Officiersdistinctieven in het Nederlandse leger na 1814

 

Epauletten
Oorsprong en voorgeschiedenis

Onder epaulet, afgeleid van het Franse `epaule' (schouder), verstaat men een militaire schou­derbedekking, die aan het schoudereinde versierd is met franje.

De epaulet is in de tweede helft van de 18e eeuw ontstaan uit de schouderlap of schouderpas­sant. Dit was een smalle strook laken, die diende om de patroontas- of sabelbandelier te beletten van de schouder af te glijden.

Meestal was deze passant op de schoudernaad van de rok vastgenaaid en aan de zijde van de kraag met behulp van een kleine knoop bevestigd. Er zijn ook wel gevallen bekend, waar het juist andersom was en de passant op de schoudernaad met knoop en knoopsgat was vastgemaakt.

In de laatste helft van de 18e eeuw werd bij sommige regimenten van het Staatse leger de schouderlap met franje versierd. Soms was dat alleen voor de korporaals en onderofficieren, zodat men hier al kan spreken van een rangdistinctief.

Op de officiersuniformen treft men omstreeks 1790 zo nu en dan, voornamelijk bij de cava­lerie, epauletten van goud of zilver aan. Zij zijn echter voor alle officieren gelijk, evenals dat voor de meer gebruikelijke nestel op de rechterschouder het geval was.

Er is nu nog geen sprake van een rang-distinctief. Al deze epauletten vertonen nog duidelijk hun afstamming van de schouderlap. Het eigenlijke schoudergedeelte, later met de term `tong' aangeduid, is nog vrij smal en slap. Het is dan ook niets anders dan een reep laken, bedekt met zilver- of goudgalon.

 

Het uiteinde is nauwelijks verbreed en slechts flauw afgerond en heeft slechts één rij franje. De epaulet wordt op zijn plaats gehouden door een tweede gesp laken onder de `tong', die onder een trens of smalle passant op de schoudernaad door gestoken wordt en tezamen met de epaulet aan het knoopje aan de kraagzijde wordt bevestigd.

In Frankrijk was toen reeds een systeem van rang-onderscheiding ontwikkeld. Hierbij werd de rang aangeduid door het dragen van één of twee epauletten, in het eerste geval alleen op de linkerschouder, terwijl op de rechterschouder dan een epaulet zonder franje - een z.g. contra-epaulet - werd gedragen.

Verder werden de rangen nog onderscheiden door dikke of dunne franje en door ruiten of strepen van rode zijde op de z.g. tong van de epaulet.

Na de omwenteling van 1795 werd het leger van de Bataafse Republiek georganiseerd naar Frans voorbeeld. Het behoeft dan ook geen verwondering te wekken, dat toen de epauletten van de officieren ook hier te lande gebruikt werden als rangdistinctieven.

Men volgde echter niet slaafs het Franse voorbeeld, maar ontwikkelde een eigen systeem, dat - zoals zal blijken - als een voorloper van dat van 1813 beschouwd mag worden.

 

In afwijking van het Franse voorbeeld droegen alle officieren van de Bataafse Armee epaulet­ten op beide schouders. Die van de Opper- en hoofdofficieren waren voorzien van dikke, uit goud- of zilverdraad gebonden franje, z.g. bouillons, waarbij de kolonels geheel gouden of zilveren droegen. De luitenant-kolonels hadden één streep op het blad en de majoors - een rang, die pas in 1799 ingesteld werd twee dergelijke strepen. Hoe deze strepen er uit za­gen, wordt nergens vermeld, maar men kan aannemen, dat deze naar Frans voorbeeld van rode zijde waren.

 

De generaalsrangen werden aangeduid door zilveren sterren op het blad van de gouden epauletten.

De subalterne officieren droegen epauletten met dunne franje, z.g. torsades, terwijl dezelfde methode van rangaanduiding als bij de hoofdofficieren gevolgd werd. De kapiteins droegen geheel zilveren of gouden epauletten, de le luitenants met één, de tweede luitenants met twee strepen van rode zijde op het blad.

Onder Koning Lodewijk Napoleon werd een ander systeem ingevoerd, dat meer op het Franse geleek.

