als een erkenning voor bewezen diensten tot 1 juli 1955 mocht worden gedragen.

 

Als hoofddeksel tijdens het parachutespringen werd een valhelm gebruikt met kunststoffen bol waarin een 10-tal gaten voor luchtcirculatie 5). Rond de helm was een met zacht rubber gevulde stootrand aangebracht, terwijl de helm onbeweeglijk op het hoofd werd gehouden door een kinband, die oren en nek geheel bedekte (zie afb. 5). Naast deze helm werd ook de stalen valhelm gebruikt die identiek was aan de Britse helm voor motorordonnansen (zie afb. 4).

 

4. Onderscheidingstekenen gedragen op Java

a. Rangonderscheidingstekenen:

Zij die in opleiding werden genomen voor parachutist en reeds een effectieve rang hadden, droegen tijdens de opleiding op de SOP geen rangonderscheidingstekenen. Indien de rang na plaatsing bij 1 Parade gehandhaafd bleef, werden rangonderscheidingstekenen van KNIL­model gedragen (zie afb. 2).

 

b. Baretembleem:

Toen de eerste rode baretten in mei 1947 werden uitgereikt werd daarop een koperkleurige baretleeuw gedragen (zie afb. 6).

20 juni 1947 eindigde de eerste springcursus op vliegbasis Andir en stond men voor de keuze welke parawing uit te reiken. Er waren nl. nog parawings beschikbaar die in 1941 waren ontworpen. Deze bestond uit een geopende parachute in lauwerkrans ter weerszijden voor­zien van gespreide vleugels, terwijl over de lijnen van de parachute een hand met dolk was afgebeeld (zie afb. 7.c), embleem van bronskleurig metaal. Aangezien de reeds bij de geal­lieerden opgeleide para's een borstonderscheidingsteken van Brits model droegen (zie afb. 3.a) werd voor handhaving van dit borstonderscheidingsteken gekozen. De oorspronkelijke bronzen wing kreeg nu bestemming als baretembleem. Het valt de nauwgezette waarnemer wellicht op dat midden onder dit bronzen embleem een oogje is gesoldeerd. Bij het ontwerpen van het onderscheidingsteken bestond de gedachte hieraan een dolkje te bevestigen voor sprongen boven vijandelijk gebied (actiesprongen). Zover is het niet gekomen doch in het vervolg van dit opstel komen we nog op dit punt terug.

Toen de vooroorlogse voorraad bronzen baretwings was uitgeput, werd de nieuwe aanmaak vervaardigd van koperkleurig metaal, hetgeen aansloot op de verlangens van de para's die hun baretembleem wensten te poetsen.

 

c. Mouwembleem:

Naar aanleiding van een oproep van de Legercommandant in 1946 aan de onderdelen in Indië om eigen mouwemblemen te gaan dragen werd door sergeant M. N. A. Monterie, afkomstig van het Korps Insulinde, nog te Hollandia een mouwembleem voor de parachutis­ten ontworpen.

Het embleem bestond uit een rode commandodolk met hand in natuurlijke kleur waarboven in wit een geopende parachute tussen schuin omhoog gerichte vleugels in hemelsblauw, het geheel op een Nassausblauw driehoekig schild met afgesneden hoeken omgeven door een oranje bies (zie afbeelding 3.e). Het mouwembleem was dus gebaseerd op het oorspronkelijke bronzen borstonderscheidingsteken, later baretembleem (punt 4.b).

Nadat het mouwembleem was goedgekeurd, werden in 1947 te Batavia stoffen exemplaren -handgeborduurd-aangemaakt en op de linkermouw van veldtenue en uitgaanstenue gedra­gen (zie afb. 6).

In 1948 werd het mouwembleem ook in de toenmaals gangbare metalen versie aangemaakt, voorzien van met gekleurde lak aangebrachte vlakken (zie afb. 3.f).

