De bamboehoed van het K.N.I.L.

Coll. Legermuseum; naar schilderij J. Hoy nek van Papendrecht. Een van deweinige die deze belangwekkende schilder ooit van KNIL taferelen vervaardigde.De schilder is nimmer naar Indië geweest en heeft alzo het KNIL nimmer in eigenland kunnen portretteren, wat heel jammer is geweest. Hoynck zag zijn kansschoon toen er inheemse KNIL-militairen in 1927 naar Nederland kwamen alseredetachement bij de staatsbegrafenis van oud-Gouverneur-Generaal en luitenant-generaal bd J. B. van Heutsz.

 

Inleiding

Men kan zeggen dat er eigenlijk geen meer karakteristiek en opvallender uniformstuk in het voormalige Koninklijk Nederlands-Indische Leger heeft bestaan dan juist die eenvoudige groene breedgerande bamboehoed met bruinlederen riem onder de kin en typische kokarde opzij.

 

Ja, een groengeverfde, ietwat in de hoogte opgeduwde driekwart bolhoed, fijn gevlochten uit dunne soepele bamboe vezels, welk hoofddeksel met zijn heel brede, omlaaggerichte rand zowel tegen de felle tropenzon als tegen de eveneens tropische slagregens beschutting bood. En die harde en toch ook soepele rand kon dan van opzij in omhooggeslagen toestand de nog markantere kokarde vertonen (met drukknoopbevestiging) in een concentrisch en helder rood-wit-blauw, dat waarachtig nog associaties opriep met emblemen uit de tijd van de Bataafse Republiek.

 

De oudere generatie van het Nederlandse volk kent ook in het moederland die KNIL-hoe­den maar al te goed uit de jaren van kort voor de Tweede Wereldoorlog, toen in de Prins Hendrik Kazerne te Nijmegen nog de Koloniale Reserve was gelegerd, een militair onderdeel van het KNIL dat onder meer was belast met de werving, selectie en beginoplei­ding van jonge vrijwilligers die een verband wilden gaan tekenen om als beroepsmilitair een aantal jaren in de Oost te gaan dienen.

Dat wervingsinstituut van het Indische Leger werkte op diverse plaatsen met reclamepos­ters (. . . voor flinke kerels is plaats . . .) met op deze platen alweer die bamboehoed. En ook oer-Nederlandse firma's welke hun goederen gaarne naar Indië wilden exporteren, prezen in een verder weg liggend verleden hun handelswaar aan (Fongers herenrijwielen en naar wij dachten ook zware shag van de Weduwe van Nelle) op reclamebiljetten voorzien van een KNIL-militair met die bamboehoed. Maar die hoed bij deze firma's was nog bruin van kleur; de echte groene hoed kwam pas veel later: eerst in 1936 . . .

 

Voorgangers van de bamboehoed

De invoering van militaire uitrustingsstukken heeft altijd een hele voorgeschiedenis gehad; het gebeurt nooit van de ene dag op de andere. Er zijn altijd eerst proefnemingen en dan bestaan er ook nog oude voorraden; en verder zijn militairen op dit gebied overal oercon­servatief. Oók in het Indië van weleer.

Zullen wij even een kijkje gaan nemen en de hoofdzaken door de jaren heen even de revue laten passeren? Dan lopen we in de tijd een stukje terug naar de periode dat bij het Leger in Nederlandsch Oost-Indië voor het eerst een hoed van bamboe werd ingevoerd. Dat is nog niet eens zo verschrikkelijk lang geleden, pas in het begin van de 20e eeuw.

 

Nadat het KNIL vanaf de eerste samenstelling of oprichting in 1830 als hoofddeksel bij de veldtenue de sjako van diverse modellen met talloze variaties en toevoegingen had gedra­gen werd in 1894, na zeer vele klachten uit de troep over dit akelige hoofddeksel in de tropen, de helmhoed ingevoerd. Dat was een donker gekleurde, nauw om het hoofd sluitende lichtgewicht (soms kurken) hoofddeksel zonder rand; in de veldtenue was de donkere helmhoed de directe voorganger van de bamboehoed.

Nog heden ten dage kan men een variant van deze helmhoed zien in de ceremoniële tenue van het Korps Mariniers: compleet met metalen punt bovenop en grote metalen `zon' voorop, leeuwenknoopjes aan de zijkant en eveneens metalen ketting om de kin; alle metaal was ook toen glimmend van aanzien. Vele oude prenten van omstreeks de eeuwwisseling tonen ons de KNIL militairen in hun donkerblauwe (veld)uniform met de helmhoed op het hoofd. De glimmende versierselen konden door de man worden afgenomen: niet alleen om ze te poetsen. Het gebeurde namelijk ook tijdens acties tegen de inheemse vijand, bij de veldtochten in de Atjeh oorlog, op Lombok en de vele andere expedities in heel de Indische archipel: de metalen `zon' op de helm schitterde namelijk zo fel in het echte zonlicht, dat de vijand onze eenheden al op 2500 meter zou kunnen opmerken.