Zoals in alle zaken, het leger betreffend, werden de voorschriften herhaaldelijk gewijzigd. Zo werden de eerste bepalingen betreffende de rangdistinctieven voor de officieren van 9 juli 1806 reeds op 17 september van hetzelfde jaar gewijzigd om ten slotte op 1 maart 1807 een definitieve vorm te krijgen.

Bij deze decreten is het bijzonder verwarrend, dat een geheel andere terminologie gebruikt wordt.

Zo worden de bouillons hier `torsades' genoemd, terwijl wat wij algemeen onder torsades verstaan, als `franjé wordt aangeduid. Voorts worden nu ook hier te lande z.g. contra-epau­letten ingevoerd.

Het schema van de rangonderscheidingstekens volgens het Decreet van 1 maart 1807 ziet er als volgt uit: Kolonels: twee epauletten met torsades (lees: `bouillons') Majoors: staande in rang tussen kolonel en luitenant-kolonel als kolonels, doch de band of tong was metaal van de tegengestelde kleur.

Luitenant-kolonels: één epaulet met torsades (bouillons) op de linker- en een contra-epaulet op de rechterschouder.

Kapiteins: twee epauletten met franjes.

Eerste luitenants: als de kapiteins, maar evenals bij de majoors, de band van metaal van de tegengestelde kleur. Tweede luitenants: links een epaulet met franjes, rechts een contra-epau­let.

De generaals waren als onder de Bataafse Republiek onderscheiden door gouden epauletten met bouillons en zilveren sterren op de band.

Na de inlijving bij Frankrijk namen de officieren van de Hollandse regimenten natuurlijk de Franse distinctieven aan.

 

 

 

 

 

In 1813 een nieuw Nederlands leger. . . . .

Reeds bij de eerste voorschriften voor de uniformering van de nieuw opgerichte Nederlandse troepenmacht treft men een systeem voor de rangonderscheidingstekens van de officieren aan. (Besluiten van 31 december 1813 tot 16 februari 1814).

Dit kwam in het kort hierop neer, dat de generaals en hoofdofficieren epauletten met bouil­lons op beide schouders droegen; de kapiteins één dergelijke epaulet op de rechterschouder en de luitenants één epaulet met franje, eveneens op de rechterschouder. Alles in dezelfde kleur metaal als de knopen op de uniformen.

Het reglement van 1 januari 1815 gaf een nadere omschrijving. Onder artikel 1. wordt als volgt bepaald:

"De generaals zullen gouden epauletten dragen, met twee zeshoekige sterren van massief zilver, in het midden der tong van den halven cirkel der epaulette, voor generaal­majoors, drie dito naast elkander staande, insgelijks in den halven cirkel, voor de luitenant-ge­neraals, en vier dito op de tong der epauletten, boven de passant van den generaal en chef.

De epauletten zullen met bouillons zijn, voor de generaals, hoofdofficieren en kapiteins; voor de luitenants zullen zij met franje zijn. De omtrek van den halve cirkel van de epauletten zal voor de generaals en de hoofdofficieren met drie bouillons bezet zijn, doch voor de kapiteins en luitenants slechts met twee.

 

De kolonels dragen twee epauletten, gelijk aan die van de generaals, doch zonder sterren. De luitenant-kolonels, gouden epauletten dragend, zullen op elke tong een zilveren streep hebben, ter breedte van een derde gedeelte. De majoors in hetzelfde geval, hebben op elke tong twee zilveren strepen, op een gelijke verdeeling, ieder ter breedte van een vijfde gedeelte. Bij zilveren epauletten zijn de gezegde strepen van goud op den voorschreven voet.

De kapiteins dragen één epaulette met bouillons op den rechterschouder. De luitenants dragen één epaulette met franje op den rechterschouder.

De adjudanten zullen de epauletten, volgens hunnen rang, doch op den linkerschouder dragen.

De onder-adjudanten en vaandeldragers zullen twee contra-epauletten van goud of zilver dragen.

De officieren van administratie bij de armee dragen de epauletten volgens den rang aan welke zij geassimileerd zijn. De officieren van Gezondheid dragen geene epauletten.

In het algemeen zal moeten worden geobserveerd, dat wanneer de knoopen van den rok geel zijn, alsdan de epauletten van goud, en zoo deze wit zijn, deze als dan van zilver zullen wezen.'

