Den deugd der stoffagien

Een onderzoek naar de authenticiteit van uniformen uit de periode 1792-1815

Door Mark van Hattem en Mariska Pool

Het vaststellen van de authenticiteit van eeuwenoude uniformen kent vele haken en ogen. De weerbarstige praktijk van oorlog, schaarste en persoonlijke voorkeur liet zijn sporen na op uniformjassen. Door militaire kledingstukken te bestuderen in samenhang met contemporain archiefmateriaal komen verrassende gegevens aan het licht, die het beeld uit officiële uniformboekjes corrigeren.

Voorpagina Artikel Den deugd der stoffagien

 

Het onderzoek

In het kader van de tentoonstelling Voor Napoleon. Hollanders in oorlogstijd 1792-1815 is een onderzoek uitgevoerd naar de materiële en historische authenticiteit van de uniformen uit de eigen collectie en potentiële bruiklenen1. Dit onderzoek bracht een schat aan nieuwe gegevens aan het licht. Met een onderzoeksmethode die uitging van een combinatie van archiefmateriaal en textiel-technische gegevens, bleek het mogelijk nieuwe uitspraken te doen over de mate van authenticiteit van oude uniformen.

Om authenticiteit van de uniformen te bepalen is een onderzoeksmethode opgesteld (Zie tabel afb. 1), waarbij ieder tastbaar detail van een uniform, van het vervaardigingsproces tot het object zelf bestudeerd wordt. Gekeken is naar de gebruikte materialen (wol, linnen, katoen, zijde, metaaldraad, herkomst, ouderdom, etc.) en de degradatie ervan (hoe erg is de degradatie, klopt dit met de ouderdom, hoe is deze tot stand gekomen, etc.), de kleurstoffen (welke, hoe gebruikt, kloppen deze met het tijdsbeeld), vervaardigingswijze, gebruiksslijtage en andere beschadigingen, oude restauratiemethoden (wanneer, welke methoden), etc. Door dit duidelijk in kaart te brengen kan er een uitspraak over de authenticiteit van de stukken gedaan worden.

 

1. Bestudering en beschrijving van het uniform

1.1 Het historisch voorwerk

  • - Voorschriften contra werkelijkheid
  • - Beeldmateriaal zoeken
  • - Contemporaine beschrijvingen, archiefinformatie
  • - Zijn er vergelijkbare uniformen in onze of andere collecties?
  • - Gegevens over ‘het leven’ van het uniform:
  • - Waar komt het vandaan (schenking, verzameling)
  • - Wat is er over bekend (geschiedenis)
  • - Wanneer is het opgenomen in de collectie en is het toen gerestaureerd?
  • - Is het ooit tentoongesteld?
  • - Wat is er bekend over de contemporaine laken- en uniformfabricage?

1.2 Beschrijving

  • - Snit, is deze conform de tijd, vallen er vreemde dingen op?
  • - Materiaaldeterminatie. Kloppen de materialen met de tijd?
  • - In welke binding zijn de stoffen geweven? Wat is de dichtheid van het weefsel?
  • - Zijn er weeffouten? Zo ja, waar? Zijn er zelfkanten? Wat is de dichtheid?
  • - Wat is de tors van de gebruikte vezels?
  • - Zijn er beschadigingen (tand des tijds, gebruikssporen)
  • - Bevindt de slijtage zich op een logische plek?
  • - Is er holy dirt aanwezig, dat iets kan vertellen over de authenticiteit?
  • - Is de kwaliteit overal gelijk
  • - Wat is ongeveer de kledingmaat (Staan jas en broek met elkaar in verhouding?)

1.3 Veranderingen

  • - Waar en hoe zijn deze uitgevoerd
  • - Wanneer en waarom zijn deze uitgevoerd. Is het een reparatie of restauratie?
  • - Zijn er oude stikselgaten te vinden

1.4 Vervaardigingswijze

  • - Handmatig of machinaal vervaardigd?
  • - Welke steken zijn toegepast? Wat is de steekafstand, zijn er afwijkingen?
  • - Zijn er verschillende perioden van vervaardiging aan te duiden?
  • - Kloppen de toegepaste technieken met het tijdsbeeld

2. Natuurwetenschappelijk onderzoek

2.1 Vezelanalyse (200x)

  • - Zijn de materialen wat ze lijken te zijn?
  • - Hoe sterk is de degradatie en klopt deze met de ouderdom van het stuk?
  • - Is het materiaal uit de tijd.