Al dat fraais was dus te velde niet zo bar praktisch; nadat `alle lekkers' er af was woog de helmhoed alweer twee ons lichter; ook daarom al niet te versmaden, te velde in een moordende hitte van zo om en bij de 30 graden in de schaduw . . .

 

Afb. 2. coll. G. J. W. KoolemansBey ne n. In 1904 op West Ceram,links de hoornblazer Sidin endaarnaast de fuselier Donongbeiden van het detachement Piroe.De bamboehoed van het type dattoen (als proef) plaatselijk al werdgedragen was van het type'stroehoed'. Let ook op de broekvan sarong-batik stof van Donong.

 

Sjako - Helmhoed - Vilthoed

De donker gekleurde helmhoed was al een hele verbetering; hij had tal van eigenschappen welke de sjako ten enenmale miste: soliditeit, lage prijs, ook in Indië gemakkelijk te fabriceren, weerstand biedend tegen de zon en wat waterwerend bij regen (en bij nat worden niet loodzwaar gaan wegen), licht in gewicht, goed sluitend om het hoofd en toch met redelijke ventilatie (met losstaande zweetband aan de binnenzijde en met diverse lucht­gaatjes), gemakkelijk te reinigen, behaaglijk te dragen en tevens martiaal van aanzicht op de hoofden van de militairen van toén: allen met forse snor. Maar wat van het grootste belang was: het gezicht, de ogen en de nek van de drager waren behoorlijk beschut tegen de verzengende zonnestralen.

 

Maar reeds in 1885 (dus nog volop in de periode van de sjako) waren er in de Oost stemmen opgegaan om een lichte vilten hoed als zeer doelmatig hoofddeksel in te voeren voor de veldtenue in plaats van de onpractische sjako. De majoor der infanterie P. B. van Staden ten Brink had zelfs een model ontworpen op eigen kosten maar kon- o, ellende- in Indië noch in Nederland een fabrikant vinden die daarin geïnteresseerd was; een bedrijf in Berlijn (!) wilde het wel maar daar eiste men een minimum afname van 100 stuks, hetgeen de majoor niet kon betalen . . ., waarvan hij, na een artikel er over geschreven te hebben in het pas opgerichte Indisch Militair Tijdschrift, van begin 1885, de zaak moest laten zoals deze was. Geen vilthoed dus, maar de model helmhoed.

Maar deze helmhoed had tóch nog te veel nadelen en dat zat hem hoofdzakelijk in de achterklep. Was deze klep te kort, dan was de nek niet genoeg beschermd tegen de zon; was de klep daarentegen te fors uitgevallen dan werd het weer ondragelijk warm daar achter, terwijl liggend schieten met het geweer, met de helm op het hoofd, geheel was uitgesloten. En ook aan de voorzijde gaf de helmhoed wel eens problemen bij het richten, in het bijzonder bij de artillerie. De genist klaagde dat met de helm op niet gegraven kon worden, terwijl de cavalerist dol werd van de hotsende helm bij snelle draf en galop, ook al omdat de helmhoed meestal niet goed paste.

 

En weer gingen er die stemmen op om naar een ander hoofddeksel uit te gaan zien: tegen de eeuwwisseling met volop Atjeh-oorlog in het hoofd, was er weer aandrang van de zijde van geroutineerde troepenofficieren om toch maar een lichte hoek van vilt in te voeren.

 

Dus weer het zo juist genoemde idee van de majoor van Staden ten Brink. Met stormband van leder, niet te groot, hoogstens 400 gram wegend, met veel ventilatiegaatjes, zodat doorstroming van frisse lucht inwendig verzekerd was, vooral geen `versierselen' en met een minimale zichtbaarheid voor de man in het terrein.

 

En vóór alles moest de ideale hoed van een slap model zijn en brede randen hebben, die naar welgevallen of bij noodzaak op en neer geslagen konden worden.

Dit idee was naast de gevoelde behoeften uit de practijk ook weer niet zo toevallig in Indië gaan leven. Inmiddels had namelijk de laatste Boerenoorlog in Zuid-Afrika (2e Vrijheids­oorlog van 1899-1902) in Indië danig de aandacht getrokken, waarbij men duidelijk anti-Brits en pro-Boeren was geweest. De vilten hoed van de Boerencommando's had in Zuid-Afrika goed voldaan en was, mede als gevolg daarvan al elders in andere koloniale legers in een of andere vorm ingevoerd.

 

Men betwijfelde echter of die hoed zonder meer ook voor de diensten in het vochtige en regenrijke Indië wel de ideale oplossing zou vormen. Hoe het ook zij: de vilten hoed kwam niet en de donkere helmhoed bleef.

 

Bamboe begint te komen.

