‘Tot hulp geroepen’

Korte geschiedenis van het Korps Mobiele Colonnes

Door Ph. M. Mes

Het Korps Mobiele Colonnes was een Nederlands antwoord op de geweldsdreiging in de Koude Oorlog. Vanaf de oprichting in 1955 moest het korps zorg dragen voor brandweer-, opruim- en reddingsoperaties en drinkwatervoorziening. Tot 1963 had het korps de status van vierde krijgsmachtdeel. In 1993 werd het KMC opgeheven. Zo kwam ook een einde aan het bestaan van de ‘Nooddrinkwatervoorzieningscompagnie’.

Ph.M. Mes is Majoor Infanterie bd.

Afb. 1 Redders in het ruïnedorp “Legerplaats bij Laren”. Redding uit een woonhuis, 1959.

Afb. 1 Redders in het ruïnedorp “Legerplaats bij Laren”. Redding uit een woonhuis, 1959.

 

De oprichting

In het Staatsblad van 10 juli 1952 werd de wet op de Bescherming Bevolking afgekondigd. In artikel 1 van deze wet werd vermeld: Onder Bescherming Bevolking verstaat deze wet het geheel van niet-militaire maatregelen tot bescherming van de bevolking en hun bezittingen zomede van de bezittingen van de openbare lichamen tegen de onmiddellijke gevolgen van oorlogsgeweld.

De organisatie Bescherming Bevolking betrof een zuiver civiele organisatie die vooral lokaal was georganiseerd en bestond uit vrijwilligers. In de militaire onderstelling van 1954 werd ervan uitgegaan dat rekening moest worden gehouden met aanvallen, onder andere met kernwapens, op militaire vliegvelden, de hoofdstad, het regeringscentrum, het belangrijkste havengebied, de oorlogshavens en industriële centra.

Om het hoofd te bieden aan massale vernietiging, de redding van zeer grote aantallen gewonden, het verzorgen en transporteren van deze gewonden en het blussen van grote branden werd de behoefte onderkend om in tijden van nood te kunnen beschikken over snel beschikbare eenheden behorende tot een landelijke organisatie. Deze eenheden zouden naast de lokale eenheden van de BB ingezet kunnen worden op zwaartepunten. Om deze reden werd in 1954 besloten Rijks Mobiele Colonnes op te richten.

Deze Mobiele Colonnes moesten gevuld worden met vrijwilligers uit de burgermaatschappij. De bereidheid onder de burgerbevolking om zich als vrijwilliger aan te melden was echter zeer gering. Immers de echte vrijwilligers hadden zich al aangesloten bij de locale BB-organisatie. Het op deze wijze niet kunnen vullen van de gewenste organisatie vormde de aanleiding voor de Ministerraad om in haar vergadering van 14 maart 1955 te besluiten de geplande en noodzakelijk geachte eenheden met militairen te bemannen.

De aanzet om te komen tot een Korps Mobiele Colonnes was gegeven. Er moest echter nog veel worden gedaan voordat het er ook werkelijk was. Voor de uitvoering van de beslissing vond intensief overleg plaats tussen de minister van Binnenlandse Zaken, de verantwoordelijke voor de rampenbestrijding, en de minister van Oorlog en Marine. Dit overleg resulteerde in een eerste Gemeenschappelijke Beschikking dd 24 juni 1955.

Deze Gemeenschappelijke Beschikking werd als Ministeriële kennisgeving van 6 augustus 1955 in de Landmachtorders onder nummer 55210 opgenomen. In deze kennisgeving werd onder meer vermeld:

  • de minister van Oorlog en Marine stelt militair personeel ter beschikking
  • de militaire vorming, opleiding en oefening en de militaire uitrusting geschieden overeenkomstig de aanwijzingen van de minister van Oorlog
  • de organisatie, de opleiding en de oefening met betrekking tot de specifieke Bescherming Bevolking taken geschieden overeenkomstig de aanwijzingen die de minister van Binnenlandse Zaken geeft in overeenstemming met de minister van Oorlog
  • de minister van Binnenlandse Zaken stelt het benodigde Bescherming Bevolkingsmaterieel ter beschikking
  • de Mobiele Colonnes worden gesteld onder bevel van een algemeen inspecteur, tevens Commandant Mobiele Colonnes, die rechtstreeks ressorteert onder de minister van Oorlog
  • de financiering van de Mobiele Colonnes geschiedt uit de begroting van de minister van Binnenlandse Zaken Het Koninklijk Besluit waarbij het Korps Mobiele Colonnes formeel werd opgericht volgde op 14 november 1955 en luidde:

Wij Juliana,
Bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden,
Prinses van Oranje Nassau, enz., enz., enz.,

Op de voordracht van Onze Ministers van Oorlog
van 3 november 1955, Directoraat Juridische Zaken,
Afdeling Wetgeving en Publiek Recht, Nr 210.482 K

Gelet op de artikelen 68 en 195 der Grondwet;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

Te rekenen van 1 augustus 1955 is opgericht het
Korps Mobiele Colonnes, waarvan de organisatie
door Onze Minister van Oorlog zal worden vastgesteld.

Onze Minister van Oorlog is belast met de uitvoering
van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst.

Soestdijk, 14 november 1955.
Get. Juliana

De Minister van Oorlog
Get. C. Staf

 

Afb. 2 Het zogenaamde puindorp of ruïnedorp in aanbouw. Oefenlocatie Crailo (Laren), 1957. (Foto LffD)

Afb. 2 Het zogenaamde puindorp of ruïnedorp in aanbouw. Oefenlocatie Crailo (Laren), 1957. (Foto LffD)

 

Afb. 3 Opruimdienst in actie. Afbraakoefening in Grave. Het perceel is door de gemeente ter beschikking gesteld, november 1957.

Afb. 3 Opruimdienst in actie. Afbraakoefening in Grave. Het perceel is door de gemeente ter beschikking gesteld, november 1957.

 

De daadwerkelijke vorming van het Korps Mobiele Colonnes

In een rap tempo volgden de besluiten om tot een daadwerkelijke vorming te komen van het Korps Mobiele Colonnes.

  • 6 augustus 1955: oprichting van de Staf van de Algemeen Inspecteur, tevens Commandant Mobiel Colonnes. Plaats van vestiging: Vught
  • 6 augustus 1955: oprichting van het Depot Mobiele Colonnes. Plaats nog Onbekend
  • 10 september 1955: het Depot Mobiele Colonnes wordt in afwachting van het kazernement bij Schaarsbergen ondergebracht in het kamp Golflinks te Arnhem
  • 5 november 1955: De Algemeen Inspecteur, tevens Commandant van de Mobiele Colonnes wordt aangewezen als registratief Korpscommandant van al het personeel geplaatst bij het Korps Mobiele Colonnes
  • 21 januari 1956: De Mobiele Colonnes gaan in plaats van naar Schaarsbergen naar het kamp bij Laren

Over de organisatie, de personele invulling en het benodigde materieel werd veelvuldig overleg gepleegd door de minister van Oorlog en de minister van Binnenlandse Zaken. Dit leidde ertoe dat op 12 september 1956 de minister van Binnenlandse Zaken aan de commissarissen der Koningin het volgende met betrekking tot de mobiele colonnes kon meedelen:

Algemeen

De Mobiele Colonnes worden bemand met reserve- en militiepersoneel van landzee-en luchtmacht, dat de eerste oefening achter de rug heeft en geen mobilisatiebestemming heeft. Per jaar kunnen 4000-4500 dienstplichtigen beschikbaar worden gesteld, waardoor met de opleiding van de dienstplichtigen van alle Mobiele colonnes (totale sterkte ong. 17.000 man) ruim 4 jaren zullen zijn gemoeid. De gemiddelde leeftijd van de dienstplichtigen is ongeveer 25 jaar. Zij blijven dienstplichtig, dus beschikbaar voor de Mobiele Colonnes voor wat betreft:

  • de minderen: tot het 35e jaar
  • de onderofficieren: tot het 40e jaar
  • de reserve-officieren: tot het 45e jaar

Afb. 4 Puinruimen. Mankracht met voorhamers en schoppen; afvoeren door een Fiat Angledozer, overheadloader de z.g. “puinhapper”, 1958.

Afb. 4 Puinruimen. Mankracht met voorhamers en schoppen; afvoeren door een Fiat Angledozer, overheadloader de z.g. “puinhapper”, 1958.

 

Commandovoering

Het geheel, te weten 12 Brandweer (BWR)-colonnes (waarvan 1 varende), 6 Opruim- en Reddingsdienst (ORD)-colonnes en 5 Geneeskundige Dienst (GD)- colonnes, staat onder commando van een generaal-majoor, de Algemeen Inspecteur tevens Commandant van de Mobiele Colonnes, die wordt bijgestaan door een staf, enigszins gelijkende op, doch kleiner dan die van een Infanterie Divisie. De tot de Staf van de Commandant van de Mobiele Colonnes behorende officieren bestaan voor het merendeel uit beroepspersoneel. De bij de Mobiele Colonnes in te delen officieren zijn reserveofficieren.