September 1947, na aankomst van de SOP te Tjimahi, werd het mouwembleem uitsluitend bestemd voor de vaste staf van deze school en de in opleiding zijnde aspirant-parachutisten. De nieuw aangekomen cursisten droegen nl. bij aankomst vaak het mouwembleem van hun oorspronkelijke eenheid. Ter bevordering van de korpsgeest diende dit dan plaats te maken voor het mouwembleem SOP. Bij de paracompagnie werd het mouwembleem vanaf die datum niet meer gedragen, daar de rode baret en borstonderscheidingsteken als korpsonder­scheidingstekenen zeer goed voldeden.

 

d. Borstonderscheidingstekenen:

Zoals reeds vermeld was dus gekozen voor het Britse type onderscheidingsteken voor geoe­fend parachutist, zij het dat het in tegenstelling met de Engelsen niet op de mouw, doch boven de linkerborstzak werd gedragen.

20 juni 1947 werd te Andir door generaal-majoor Engels in de functie van Directeur Centrale Opleidingen voor de geslaagden van de eerste springcursus het borstonderscheidingsteken van het in punt 2.c. omschreven model uitgereikt. Spoedig volgden de springcursussen op de springschool (onderdeel van de SOP) elkaar op, dit teneinde 1 Parade op sterkte te houden. Ook vond een springopleiding plaats voor een deel van het personeel van het Korps Speciale Troepen (KST), de groene baretten van het KNIL, waaruit t.b.v. de 2e politionele actie de Parade KST werd geformeerd. Naast het stoffen borstonderscheidingsteken werd in 1948 ook een metalen versie aangemaakt (zie afb. 3.b), waarvan de vlakken waren inge­kleurd in resp. wit, lichtblauw, grijs en donkerblauw.

19 december 1948 vond de operationele inzet plaats waarvoor de mannen van 1 Parade en Parade KST vele maanden hadden geoefend. Op die dag werd het vliegveld Magoewo bij Djocja, de republikeinse hoofdstad, vanuit de lucht veroverd. Hierna volgde de overmeeste­ring vanuit de lucht van de olievelden van Djambi op Sumatra op 29 en 30 december, alsmede de actiesprongen bij Rengat en Ajer Molek op 5 januari 1949. Driemaal operationeel ingezet binnen een periode van drie weken, hadden de para's een uitzonderlijke prestatie geleverd en hun doelmatigheid bewezen.

Terug op de basis bij Bandoeng werd begin 1949 gezocht naar een onderscheidingsteken voor hen die één of meer actiesprongen hadden gemaakt.

 

Nog even kwam de gedachte op aan een dolkje onder de parachute van het borstonderschei­dingsteken dat immers ook een oogje onder aan de parachute had. Gekozen werd echter voor de toevoeging van een cirkelvormige krans van lauwertakken, bijeenkomend bij de onderzijde van de parachute en reikend tot aan de bol. Bedoeld borstonderscheidingsteken werd aangemaakt van stof als omschreven in punt 2.c. met de lauwerkrans van gouddraad (zie afb. 3.c) alsmede van metaal met ingekleurde vlakken (zie afb. 3.d).

 

e. Naamlinten bovenmouw:

Hoewel deze onderscheidingstekenen bij de naoorlogse Koninklijke Landmacht algemeen ingang hadden gevonden (dit in navolging van de Engelsen en Canadezen met hun `shoulder titles') heeft het KNIL de naamlinten nimmer algemeen ingevoerd. Dit uit praktische over­weging: ze sleten snel in de tropen zodat ze regelmatig vervangen moesten worden, hetgeen niet alleen een tijdrovende, doch ook een kostbare zaak was. Als de para's na het beëindigen van hun diensttijd in Indië naar Nederland repatrieerden, ontvingen zij in Batavia een Euro­pees uniform (battle dress). Op dit uniform was het gebruikelijk een naamlint bovenmouw te dragen en hiervoor werden in Indië de onderscheidingstekenen aangemaakt zoals afgebeeld onder afb. 3.g en 3.h.

De bandjes waren met rood garen handgeborduurd op zwarte stof, welke kleuren waren afgeleid van de shoulder titles die gedurende de tweede wereldoorlog door de Britse comman­do's werden gedragen.