Een nieuw element deed zich voor: de Indische dagbladpers, niet gewend onder alle omstandigheden salontaal te bezigen, ging kritische commentaren wijden aan het uniform­vraagstuk en ook aan de toestand met de helmhoeden. Tot circa 1905 werden nog enkele verbeteringen van ondergeschikte aard aangebracht; in genoemd jaar was daar iets opmer­kelijks bij, want toen gelukte het een duurzame helmhoed te fabriceren van een zeer licht gewicht, namelijk 170 gram. Weliswaar nog met donker overtrek van textiel, maar met een binnenlaag van bamboe vlechtwerk. En dat vlechtwerk nu was afkomstig van een fabriekje uit het stadje Tangerang, op zo'n 25 kilometer west van de hoofdstad Batavia gelegen. Dit was een aardig punt in de ontwikkeling van de hoed die nu in het verschiet lag; en bamboe was een artikel dat in Indië volop aanwezig was en dat in de inheemse maatschappij op allerlei wijzen werd gebruikt en bewerkt.

 

Maar er bleef ook nog kritiek komen op de donkere kleur, van de helmhoed; moest dat donkere gehandhaafd blijven? Hoe donker de kleur, hoe meer warmte van de zon er werd geabsorbeerd en hoe minder koel het hoofd van de militair werd gehouden. Kon die kleur niet wat lichter? Neen, want de jas en broek van het velduniform waren ook nog donker van kleur. Maar in ieder geval begon er ergens beweging te komen in het uniformvraagstuk. In begin 1905 kwam er bovendien een opmerkelijk soepele Algemene Order 1) uit, waarbij de Commandant van het Leger onder meer gemachtigd werd om ten aanzien van de tenue voor die onderdelen van het leger welke zich te velde bevonden (dus in expedities verwikkeld waren) afwijkende regelingen uit te vaardigen indien de omstandigheden zulks noodzakelijk maakten. Een decentraliatie dus; niet alles meer regelen vanuit één centraal punt; meer delegeren. Heel ver weg in de periferie van het enorme eilandenrijk waren al de nodige afwijkende initiatieven begonnen, in Atjeh, waar Van Heutsz alles te vertellen had. En nu was deze zelfde generaal een jaar geleden de `Grote Heer' van heel Nederlands-Indië geworden: de Gouverneur-Generaal. Geen wonder dat diverse eigen initiatieven nu ge­sanctionneerd werden.

Een paar van die zaken op uniformgebied: al vóór 1905 waren in Atjeh afwijkende uniformstukken gedragen. Een ervan was de simpele `Atjehjas' van gemakkelijk zittend model, dat ook nog zeer populair was en bovendien eenvoudig gewassen en gestreken kon worden. En een tweede uitvloeisel van tolerante politiek, welke de uniformiteit deed wijken voor het gemak van de strijdende eenheden, waren proefmodellen van geheel bamboehoe­den met brede rand. En nu zitten wij met ons verhaal in het eigen straatje. Het waren modellen van bruine bamboehoeden, geheel gevlochten, welke al enige jaren waren aangemaakt en verstrekt aan een aantal eenheden in Atjeh en in de Zuider en Ooster Afdeling van Borneo. Deze verstrekkingen geschiedden nog altijd naast de verstrekking van de officiële uitrustingstukken: dus bamboehoed naast de minder doelmatige blauw­zwarte helmhoed.

En in deze geest waren reeds de marechaussee-eenheden (nu zou men deze een soort commandotroepen kunnen noemen) waarmede de luitenant-kolonel van Dalen in 1904 op Noord-Sumatra zijn bekende (men kan ook zeggen berucht geworden) expeditie door de Gajo- en Alaslanden eindigend in de Bataklanden maakte, allen voorzien van bruine bamboehoeden. Men noemde deze hoofddeksels in die tijd op Atjeh het z.g. `model Boerenhoed'. Op oude foto's uit deze periode zien wij dan ook de militairen van het Korps Marechausse met bamboehoeden in de zo juist veroverde kampongs met vele gesneuvelde tegenstanders.

Ook bij de laatste expeditie in Zuid-Celebes (Boni) in 1905 was onze troepenmacht grotendeels voorzien van bruine bamboehoeden. Mede als gevolg van het gebruik van deze hoed in Boni werd ook erg veel de naam van `Boni-hoed' gehoord.

 

Conservatisme en magazijnvoorraden

Met dit al had het KNIL ook op expedities op ruime schaal een militaire hoed kunnen beproeven welke ook zonder versierselen een correcte verschijning van de man waarborg­de. Een eis was namelijk dat de soldaat een militair voorkomen behield; hij mocht er niet slordig uit zien.

 

Maar laten wij ons niet vergissen en nu denken dat de bamboehoed in 1905 al gemeengoed zou worden in de armee. Niets was minder waar: de bamboehoed was nog niet ingevoerd en de helmhoed was ook nog niet afgevoerd. De soldaat kreeg nog steeds de helmhoed model verstrekt, terwijl hij de practische `strohoed' (zoals men de bamboehoed ook al in de pers noemde) kon kopen, dat wil zeggen op eigen kosten zelf mocht aanschaffen; een merk­waardig paradox overigens. 2) En zodoende kon het gebeuren dat hij, nog wel in 1908 bijvoorbeeld, te velde met een zelf bekostigde bamboehoed op het hoofd liep terwijl in het garnizoen de van legerzijde verstrekte blauwe helmhoed op de rustkamer lag te beschim­melen . . .