 

Bewapening

Het personeel van de Mobiele Colonnes wordt bewapend, opdat het in staat is zich te kunnen verdedigen tegenover een eventueel optreden van bijvoorbeeld vijandelijke parachutisten, waardoor te hulp snellende colonnes niet het risico lopen door een enkele parachutist in haar bijstandverlenende taak te worden belemmerd. Bepaald werd dat alle officieren zullen worden bewapend met het pistool, de helft van de onderofficieren met een stengun evenals één op elke 6 man minderen.

 

Uniformering

Het tot de Mobiele Colonnes behorende personeel draagt de voor Nederland geldende militaire landmacht uniform met een speciaal voor de Mobiele Colonnes vastgesteld distinctief: op de rechtermouw een blauwomrand zwart schild waarop de letters MC (geel) gevat in een groene lauwerkrans. Voorts wordt de landmachtbaret vervangen door de luchtmachtbivakmuts in de kleur van de landmacht battledress. Op de muts de letters MC, terwijl de schouderband wordt gedragen in de kleur van de dienst.

 

De Mobiele Colonne Brandweer (676 man)

Een rijdende BRW-colonne bestaat uit een staf, een staf- tevens verzorgingsdeta chement en 4 bluscompagnieën. De 4 bluscompagnieën hebben elk 3 pelotons à 4 diesel-spuiten. Totaal beschikt de compagnie dus over 12 en de colonne over 48 spuiten, voor de helft motor- en voor de andere helft autospuiten, alsmede over ongeveer 36 km slangenmateriaal. Elke spuit heeft een capaciteit van 2400 tot 2800 l/minuut met een barometrische opvoerhoogte van 80 m. Bij 4 van de 11 rijdende MC’s BWR, waarvan verwacht wordt dat zij in waterarme streken zullen moeten optreden, zijn bovendien nog extra slangenwagens voor het vervoer van 4” en 6” slangen ingedeeld voor watertransport over grotere afstanden.

Afb. 5 Brandweerman oefent op de waterwinplaats, 1956.

Afb. 5 Brandweerman oefent op de waterwinplaats, 1956.

 

Afb. 6 Waterwinning in de gemeente Gulpen. Oefening van 5 MC in Zuid-Limburg van 29-10 t/m 1-11 1979.

Afb. 6 Waterwinning in de gemeente Gulpen. Oefening van 5 MC in Zuid-Limburg van 29-10 t/m 1-11 1979.

 

Varende Mobiele Colonne Brandweer (330 man)

De varende MC-Brandweer beschikt over 36 motorspuiten, die gelijkelijk over blusboten worden verdeeld. Deze blusboten worden bij afkondiging van de mobilisatie voor de MC gevorderd.

 

De Mobiele Colonne Opruim- en Reddingsdienst (1015 man)

De MC-ORD bestaat uit een staf, een staf- tevens verzorgingsdetachement (waarbij ingedeeld een peloton waterzuivering), 4 reddingscompagnieën en 1 pioniercompagnie, waarbij een aantal overheadloaders. Elke reddingscompagnie bestaat uit 3 pelotons à 4 reddingsploegen. Per compagnie zijn er dus 12 reddingsploegen en per colonne 48. De pioniercompagnie bestaat uit 4 pelotons à 3 pionierploegen.

Het peloton waterzuivering bestaat uit 3 waterzuiveringsinstallaties. Deze installaties kunnen theoretisch ongeveer 30 m3 betrouwbaar drinkwater per uur leveren. Het praktische debiet is echter afhankelijk van de mate van verontreiniging van het te behandelen water. De organisatie van dit peloton is er op berekend dat er continu gedurende dagen achtereen gewerkt kan worden. De taak van een waterzuiveringspeloton in een getroffen gemeente gaat niet verder dan het beschikbaar stellen van betrouwbaar drinkwater. Het vervoer en de distributie van dit water is de taak van de gemeente zelf.

Niet iedere MC-ORD beschikt over hetzelfde aantal overheadloaders. Het aantal varieert van 0 tot 7 al naar gelang de opstellingsplaats welke voor de colonne bij mobilisatie is bestemd.