Uit het bovenstaande ziet men, dat er nog geen onderscheid is in de epauletten van eerste en tweede luitenants. Dit kwam pas bij een besluit van 7 december 1821, waarbij het verschil aangeduid moest worden door strepen van de tegengestelde kleur metaal, zoals dat bij de luitenant-kolonels en majoors was voorgeschreven. Tevens werd bepaald, dat de franjes vervangen zouden worden door de iets dikkere torsades.

In die eerste jaren na 1814 waren de tongen van de epauletten nog slap, zoals oorspronkelijk de 18e-eeuwse typen nog hadden. Zij werden nog door middel van een kleine uniformknoop aan de kraagzijde vastgezet.

Aan de schoudernaad ziet men soms reeds passanten van smal galon op een ondergrond van laken, doch in enkele gevallen is de trens of de passant nog onder het lichaam van de epaulet verborgen.

Onder de overrok was er voor de epauletten nagenoeg geen ruimte. Daarom ziet men vaak, dat de epaulet geheel naar voren geschoven wordt, zoals op de litho van Madou duidelijk te zien is. Bij latere voorschriften wordt dan ook bepaald, dat de snit van de overrok zodanig moest zijn, dat de epauletten er onder gedragen konden worden.

 

Het bekende werk van TEUPKEN geeft een nog uitvoeriger beschrijving, waarbij vermeld wordt, dat voor de officieren boven de rang van luitenant de bouillons blinkend moesten zijn, lang 65 strepen (mm); de buitenste rij, bestaande uit 26 tot 27 dikke bouillons en daar­onder een krans van 32 dunnere bouillons.

De tongen van de epauletten waren belegd met effen galon en gevoerd met blauw laken, breed 72 en lang tot aan het midden van de toer of cirkel 135 strepen. De middellijn van de cirkel of toer bedroeg 70 mm, zodat deze iets meer bedroeg dan de helft van de totale lengte van de tong.

De torsades van de luitenants­epauletten waren gerangschikt in drie rijen, waarbij de binnenste rij niet ten volle de halve cirkel beliep.

De toer bestond uit een rand, die van torsade gerold was. Voor de hoofdofficieren en generaals was deze aan de binnen- en buiten­zijde belegd met een toer van fijne bouillons; voor de subal­terne officieren was er slechts één dergelijke toer van bouillons aan de binnenzijde van de rand.

 

Deze gedetailleerde beschrijving maakt het gemakkelijk om deze epauletten van dit eerste type van de latere modellen te onderscheiden.

 

 

 

 

 

Een belangrijke wijziging in het systeem. . . . .

Op den duur bleek het niet te bevallen, dat de subalterne officieren slechts één enkele epaulet droegen. Daarom werd dan ook op 19 mei 1828 bepaald, dat deze in den vervolge ook twee epauletten zouden dragen. De kapiteins kregen nu ook twee epauletten met torsades, echter zonder strepen op de tongen, terwijl de luitenants nu op elke schouder een epaulet van hetzelfde type als te voren droegen.

Inmiddels werd het meer en meer gebruikelijk om de tongen van de epauletten te verstevigen, meestal met een metalen plaat tussen twee lagen karton, die tussen het galon en de lakense voering werd aangebracht.

Doordat nu een schouderpassant algemeen gedragen werd, moest de tong nu ook iets langer zijn dan in Teupken aangegeven staat. Bij metingen van verschillende exemplaren uit deze periode komt men tot een lengte der tongen van 140 tot zelfs 200 mm.

De bevestiging aan de zijde van de kraag kon niet meer met knoop en knoopsgat plaats vinden. Aan de onderzijde van de tong is daar nu een platte metalen haak bevestigd, die door een trens op de rok gestoken wordt. De kleine uniformknoop is nu vast op de tong aangebracht.

 

De passant op de schoudernaad is meestal van glad galon met een voering van dezelfde kleur als die van de epaulet. Soms ziet men echter fraaie afwijkingen hiervan. Zo is er een portret van een luitenant van de Jagers tussen 1830 en 1840, waarop de passant van goudgalon is, bezet met een groot aantal ingeweven sterren.

De periode rond 1830 wordt ook nog gekenmerkt door een paar kleine wijzigingen in de wijze van dragen van de epauletten. Ook in de militaire kleding zijn modetrends aanwezig. Meestal spelen hierbij politieke en militaire successen een rol.