Als een der redenen welke het vasthouden van de militaire autoriteiten aan de oude helmhoed kunnen verklaren, werd nog tussen 1906 en 1908 het feit genoemd dat men voor de (toen nog veelvuldig gehouden) parades uit oogpunt van traditie en de wens het decorum niet al te zeer te verstoren, de zo eenvormige donkere helmhoed gewoon niet wilde missen. Edoch, inmiddels had in 1906 de bekende vierde en laatste Bali-expeditie plaatsgevonden welke heel dit droomeiland nu definitief en geheel onder Nederlands beheer bracht. De totale Nederlandse expeditionaire troepenmacht van het KNIL, inclusief de commanderen­de generaal-majoor, droeg hier de bruingeverfde bamboehoed. Maar dit geschiedde nog altijd `bij wijze van proef en in afwachting van de definitieve invoering van dit hoofddek­sel' . Welnu de proef was zeer geslaagd; de bamboehoed voldeed uit militair-tactisch oogpunt gezien in alle opzichten aan de eisen.

Technisch gesproken was de bamboehoed van toen nog niet volmaakt: met name was hij niet sterk genoeg voor het gebruik te velde; er kwamen scheuren in als men langs doornige takken liep en door struikgewas kroop. Kortom, de hoed was in de aanvang nog niet geheel `soldierproof' om maar eens een hedendaagse kwaliteitsterm te bezigen; de oude helmhoed ging te velde wel drie maal zo lang mee. Ook de prijs van de bamboehoed varieerde nogal; in de legermagazijnen was het circa f 2,-; particuliere aanschaf tussen de rijksdaalder en vier gulden. Maar de aanmaak van de duurzame helmhoed kostte 50% meer dan die van de bamboehoed.

In de militaire bladen (in die tijd vooralsnog door en voor officieren geschreven) werd eind 1908 de hoop reeds uitgesproken dat de Minister van Koloniën - toen de bewindsman die alle zaken betreffende Nederlands-Indië bestierde - uiteindelijk het groene sein zou geven voor de integrale invoering van de `boerenhoed' (zo schreef men).

Maar de zo met verlangen verwachte uitspraak zou pas na een jaar komen, want ministers hebben ten alle tijde hun adviseurs gehad. Ook toen moesten de adviseurs de bewindsman aangeraden hebben niet al te snel het jawoord te geven voor de nieuwe hoed, aangezien in de magazijnen van de intendance van het Departement van Oorlog in Indië nog zeer grote voorraden donkere helmhoeden lagen opgeslagen. Het is begrijpelijk, zeker in die tijd werd het rijksdubbeltje nog een paar maal omgedraaid alvorens het werd uitgegeven. En laten we eerlijk zijn: men kan toch niet een hele voorraad helmhoeden weggooien of voor een appel en een ei op de markt gaan verkopen: trouwens, wie zou die dingen gaan kopen?

Het zou ons te ver voeren om deze hele materie nauwgezet te gaan volgen, maar wij menen uit publicaties in de militaire vakpers van 1908 te mogen constateren, dat ook nog ná de Bali-expeditie (weer) voor een jaar beproevingen met bamboehoeden moesten worden gehouden, nu bij alle troepen in Atjeh en op Celebes, `speciaal voor wat betreft de vorming van een oordeel omtrent de duurzaamheid van het product'; eerst daarna zou `het beslissen­de oordeel kunnen worden gevormd' .

 

In 1909 eindelijk het groene licht voor de bamboehoed

Aangezien ook nu weer de proeven een gunstig verloop hadden (geen enkele troepenman was immers tegen de bamboehoed) en de kwaliteit van het bamboevlechtwerk weer wat was verbeterd, kwam dan ten langen leste vanuit Den Haag, in december (K.B. van december 1909) het betreffende besluit. Daarna, ruim een jaar later (vertragingstactiek?) in het voorjaar van 1910 het regelende Gouvernements Besluit uit Batavia-Buitenzorg betreffen­de de vervanging van de helmhoed door een bamboehoed. 3)

Uiteraard zijn er na de officiële besluiten voor wat de feitelijke omruiling betreft bij de eenheden zelve - toen ter sterkte van ruim 34.000 man, met meer dan 1300 officieren en bijna 11.000 Europese militairen benevens ruim 22.000 Indonesische militairen beneden de rang van officier - nog de nodige uitvoeringsbepalingen van practische aard uitgevaar­digd. Er waren zeker niet terstond zoveel duizend bruine bamboehoeden beschikbaar in de magazijnen en . . . er lagen daar ook nog vele blauwe helmhoeden. En zo kreeg men toen een zekere in het militaire zo overbekende afdraagperiode. Bepaaldelijk ook omdat in het KNIL van toen - voor 100% een beroepsleger - de man per jaar een `kledinggeld' toegewezen kreeg. Voor dit bedrag wees de compagniescommandant, na gehouden in­spectie, uitrustingsstukken aan welke afgevoerd moesten worden en door nieuwe aan­schaffing uit dat persoonlijke potje moesten worden betaald. En per slot van rekening ging alles niet zo vreselijk snel in een eilandenrijk waarin men een paar weken moest varen om van west naar oost te komen: één achtste deel van de omtrek van de aarde.