De overheadloader is een combinatie van dozer en puingraver en is praktisch onmisbaar voor het berijdbaar maken van door puin zwaar versperde wegen. De kiepauto van 3 ton, opgesteld achter de overheadloader, is in 4 à 5 minuten met puin gevuld. De organisatie telt 4 bedieners per overheadloader, zodat gedurende dagen achtereen continu kan worden doorgewerkt.

 

De Mobiele Colonne Geneeskundige Dienst (685 man)

De MC-GD bestaat uit een staf, een staf- tevens verzorgingsdetachement en 5 compagnieën. Elke compagnie bestaat uit 2 pelotons (is gelijk aan 2 Mobiele Geneeskundige Groepen). Aan elk peloton zijn toegevoegd drie gewondentransportploegen, elk bestaande uit 1 chauffeur, 6 ziekendragers en een gevorderde bus, ingericht voor het vervoer van 6 liggende en 4 zittende gewonden.

 

Overgang naar de Koninklijke Landmacht

De status van het Korps Mobiele Colonnes als 4e krijgsmachtdeel was natuurlijk bijzonder indrukwekkend. In de praktijk bleek realisatie van alle consequenties verbonden aan deze status erg moeilijk.

Het overgrote deel van het beroeps- en het mobilisabel personeel kwam van de KL. Betreffende onder andere de oorlogsvoorbereiding, onderhoud en beheer moesten de regels en de procedures van de KL worden gevolgd. Hoewel rechtstreeks geplaatst onder de minister van Defensie was er derhalve een bijzonder intensief contact noodzakelijk met de Bevelhebber der Landstrijdkrachten.

Mede uit overweging dat in het belang van een doelmatige voorbereiding van het Korps Mobiele Colonnes tot zijn taken en een doelmatige uitvoering van deze taken het alsnog gewenst was het korps in één der krijgsmachtdelen op te nemen, verscheen op 1 februari 1963 een KB waarbij het Korps per 1 maart 1963 werd opgenomen in de organisatie van de Koninklijke Landmacht.

 

Uitbreiding en wijziging Organisatie Korps Mobiele Colonnes

De brandweer

In de basisorganisatie van het Korps was een varende mobiele colonne brandweer opgenomen. Al per 27 januari 1961 werd van de daadwerkelijke vorming afgezien. De oorzaken van het niet realiseren waren vooral:

  • de problemen bij de eventuele vordering van de boten en de verkrijg baarheid van voldoende geschoold personeel om met de vaartuigen om te gaan
  • de vele hulpmiddelen die benodigd waren om in voorkomend geval de boten te voorzien van pompen en ander brandweermaterieel
  • het uitsluitend bestemd zijn om in het Rotterdamse havengebied op te treden

Rond het jaar 1980 begon zich duidelijk de noodzaak af te tekenen om tot vervanging van het brandweermaterieel over te gaan. De pompen en de brandweervoertuigen waren inmiddels 25 jaar oud. Vernieuwing van het materieel zou echter een enorme aanslag betekenen op het budget ten behoeve van de rampenbestrijding van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Gelijktijdig werd er gewerkt aan een wijziging van de totale organisatie van de rampenbestrijding. Uiteindelijk werd besloten om de Bescherming Bevolking, de BB, op te heffen. De taken werden verdeeld en nieuwe deelnemers werden in de landelijke organisatie van de rampenbestrijding opgenomen. Naast het Korps Mobiele Colonnes waren dat de brandweer, de basisgezondheidsdiensten met inbegrip van het ambulancevervoer, het Rode Kruis en de politie. Bij de verdeling van de taken kreeg het Korps Mobiele Colonnes geen brandweertaak toegewezen. Dit betekende het einde van de brandweercolonnes. Tot 1 januari 1987 maakten nog een afnemend aantal mobilisabele Mobiele Colonnes Brandweer deel uit van de organisatie. Oefeningen en opleidingen werden na september 1983 echter niet meer gehouden.

Afb. 7 Stilleven van brandblusmaterieel.

Afb. 7 Stilleven van brandblusmaterieel.