2.2 Eventueel vezeldwarsdoorsneden bij kunstvezels (600x)

  • - Helpt om restauraties te dateren.

2.3 Onderscheid van kunst- en synthetische vezels in basis- en alkalische concentraties en/of oplosmiddelen

2.4 Verfstofanalyse

  • - Zijn de verfstoffen van plantaardige, dierlijke of chemische oorsprong?
  • - Welke beitsen zijn er gebruikt?
  • - Kloppen ze met de tijd en het land van oorsprong?

Tabel 1. Onderzoeksmethodiek: onderwerpenlijst.

 

Wie bovendien uit archiefmateriaal goed inzicht heeft in de geschiedenis van de wijze van uniformeren, zal zich niet laten misleiden door het mooie beeld dat uit de uniformboekjes oprijst. Archiefonderzoek bleek ook belangrijk om in individuele gevallen verbanden te kunnen leggen. In dit artikel zullen we naast de onderzoeksresultaten, ook vooral de onderzoeksmethode behandelen, omdat een breder gebruik ervan nog veel meer informatie aan het licht kan brengen.

 

Het leger heeft kleding nodig

In het Staatse leger was het uniformeren van manschappen en onderofficieren een taak van de kolonel. Deze betaalde de soldij en uitrusting van de troep, waarvoor hij een bedrag van de staat kreeg. In feite was de kolonel dus tevens ondernemer: kon hij besparen op zijn uitgaven, dan kon hij het verschil in eigen zak laten glijden. Voordeel van dit systeem was dat hij zich niet wilde laten ringeloren door kooplui, nadeel dat hij natuurlijk soms meer aan geld dacht dan aan uiterlijk en welzijn van zijn manschappen. Volgens de reglementen diende een kolonel zijn gehele regiment om de twee jaar in het nieuw te steken. Wanneer dat ook inderdaad gebeurde - er was nauwelijks contrôle - zal dat de eenheid van aanzien zeker hebben verbeterd.

Kern van het uniform was de rokjas. Om deze te laten vervaardigen, moest eerst de te gebruiken stof worden bepaald. De kolonel verstrekte een staaltje van de stof, die volgens hem gebruikt diende te worden, aan zijn kapiteins. Die probeerden een koopman te vinden die deze stof leveren kon. Hiertoe kwam de handelaar met een staal van eigen waar. Was de kolonel tevreden, dan kon een contract worden opgesteld. Daarbij was bepaald dat de te leveren stoffen in termijnen werden betaald. Vervolgens werden door de kapiteins de stoffen aangeleverd bij een kleermaker, die zij zelf konden zoeken, die er rokjassen van maakte. Zoveel mogelijk probeerde men om de jassen voor hetzelfde regiment bij dezelfde kleermaker te laten vervaardigen. Geleverd werden complete uniformjassen, inclusief epauletten, galons, etcetera.2

Eén van de te prijzen idealen van de meeste revolutionairen, is dat zij het opnemen voor de onderdrukte massa. Het gesjoemel van de kolonels van het Ancièn Régime, mogelijk gemaakt doordat zij zo'n grote vrijheid van administratie hadden diende te worden bestreden. Het werd een taak van de overheid zelf te zorgen dat haar soldaten naar behoren gekleed waren en dat er tegelijkertijd geen geld werd verspild. Er werden onder het bestuur van de Bataafse Republiek vanaf 1795 dan ook een aantal belangrijke veranderingen doorgevoerd.

Om te beginnen werd de rol van de kolonel als ondernemer afgeschaft. De staat diende vanaf nu te zorgen en te betalen voor de kleding van de militairen. Officieren kregen een bedrag, dat zij doorgaans uit eigen middelen aanvulden en waarvan zij een eigen uniform van enige kwaliteit lieten maken. De manschappen werden geheel door de staat gekleed. Hiervoor was een bedrag in de soldij verdisconteerd. Het beheer van de goederenstroom die dit met zich meebracht, werd het werk van de kwartiermeester, die ook voor de bewapening zorgdroeg. De eindverantwoordelijkheid lag echter bij de zogenaamde Raad van Administratie. Hierin waren geheel volgens revolutionair ideaal zowel manschappen, onderofficieren als officieren vertegenwoordigd.3

 