Parallel met het invoeringsprogramma van de bamboehoed begon in 1912 ook nog een ander omwisselschema, namelijk dat van het gehele overige blauwe velduniform (jas en broek) naar het grijsgroene. Ook aan blauwe uniformen had men nog het een en ander als stock in die zelfde magazijnen liggen en dus ook hier de afdraag-procedure voordat het nieuwe pak overal was doorgedrongen.

Het is dan ook curieus oude foto's te bestuderen uit een reeks van jaren aanvangend in 1910 en voortgaand via 1912 en latere tijdstippen. Een grappig rekensommetje om te calculeren hoeveel combinaties van kledingstukken dan wel mogelijk zijn. Wij zijn hier zulk een unieke foto te kunnen tonen van een compagnie op mars in deze `bonte' afdraagtijd.

 

Afb. 3. coll. Sectie Krijgsgeschiedenis KL; ca. 1911; de bruine bamboehoed is alingevoerd maar de blauwe helmhoed is er ook nog en moet nog (jaren) wordenafgedragen. Hier een wonderlijke mengeling bij een europese compagnie van hetKNIL. Waar ook de groene katoenen velduniform wordt ingevoerd (1911) en ook deblauwe uniform moet worden afgedragen, is hier een mengelmoes te zien. Dekokarde is nog net niet ingevoerd; dat zou eerst eenjaar er na komen, in 1912.

 

Kokarde

Maar nu terug naar de bamboehoed. Daar moest nu nog iets komen op de omgeslagen rand: een kokarde welke daarop bevestigd kon worden door middel van een wat groot uitgevallen drukknoop: heel simpel dus. Dit kon geschieden aan de linkerzijde dan wel aan de rechterzijde. Allereerst (we zijn in 1912) zou dit de zelfde kokarde worden als die op de zojuist ook ingevoerde groene platte pet (in het KNIL steeds met vasthoudendheid `kwar­tiermuts' genoemd); doch nog in het zelfde jaar kwam er al een wijziging. Het moest niet de oranje-gele petkokarde worden, maar een geheel aparte die alleen maar op de bamboehoed gedragen mocht worden, namelijk de concentrische, rood-wit-blauwe, ronde kokarde.

 

En deze opvallende driekleurige hoed-kokarde heeft 30 jaren lang in nagenoeg ongewijzig­de vorm de bamboehoeden van het KNIL gesierd, totdat dit leger in 1941/42 strijdend onderging in de eerste maanden van de Pacific Oorlog.

Hoewel nu het besluit was gerealiseerd en de bamboehoed allengs werd ingevoerd, zijn er toch nog in 1912 of kort daarna beproevingen gehouden met een hoed van grijsgroen vilt, maar dan in het model van de hoed van bamboe.

 

Afb. 7. collectie H. E. Tessers; ca. 1936; een KNIL fuselier in paradetenue datvanaf dat jaar niet meer blauw is maar grijsgroen, hoge kraag met boordje enleeuw enknopen. De hoed kan al groen zijn; het is op deze foto niet te zien of hijgroen of nog bruin is.

 

Groen verven valt niet mee

In 1915 moet het KNIL in zijn totaliteit zijn voorzien geweest zowel van de bruine bamboehoed alsook van de groene veldkleding. Het streven werd nu gericht op de noodzaak om de man in de velddienst geheel en al op de minst zichtbare wijze in te zetten. Aangezien in Indië nu eenmaal de groene kleur het best paste in dit streven, dienden naast de jas en broek ook de overige zaken van de uitrusting groen te worden; ergo ook de bruine hoed. Jonge bamboe is nog groen, doch oudere en ook langduriger gebruikte delen van het bamboeriet worden al gauw bleek op het geelwitte af; deze materie kon met eenvoudige verfstof bruin worden gemaakt.

Maar nu moest er andere verf aan te pas komen om de bruine hoed groen te maken. Proeven in die richting werden nu ondernomen. Tevens koppelde men hierbij ook een modificatie aan, waarbij in het binnenste van de proefmodellen een tweede (binnen)bol was aange­bracht, om het hoofd van de gebruiker beter tegen de zonnestralen te beschermen. Beide bollen nu werden op diverse tussenruimten van elkander geplaatst: 2, 3 of 4 centimeter teneinde de beste oplossing te vinden. Dit werd tenslotte 2 centimeter. Aan de binnenzijde van de hoed was een zachte licht lederen zweetband welke met krukjes voor ventilatie­doeleinden ook weer los van de buitenbol zat bevestigd; in de rest van de bol diverse venti­latiegaatjes. Dat liep meteen goed.

 

Maar minder voorspoedig ging het met de groene verf; na korte tijd van velddienst in zon en regen was de groene hoed dermate verbleekt dat hij weer bruin werd. Men ging nu naar een beter kleuringsprocédé zoeken.