Na de val van Napoleon waren het de overwinnaars, Pruisen en Rusland vooral, die de militaire mode gingen beïnvloeden. Het silhouet van de elegante officier moest nu brede schouders en een smalle taille tonen.

In dit verband werden de tongen van de epauletten nu verstevigd en iets verlengd. Voorts werden er onder de uiteinden van de tongen halvemaanvormige kussentjes aangebracht. Hierdoor leken de schouders nu meer vierkant.

Een tweede vernieuwing was dat de bouillons van de epauletten voor de generaals en hoofd­officieren, die tot dusver los afhingen, nu door een goud- of zilverdraad met de ondereinden aan elkaar verbonden werden, waardoor zij steeds keurig gerangschikt bleven.

De rang van Veldmaarschalk, ingesteld op 7 september 1831, werd op de epauletten aange­duid door twee zilveren, overkruis liggende maarschalksstaven. (afb.8).

 

 

Een nieuw type. . . . .

Bij aanschrijving van 18 mei 1842 werden enkele wijzigingen in het model van de epauletten bevolen.

De epauletten moesten nu voorzien zijn van drie massieve metalen randen; de tongen even­eens massief, d.w.z. verstevigd met een metalen plaatje. Het galon was nu voorzien van een bloksgewijs gewerkt randje. Nadere aanwijzingen over afmetingen werden niet gegeven. Dit tweede type epauletten is dus gemakkelijk van het vorige te onderscheiden door de massieve randen en door het galon.

De voering moest voor officieren van de infanterie, de artillerie, genie en geneeskundige dienst van ponceaurood laken zijn. Voor de jagers was de voering groen en voor de dragonders en de lansiers geel.

De passanten waren van dezelfde kleur metaal als de epauletten en geborduurd van matte cantille, met evenwijdige schuin lopende streepjes met pailletten. De passanten waren op dezelfde wijze gevoerd als de epauletten.

Bij dit tweede type ziet men opnieuw een typisch voorbeeld van de invloed van de militaire mode bij de epauletten voor de generaals en hoofdofficieren. Ook dit maal kwam dit uit Russisch-Pruisische bron en werd door Koning Willem II naar ons land gebracht.

Naar zijn voorbeeld lieten de generaals en hoofdofficieren hun epauletten aan de onderzijde voorzien van een kanonnen, vaak met leer overtrokken, kap in de vorm van een kegelseg­ment. Hierop kwamen de bouillons te rusten en iets naar buiten uit te staan, hetgeen blijkbaar zeer elegant gevonden werd. Deze wijze van opmaak bleef dan ook gevolgd tot aan de afschaffing van de epauletten in 1865 toe.

Voor de subalterne officieren bleven de torsaden op de oude manier recht naar beneden afhangen.

Voor dit model epauletten worden geen maten voorgeschreven. Men ziet dan ook een grote verscheidenheid in de lengte en breedte van de tongen, n.l. de lengte varieert tussen 150 en 180 mm; de breedte tussen 60 en 80.

De cirkels zijn tussen 120 en 145 mm breed, terwijl er eveneens een grote variatie is in b.v. de lengte van de torsaden, 65 tot zelfs 90 mm. lang

 

Opnieuw een ander model . . .

Dit derde type werd op 1 januari 1850 ingevoerd; een beschrijving ervan vindt men in het Recueil Militair van dat jaar op blz. 36.

De belangrijkste verschillen met het voorgaande model bestaan uit gewijzigde afmetingen en nieuwe bepalingen ten aanzien van de passanten en van de voering.

Voor de generaals en hoofdofficieren waren de bouillons van mat zilver- of gouddraad, lang 65 mm; de tong was 152 mm lang en 62 mm breed en evenals de massieve metalen randen van glinsterend materiaal.

Voor de kapiteins en luitenants waren de tongen langer en smaller, n.l. 170 mm lang en 55 mm breed. De glinsterende torsaden waren 85 mm lang, dus behoorlijk langer dan de bouillons bij de opper- en hoofofficieren.

Voor beide categorieën was de buitenwijdte van de cirkel 130 mm.

De passanten op de schouders van de rok of jas waren nu voor de kapiteins en luitenants van effen streepjesgalon, terwijl die voor de generaals en hoofdofficieren nog van het vorige model, met de gepailletteerde schuine streepjes waren.