 

De Opruim- en Reddingsdienst en Geneeskundige dienst

In 1967 werd besloten de naam van de Mobiele Colonne Opruim- en Reddingsdienst te wijzigen in Mobiele Colonne Reddingsdienst. De taak van deze colonne bleef hetzelfde. Bij de uitvoering van de taak, het redden van slachtoffers, moest nauw worden samengewerkt met de Mobiele Colonne Geneeskundige dienst. Meer en meer kreeg de filosofie dat voor het verkrijgen van een betere coördinatie in het rampterrein een samenvoeging van de elementen redding en geneeskundige verzorging beter was, gestalte. In 1971 werd besloten de colonnes van de Reddingsdienst en die van de Geneeskundige dienst samen te voegen tot gemengde colonnes, de Mobiele Colonne Redding/Geneeskundige dienst (Mc Rdg/Gnk). 12 Mc’s Rdg/Gnk met elk 1 staf, stafverzorgingscompagnie, 2 reddingscompagnieën en 2 geneeskundige compagnieën, werden in de organisatie opgenomen.

In de loop van de jaren ’80 vatte de mening post om de integratie nog verder door te voeren. Besloten werd de redding- en geneeskundige compagnieën samen te voegen tot compagnieën redding-/geneeskundige dienst. Dit hield voor de organisatie van de Mc Rdg/Gnk in dat in de stafcompagnie een Gewondentransportpeloton werd opgenomen. De Mc bestond verder uit 4 compagnieën Rdg/Gnk met elk 2 pelotons redding en 2 geneeskundige pelotons. Na de al bij de brandweer vermelde opheffing van de BB en de verdeling van de taken binnen de rampenbestrijdingsorganisatie was het noodzakelijk om wederom tot reorganisatie over te gaan. Het aantal Mc’s Rdg/Gnk werd uitgebreid tot 19. In verband met de toegewezen gewondentransporttaak werden 12 ziekenautocompagnieën met elk 96 gewondentransportvoertuigen opgericht.

 

Nooddrinkwaterleidingvoorzieningscompagnie

Tot in 1974 hield het KMC zich bezig met brandweer, redding, geneeskundige verzorging en in beperkte mate met waterzuivering. Gezien het feit dat de overheid van mening was dat er maatregelen getroffen moesten worden om de drinkwatervoorziening in “buitengewone omstandigheden” veilig te stellen, viel bij het toenmalige ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne (VOMIL) de keus op het KMC om uitvoering te geven aan een deel van de regels. Bij het KMC werd 1 compagnie met de naam Nooddrinkwaterleidingvoorzieningscompagnie geformeerd. Via bovengronds aan te leggen buissystemen transporteerde deze compagnie drinkwater naar plaatsen waar de watervoorziening verstoord was.

 

De wapenspreuk Ad auxilium appellatus

In 1958 besloten een aantal officieren, ingedeeld bij het Korps Mobiele Colonnes, een eigen officiersvereniging op te richten: de Vereniging Officieren van het Korps Mobiele Colonnes.

Vele honderden officieren traden tot de nog steeds bestaande vereniging toe. Ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Vereniging Officieren van het Korps Mobiele Colonnes werd in 1983 door het bestuur van deze vereniging een prijsvraag uitgeschreven voor een wapenspreuk voor het Korps. Uit de vele inzendingen werd uiteindelijk gekozen voor de spreuk “Ad auxilium appellatus” (Tot hulp geroepen). Deze spreuk werd op 15 oktober 1983 aangeboden aan de Commandant van het Korps Mobiele Colonnes. Deze aanvaardde de spreuk waarna deze werd ingevoerd voor het KMC.

 

De opheffing van het Korps Mobiele Colonnes

De val van de muur en het beëindigen van de koude oorlog, de sterk gewijzigde internationale verhoudingen, de vermindering van de kans op conflicten zorgden voor een andere kijk op de civiele verdediging. De Defensienota 1990 gaf al aan dat de kans op gewapende conflicten op Nederlands grondgebied zeer gering was. In de Rijksbegroting voor het jaar 1992 stond opgenomen: “In overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken is besloten het Korps Mobiele Colonnes met ingang van 1 januari 1993 op te heffen”. De gewijzigde inzichten ten aanzien van de rol van civiele verdediging bij calamiteiten maken deze ingreep mogelijk.

De continuïteit van optreden bij calamiteiten zal worden gewaarborgd door de relevante onderdelen van de defensie-organisatie. Maatregelen die in dit kader werden getroffen betreffen de oprichting van een militair bureau rampenbestrijding. Aanvankelijk werden hierin 5 rampenbestrijdingsbataljons opgenomen. Deze werden gevuld met personeel afkomstig van de mobilisabele eenheden van het KMC. Daar het niet mogelijk was om deze bataljons blijvend te vullen werden ten slotte drie rampenbestrijdingsbataljons geformeerd met personeel van en onder leiding van de Nationale reserve.