 

De testen met de zojuist genoemde vilten hoed werden ook nog tot 1915 voortgezet; in dat jaar ontving men zelfs nog uit Nederland een aantal exemplaren als gevolg waarvan op uitgebreide schaal de beproeving werd voortgezet. Hoewel, men had al ervaring opgedaan met het vilten hoofddeksel in de tropen; conclusie was, dat de vilten hoed meer warmte­overlast gaf dan die van bamboe. 5)

 

Het groen maken van de bamboehoed bleef een moeilijke zaak; het viel niet mee en zelfs in 1917 was men er nog niet in geslaagd een goede methode te ontwikkelen. Een verklaarbare zaak als men bedenkt dat de hoed vrij slap was en niet erg vormvast; met lichte druk van de vingers reeds kon men de bol wat indrukken; men kon de randen omslaan en ook vouwen. De zeer dunne bamboe vlechtstrookjes konden de verf niet genoeg vasthouden; bovendien moesten de hoeden vaak met water en zeep worden gereinigd als zij in het terrein vuil, vet of stoffig waren geworden. Men meende in 1917 een oplossing gevonden te hebben door de hoed niet te gaan verven, maar te voorzien van een 80 gram wegend grijsgroen katoenen overtrek. Als men nu de binnenbol weglaat, redeneerde men, zal bij aanbrengen van het overtrek de hoed niet in gewicht toenemen. Weer werden proeven genomen. Drie jaar later (1920) was een ieder het er over eens, dat de katoenen overtrek bij zware en langdurige regen niet alleen door de absorbatie van water te zwaar ging worden, maar dat (wat erger was) door krimpen van de overtrek de hoed ging knellen en dat het bamboe vlechtwerk te lang vochtig bleef en als gevolg van optredende schimmel sneller verteerde en ook nog ging rieken.

Exit katoenen overtrek en doorgaan met groen verven.

 

Het zou echter nog tot 1933 duren voordat men een handzaam procédé had uitgedokterd om de hoeden in de gewenste groene kleur te krijgen en ook zo te houden.

Men `spoot' ze toen in een groene kleur met zogenaamde `duco', een synthetische verfsoort, verwant aan de taaie, duurzame, goed hechtende en niet glimmende variëteit waarmee men toen reeds diverse militaire uitrustingsstukken en vooral ook militaire voertuigen een groen uiterlijk gaf. Het was een relatief kostbare behandeling en dat zei wat in de jaren dertig, toen ook in Indië op alles nog danig moest worden bezuinigd. Na dit alles was men er na twintig jaar in geslaagd een alleszins aanvaardbare kleuring te hebben gevonden. De groene hoed, die ook op ander gebied nog met enige kleinigheden was verbeterd en welke in een 75-tal exemplaren een eindtest bij een veldbataljon op Java goed doorstond, voldeed nu aan alle eisen. De hoed was in het terrein en ook vanuit de lucht niet opvallend zichtbaar; de glans die bij een nieuw exemplaar eerst nog aanwezig was, verdween spoedig in het gebruik. De verflaag hield goed stand, liet niet los en korrelde of koekte evenmin. De hoed was voor de gebruiker niet zwaarder geworden en was in de felle zon aanmerkelijk koeler in het dragen dan het bruine exemplaar; de reiniging met water en zeep en de behandeling daarna (voor de soepelheid) met vaseline, was als met de bruine hoed: goed dus. Tenslotte bleek dat de groene hoed in de zware regens zeer lang droog bleef doordat het water er direct af liep waardoor geen doorweking en geen gewichtsvermeerde­ring plaats vond. Afgezien van de kosten van het duco-proces stond thans niets meer de invoering van de groene hoed in de weg.

 

Het eindproduct is er . . .

Men heeft daarna nog getracht (1934/35) verfijningen in het kleuringsproces in te voeren maar ook deze bleken te ingewikkeld en dus weer te kostbaar. Tenslotte ontwaarde men dat de productie van het bamboe halfproduct in de Tangerangse fabriek al duchtig was teruggelopen, omdat er te weinig bestellingen waren gedaan, terwijl de uiteindelijke fabricage van de nog blanke hoed zelve - welke sedert jaar en dag in de diverse gevangenis­sen door gedetineerden werd verricht - ook te zeer zou stagneren indien er nog oud soort hoeden afgeleverd zouden moeten worden. En ook tengevolge van deze omstandigheden werd dan eindelijk besloten, in de loop van 1935 pas, om aanvangend in 1936 tot algehele vervanging van de bruine hoed over te gaan en de nieuwe geduco-de hoed in te voeren. Eerst kwamen de troepen op Java aan de beurt en later die op de Buitengewesten. Het was dan ook hoog tijd geworden.

Een geïrriteerd commentator schreef in 1935: `Te lang reeds heeft men zich moeten behelpen met uniformstukken welke de toets zelfs van een billijke critiek niet konden doorstaan. Een kwaad ding voor een tropisch beroepsleger waarin een uniform wel zulk een belangrijke rol speelt' 6).