De rangonderscheidingen waren als voorheen.

 

 

 

Gepensioneerde officieren.

Sinds 1815 hadden de gepensioneerden een speciaal uniform, met zwartfluwelen uitmonste­ring en zilveren epauletten en knopen, gedragen.

Dit werd echter bij K.B. van 14 augustus 1856 afgeschaft. De officieren beneden de rang van generaal mochten de uniform van hun wapen of dienstvak blijven dragen, doch de tongen van de epauletten moesten dan van de tegengestelde kleur metaal zijn. Zo droeg dan een gepensioneerde majoor van de infanterie gouden epauletten met de tongen van zilvergalon, waarop twee gouden strepen.

 

Voorts droegen de gepensioneerden geen sjerp en geen patroontas.

De generaals, die na 6 december 1841 gepensioneerd waren, bleven hun activiteitsuniform dragen, met uitzondering van de toen door de generaals gedragen schako, die vervangen moest worden door een hoed met staande witte pluim.

 

Leve het buitenmodel . . .

Dat buitenmodel altijd het hoogste ideaal is geweest van de Nederlandse militair, blijkt wel uit het feit, dat het ondanks de nauwkeurig aangegeven maten, niet gemakkelijk is om een stel epauletten van het derde type te vinden, dat aan de voorschriften beantwoord.

Nu kan het moeilijk zijn de maat voor de lengte van de tongen aan te houden; hier speelt ook de breedte van de schouders een rol. Bij het opmeten van een betrekkelijk groot aantal exemplaren van dit type, bleek de breedte van de tongen van epauletten van subalterne officieren te variëren tussen 53 en 62 mm. Opvallender is echter, dat de toch al behoorlijke lengte van de torsaden blijkbaar niet voldoende was, want er waren verschillende exemplaren met torsaden van 90 en 92 mm lengte. Deze ware `watervallen' ziet men dan ook vaak op portretten van officieren uit de jaren tussen 1850 en 1865.

Ook niet volgens het voorschrift waren een paar afwijkingen, die kennelijk hun oorsprong vonden in de Nederlandse zuinigheid. De strepen, die ter onderscheiding van de rangen dienden, moesten eigenlijk ingeweven zijn in het galon op de tongen. Bij het onderzoek van een groot aantal epauletten werden er verschillende aangetroffen, waarbij de strepen beston­den uit een galon van de tegengestelde kleur metaal, dat op de tongen was vastgestikt.

Zo kon dan b.v. een tweede luitenant bij zijn bevordering tot eerste luitenant de dubbele strepen gemakkelijk laten vervangen door een enkele bredere streep. Dit bracht met zich mede, dat men deze losse galon-strepen in allerlei breedten vindt; voor tweede luitenants variërend tussen 5,2 en 8 mm.

Een zeer merkwaardig staaltje van zuinigheid werd gevonden bij de epauletten van een majoor van de schutterij.

Deze degelijke burger had de binnenste rij van zijn toch al zeer korte bouillons - 52 mm lang - laten maken van steeltjes van ijzerdraad, waarop alleen het onderste einde omgeven was door een stukje zilveren bouillon.

Bij de ingrijpende uniformwijzigingen van 1865 en de daarop volgende jaren, werden de epauletten voor alle officieren afgeschaft. Alleen die van het Regiment Grenadiers en Jagers bleven in grote tenue nog tot 1869 op de korte jas van het nieuwe model de epauletten dragen. Toen werden rang-onderscheidingstekens ingevoerd, bestaande uit sterren op de kraag en schoudersnoeren met kwasten.

 

Generaals en adjudanten van H.M.

De generaals en de leden van het Militaire Huis des Konings hadden in 1869, toen zij bij K.B. van 25 februari een soort huzarenuniform kregen, hun epauletten moeten opbergen. Alleen Prins Frederik mocht zijn oude uniform als veldmaarschalk nog tot aan zijn dood toe blijven dragen. (Zie Armamentaria 16, blz. 141).

Gelukkig werd bij de troonsbestijging van Koningin Wilhelmina de traditionele generaals­uniform met rode, met goud geborduurde kraag, de epauletten en de hoed met witte veren weer in ere hersteld.