15 Juni 1949 ging de 1e Paracompagnie op in het nieuw gevormde Regiment Speciale Troepen. Vanaf die tijd werd bij repatriëring naamlinten gedragen met de tekst SPECIALE TROEPEN hetgeen op zichzelf juister was dan de eerder gedragen naamlinten met PARA COMMANDO wat geen korpsaanduiding is doch een geoefendheid.

Terwijl het in de voorgaande punten officiële en van rijkswege verstrekte onderscheidingste­kenen betreft, werden de naamlinten nimmer officieel ingevoerd en zijn door de dragers op eigen kosten aangeschaft.

 

Als gevolg van de politieke ontwikkelingen werd het Regiment Speciale Troepen van het KNIL, waarin opgenomen de 1e Paracompagnie, in februari 1950 ontbonden, waarna de rode baretten naar hun plaatsen van herkomst in Nederland en het nieuwe Indonesië terug­keerden. Nog zeer lang herinnerde de parawing met lauwerkrans op de borst van de veteranen van Djocja, Djambi, Rengat en Ajer Molek aan de naoorlogse elite-eenheid van het Konink­lijk Nederlands-Indisch Leger. 6)

Tenslotte vond het optreden van de Nederlands-Indische para's Koninklijke erkenning op 8 november 1980 toen bij Koninklijk Besluit nr. 157 het vaandel van het Korps Commandotroe­pen, dat de traditie voert van het Regiment Speciale Troepen, de opschriften DJOCJA­KARTA 1948 en MIDDEN-SUMATRA 1948-1949 werd verleend.

 

Noten

  1. De formering en tactische inzet van de KNIL-parachutisten in de 1e Paracompagnie en Paracompagnie KST wordt in het kader van dit opstel buiten beschouwing gelaten. Hier­voor raadplege men het gedenkboek van het Korps Commandotroepen.
  2. De Amerikaanse militairen droegen de rangonderscheidingstekenen op de kraag (officie­ren), dan wel op de mouwen (beneden de rang van officier).
  3. De School Opleiding Parachutisten en later de 1e Paracompagnie waren onderdelen van het KNIL. De hierbij gedetacheerde KL-ers droegen om deze reden en uit oogpunt van uniformiteit de KNIL-rangonderscheidingstekenen.
  4. De KNIL kende dit hoofddeksel reeds van vóór de oorlog, toen de zwarte baret werd ingevoerd voor vechtwagenbemanningen. Deze baret werd echter op de Franse wijze gedragen, d.i. met het embleem boven het rechteroog en de flap naar links.
  5. Dit was van oorsprong een Amerikaanse crash-helm voor tankbemanningen, ontwikkeld in 1941 en vanwege de gaten in de bol `doughnut' genoemd. De crash-helmen waren mét de Stuarttanks ook aan de Britten geleverd en door hen in 1946 op Java met de tanks aan het KNIL overgedragen. De helmen werden door de tankbemanningen niet gedragen en vonden aldus hun weg als valhelm voor de para's tijdens oefensprongen.
  6. Op 1 november 1985 verliet de laatste para-commando die gerechtigd was de parawing met actiesprongen te dragen, de korporaal der 1e klasse Florentinus, de militaire dienst (KCT) met functioneel leeftijdsontslag.

 

Bronnen

  • `Korps Commandotroepen 1942-1982', samengesteld door Maj. P. G. H. Maalderink, Dr. C M. Schuiten en B. J. Kasperink-Taekema, Roosendaal 1982.
  • `Airborne warfare', door Barry Gregory en John Batchelor, Londen 1979.
  • Rondschrijven van de Kwartiermeester-Generaal van het KNIL nr. 24.03.13/ I0/I dd. 21 januari 1947.
  • `Nederlandse parachutistenemblemen van 1941 tot heden', artikel in het tweede lustrum­nummer van `Mars et Historia', Nederlandse Vereniging ter beoefening van de militaire historie, door B. C. Cats, 1976.
  • Persoonlijke waarnemingen op west-Java 1947-1950 en gesprekken met leden en oud-leden van de 1e Parade.