 

De bamboehoed in zijn uiteindelijke uitvoering heeft in de korte periode waarin het KNIL in de oude vorm nog heeft bestaan, bijzonder goed voldaan. Schrijver van deze regels heeft de hoed jaren onder diverse omstandigheden met zeer veel genoegen kunnen dragen. Een product dat geheel `af' was en dat algemeen waardering genoot. De zon scheen de drager inderdaad niet in de ogen, steeds had men voldoende schaduw, ventilatie en koelte, ook in de meest barre hitte in de kustgebieden. Bij regen kreeg men nimmer een straal water in de nek of boord omdat de rand van de hoed wijd was; men had het idee dat men onder een soort paraplu liep en men hield bij regen altijd een droog hoofd en vaak bleef men ook nog met een deel van de schouders droog. Onder de neergeslagen rand hadden ook brildragers geen last van regenwater en . . . men kon in een regenbui gemakkelijk een (shag) sigaret blijven roken; die doofde dan niet uit. 7)

 

Toen de motorisatie in 1940/41 in het KNIL begon voort te schrijden, nam het aantal functionarissen af dat in de velddienst de hoed gebruikte. Motorrijders, vrachtautobeman­ningen, crews van pantservoertuigen en nog diverse anderen kregen daarbij andere hoofd­deksels te dragen: de hoed was voor hen minder geschikt geworden.

 

Massaproductie

Aan de andere kant echter kwamen onder dreiging van de naderende Pacific Oorlog steeds meer burgers op een of andere manier voor langere of kortere tijd onder de wapenen. Al deze lieden kregen een bamboehoed. Er waren uiteindelijk zoveel hoeden nodig, dat op de kwaliteit bij de aflevering niet meer zo goed gelet kon worden als weleer.

De hoeden in 1940/41 waren wat dunner van wand, wat brosser, braken sneller en hadden geen fraaie vorm meer: het werden echt oorlogshoedjes.

 

Hoewel in 1939 (maar dan speciaal voor de gevechtsomstandigheden) ook de stalen helm van het toenmalige Nederlandse Leger (KL), maar dan met een zacht zwart lederen zonneklep in de nek werd ingevoerd, bleef de bamboehoed voor vele overige diensten normaal in gebruik.

 

Capitulatie en herrijzenis van het KNIL

Toen in 1942 de algehele capitulatie van het KNIL (en de ondergang van Nederlands-Indië) een feit was geworden en alle Europese militairen en een deel van hun Indonesische collega's in Japanse krijgsgevangenschap geraakten, hebben deze gevangenen ook hun bamboehoed meegevoerd.

In de erbarmelijke omstandigheden waarin velen van hen gedurende de bezettingstijd in Indië, maar vooral ook daar buiten in diverse landen van Azië, kwamen te verkeren en jaren lang slavenarbeid hebben moeten verrichten, waarbij zij maar moesten zien hoe zij het leven konden behouden, heeft de hoed nog voortgeleefd als beschermer tegen zon en regen, totdat ook de laatste exemplaren in flarden waren gescheurd.

 

Het is om deze reden dat de goede groene bamboehoed van het KNIL na de oorlog zo zeldzaam is geworden. Slechts een enkel exemplaar is nog aanwezig in een museum of mogelijk bij een verzamelaar thuis.

 

Na de oorlog is de KNIL-hoed bij de nieuwe legeraanschaffingen van Brits en Amerikaans model niet meer gemaakt, ingevoerd of gedragen.

 

Afb. 4. Collectie Bronbeek. In 1912 proefnemingen met berggeschut bij de artillerie.Allen zijn voorzien van de bruine bamboehoed. Omgeving Tjimahi en Batoedjadjar,West-Java.

 

Afb. 5. coll Legermuseum; ca. 1920; proeven met pas ingevoerde mitrailleurs bij deinfanterie. Zowel de schutter als de eerste-luitenant instructeur dragen de bruinebamboehoed.

 

Afb. 6. collectie Bronbeek; juni 1927, Amsterdam op de Dam ter gelegenheid vande begrafenis van It gen van Heutsz. Het uit Indië speciaal hiervoor gekomendetachement van het KNIL presenteert de marechaussee-karabijn. Het zijn meestindonesische militairen, velen zijn drager van de Militaire Willemsorde of het kruisvoor Moed en Trouw; allen dragen de bruine bamboehoed. Achter hen en geheelrechts ook KNIL militairen van de Koloniale Reserve, die in die jaren nog niet wasuitgerust met de bamboehoed.De kokarde rood-wit-blauw op de opgeslagen rechter rand van de bamboehoed isduidelijk te zien.

 

Afb. 8. Foto 8; collectiemevr. F. J. Fabius-Wesseling.Hier de generaal-majoor M.Boerstra, ca. 1933(later zou hij legercommandantworden) met bruine bamboehoedmet beide randenneergeslagen bij deschaarkijker tijdensschietoefeningenvan de artillerie.

 

Afb. 9. collectie Bronbeek, Malang,Oost-Java, ca. 1934, tweeindonesische militairen vanhet XHIe Bataljon Infanteriein veldtenue met bruinebamboehoed met kokarde.