In het `Boekwerk Uniformen' van 1900 staan de epauletten als volgt beschreven:

"De tong; lang tot tegen de rand zestien centimeter, breed aan het boveneinde vijf en een halve centimeter, en aan het benedeneinde tusschen den rand negen en een halve centimeter, van geribd gouden galon; de rand aan het benedeneinde der tong, in een omtrek van zeven en twintig centimeter, bestaande uit drie kransen, vervaardigd van rond verguld zilverdraad, aan weerszijden van den ondersten krans een geplette vergulde zilverdraad van een en een halve millimeter; op het boveneinde van de tong een gladde gebombeerde knoop, en van onderen een haak van geel metaal, lang vijf centimeter, tot bevestiging van de epaulet op de jas; twee rijen bouillons van gebrillanteerd gouddraad; de buitenste van vier en twintig, dik twaalf, lang vijf en tachtig millimeter, de binnenste van drie en twintig, dik zes en lang vijf en zeventig millimeter; de epaulet van onderen belegd met donkerblauw laken."

Voor de aanduiding van de rangen was men weer teruggekeerd tot de zilveren sterren op de tongen, binnen de cirkel: twee voor de generaal-majoor en drie voor de luitenant-generaal. Voorts waren ook weer enige kenmerken van de oudste typen epauletten in ere hersteld: de rand was niet meer van metaal, maar net als bij de vroegste typen van gewonden, verguld zilveren draad. De bouillons hingen weer vrij af en niet aan elkaar geregen of ondersteund doorkanonnen kappen.

De adjudanten-generaal en adjudanten van H.M. droegen epauletten van hetzelfde type als de generaals, uiteraard met de aloude rangdistinctieven. De kolonels dus gouden epauletten zonder sterren op de tongen, de luitenant-kolonels met één zilveren streep op de tongen, de majoors met twee strepen. De kapiteins droegen gouden epauletten met dito torsaden, in 3 rijen; de buitenste 95, de middelste 90 en de binnenste 85 mm lang.

Op het blad van de epauletten een zilveren gekroonde W.

De epauletten van de adjudanten-generaal en van de adjudanten waren van onderen belegd met scharlakenrood laken.

In 1903 werden de bouillons beschreven als `van gouddraad' i.p.v. gebrillanteerd gouddraad. De adjudanten van Z.K.H. Prins Hendrik droegen een gekroonde H. van zilver op de epau­letten.

De latere uniformbeschrijvingen verschillen niet veel van die van 1900. In 1913 ziet men dat de tongen iets korter, 13 à 14 cm. wordt voorgeschreven en dat nu de dikte van de rand beschreven wordt, n.l. de middelste bouillons dik 13 en de twee overige 4 mm.

Zo bleven dus de generaals en adjudanten van H.M. tot 1940 de epauletten in ceremonieel tenue dragen.

Na de tweede wereldoorlog was het gedaan met deze fraaie onderscheidingstekens. Het zijn nu museumstukken geworden.

 

 

 

 

 

Omschrijving van enkele, in dit artikel voorkomende termen

 

  • TONG: Hieronder verstaat men de eigenlijke schouderlap, oorspronkelijk aan de zijde van de schoudernaad slechts een weinig verbreed. Later werd de tong verbreed tot een cirkelseg­ment en verstevigd door een metalen plaat.
  • CIRKEL: Het brede uiteinde van de tong, omgeven door een rand van gerolde torsade of van metaal.
  • FRANJE: Dun koord, verkegen door massief zilver- of gouddraad, dubbel genomen, in elkaar te draaien. Franje had slechts een geringe doorsnede, ca 1 mm.
  • TORSADE: Dunne holle spiralen van zilver- of gouddraad, meestal met een doorsnede van 1 à 2 mm.
  • BOUILLONS: Dikke holle spiralen van goud- of zilverdraad, ontstaan door het metaaldraad spiraalsgewijs om een stokje te winden en daarna dit laatste te verwijderen. Bouillons komen voor met diameters van 6 tot 12 mm.
  • CONTRA - EPAULETTEN: Epauletten zonder franje, torsade of bouillons. Zij werden in sommige legers, b.v. het franse, waar de rang door één epaulet werd aangegeven, op de tegengestelde schouder gedragen.

In het Koninklijke Nederlandse leger was dit niet gebruikelijk.

Alleen de adjudant- onderofficieren droegen van 1815 tot 1865 contra-epauletten op beide schouders.