 

Afb. 10. coll Sectie Krijgsgeschiedenis KL; affiche voor werving van militairenvoor het KNIL bij de Koloniale Reserve te Nijmegen, anno 1938. De groenebamboehoed was nu ook in Nijmegen ingevoerd voor hen die een verband gingensluiten bij het KNIL en op uitzending wachtten. Let ook op de soldijen die wordenaangekondigd. Een jong soldaat drie kwartjes à een gulden per dag, 'een behoorlijktractement . . .'. Maar toen kostte een pakje sigaretten nog 15 cent en voor datbedrag kreeg men in de cantine een goed glas bier.

 

Afb. 11. coll H. E. Tessers,1938, de Javaanse soldaatle klasse hoornblazer inveldtenue met liggendekraag en gladmetalenafhaalbare knopen.In de velddienst een signaalblazend; de groenebamboehoed met beideranden in neergeslagentoestand.

 

Afb. 12. collectie C. A. Heshusius, een coverfoto uit d'Oriënt, een bekend geïllustreerdweekblad uitgegeven te Batavia in Nederlands-Indië. Het beeld: de landstormkomt op, juni 1940. Nederland is bezet, Indië werkt aan de weerbaarheid;landstorm oefent met de karabijnmitrailleur op het Generaal Staal-plein in Meester-Cornelis (bij Batavia).De militairen dragen de groene bamboehoed met kokarde. Rechts vier zojuistopgeroepen landstormers. Knielend links een beroeps sergeant-instructeur engeheel links de toezicht houdende luitenant, de auteur van dit artikel. Allen dragende hoed met opgeslagen rechterkant; de kokarde is zichtbaar.

 

Afb. 13. collectie G. H. O. de Wit. In Japanse krijgsgevangenschap in Siam bijKamp Tamuan; een bezweken Nederlands KNIL militair wordt door zijn kameradenten grave gebracht. Men onderscheidt nog enkele groene bamboe hoeden (nietlinks voor, dat is een Australische hoed). De kokarde zal daar niet meer op gezetenhebben; de Japanse bezetter had deze verboden. Jaartal ca. 1945.

 

Noten

  1. Algemene Order 1905 nr 36.
  2. Wetensch. Jaarbericht Ver. beoef Krijgswetensch. 1908, blz. 613 e.v.
  3. K.B. van 8.12.1909 nr. 50 en Gouv. B. van 11.2.1910 nr. 32.
  4. Een logische zaak: de le Wereldoorlog in Europa had daar al een jaar gewoed: alle felle en `fraaie' kleuren werden daar door alle oorlogvoerende legers uit de veldtenue geweerd.
  5. Wetensch. Jaarbericht Ind. Krijgsk. Ver. 1915, blz. 364: bij het Korps Gewapende Politie (een soort rijkspoli­tie, geen militairen dus) werd in 1915 wel een groen vilten hoed met oranje kokarde ingevoerd; later zou de politie echter ook op een (ander) soort bamboehoeden overgaan.
  6. Wetensch. Jaarbericht als 2), 1935, blz. 450 e.v.
  7. In de velddienst, bij oefeningen en lange verplaatsingen en uiteraard bij regen, werden beide zijden van de hoed in neergeslagen stand gelaten. Men kon overigens hetzij de linker-, hetzij de rechter kant van de rand naar boven omslaan en met een drukknoop in die stand vastzetten, naar gelang van de omstandigheden of naar wens van de betrokken commandant. De kokarde moest dan wel, waar nog nodig, naar de opgeslagen zijde worden overgebracht, hetgeen ook weer eenvoudig met een drukknoop kon geschieden. De beide zijden tesamen omhoog slaan gebeurde nimmer. Bij ceremoniële gelegenheden werd tevoren gecommandeerd welke zijde van de hoed omhoog geslagen diende te worden. Zou bijvoorbeeld bij een défilé `hoofd-rechts' gemaakt moeten worden, dan was al bepaald dat de rechterzijde omhoog zou moeten.
    Voor het brengen van de groet door officieren in gewapend troepenverband met de klewang c.q. de sabel was het al reeds uit ruimtelijke overwegingen zinvol om de rechter hoedrand omhoog te hebben.

 

 

Bronnen

  • Wetensch.Jaarbericht v.d. Ver. beoef. v.d. Krijgswetenschap, Nederland, jaarg. 1904, 1906, 1907, 1908, 1912, 1933, 1934, 1935.
  • Id van de Ind.Krijgsk. Ver., jaarg. 1915, 1917, 1920, 1933, 1934, 1935, 1936. - Indisch Mil Tijdschrift, jaarg. 1885, 1898, 1903, 1904, 1905, 1908, 1912.
  • Militaire Aardrijkskunde en Statistiek van Nederlandsch Oost-Indië, le Deel, C. J. Boon, Breda, K.M.A., 1905, blz. 120 e.v.
  • gesprekken met ex-KNIL officieren en persoonlijke waarnemingen van de auteur als ex-KNIL officier 1939-1942.

 

Nomenclatuur

Eerst in 1933 werd het Leger in Nederlands-Indië pas officieel `Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger' genoemd. In de jaren daarvoor zijn diverse andere benamingen gebruikt. Gemakshalve is in dit artikel slechts de naam `KNIL' gebruikt.