De verschillende stoffen

De kwartiermeester kreeg van de staat stalen toegezonden, die een indicatie moesten geven van de kwaliteit waaraan de te bestellen stof moest voldoen. Bovendien verkreeg hij van hogerhand een voorbeeldexemplaar van de te vervaardigen uniformen, dat als referentie diende: een standmodel. Voor de rokjassen bleef men laken inkopen bij een lakenhandelaar. De lakenhandelaars brachten gedurende decennia hun producten aan de man met fraaie stalenboeken. Stoffen voor militair gebruik werden als een aparte categorie behandeld en per staal ingedeeld naar rang: Draps Uniformes militaires d'Officiers, de Sous Officiers, de Soldats.4 Lakenhandelaars zonden ook stalen van hun lakens aan de administratie van legerkorpsen om hun waar aan te prijzen. Stofstaaltjes waren met een zegel bevestigd op papier en voorzien van een productomschrijving als: Donker-blaauw laken 8/4 breed, voor onder-officieren a fl 6 p El; Donker Blaauw Laken 8/4 breed a 72 st p El Voor Gemeenen5(afb. 2). Wie goede kwaliteit en een gunstige prijs leverde kon opdracht verwachten, wie slechte waar leverde kreeg zijn stalen met een bedankbrief van de kwartiermeester terug. De stalen dienden niet alleen als ‘reclame’, maar werden later ook gebruikt om na te gaan of de leverancier zich aan de afspraken had gehouden. Wie de archiefstukken over uniformering en stoffenhandel bestudeert wordt geconfronteerd met een veelheid aan oude, fraaie stofnamen als laken en uitmonsteringslaken voor rokken, saai voor rokken, baai voor pelsen, karsaai voor kapotten, vesten en pantalon, cadjand, zwarte broché voor dassen, Hilversum, Blank en ruw Vlaamsch linnen voor voeringen en lange onderbroeken, imperiaal voor slobkousen, armijn, bombazijn. Die namen zijn echter moeilijk aan een daadwerkelijk product te koppelen: veel kennis over wat er schuil ging achter al die stofnamen is verloren gegaan. De eerste stap die nodig is in een onderzoek is de stof achter deze namen te vinden, zodat grondstoffen, materialen en weefsels geanalyseerd kunnen worden (afb. 3).

Afb. 2 Stofstaal van 'Schairood Cajant', 1808. Duidelijk zichtbaar is dat het om een dunne stof met een steile keperbinding gaat. Collectie Nationaal Archief Den Haag, 2.01.14.02 no 990. (Foto auteur)

Afb. 2 Stofstaal van 'Schairood Cajant', 1808. Duidelijk zichtbaar is dat het om een dunne stof met een steile keperbinding gaat. Collectie Nationaal Archief Den Haag, 2.01.14.02 no 990. (Foto auteur)

 

Afb. 3 Nauwkeurige bestudering van de stof, de gebruikte garens en naaitechnieken zijn van groot belang. (Foto auteur)

Afb. 3 Nauwkeurige bestudering van de stof, de gebruikte garens en naaitechnieken zijn van groot belang. (Foto auteur)

 

De basis: geweven wol

De basis van de stof waaruit uniformen vervaardigd werden is wol. Deze wol kon afkomstig zijn van inlandse schapen, maar ook geïmporteerd worden. In Leiden bijvoorbeeld werd vóór 1795 de lakenproductie voor militaire uniformen in twee grondstofgroepen gesplitst. Het pover soldaten laken werd uit inlandsche, de fijne uit Spaansche wol vervaardigd.6 Spaanse wol, vanaf de 17e eeuw in onze lakenindustrieën verwerkt, stond altijd al bekend als wol van betere zo niet de beste kwaliteit. Deze korte, fijne, gekroesde wol was afkomstig van het Merinoschaap7 en was bijzonder geliefd vanwege zijn zachtheid, fijnheid, sterke vezel en elasticiteit en was ideaal voor stoffen die gevold of vervilt moesten worden. Vanaf 1795 werd er echter naar gestreefd zoveel mogelijk inlandse producten te gebruiken om de eigen markt te stimuleren. Begin 1801 bleek de Agent van Oorlog met niet weinig bevreemding geinformeerd gevonden zynde, dat door zommige der Corpsen, in weerwil der, bekende intentie van het Gouvernement, uitlandsch gefabriceerde Stoffen tot Kleding worden gebezigd, hun, voor zoo veel zy zich aan zoodanige voor den Lande en deszelfs Fabrieken hoogstnadelige afwyking van de wet mogten hebben schuldig gemaakt, by deze ten ernstigsten op hunnen personele verantwoordelijkheid wil hebben aangemaand, en gelast, om zich van geene andere Kledingstoffen te bedienen, dan van de zoodanige, van welke zy zich verzekerd kunnen houden, dat dezelve binnen deze Republiek zyn gefabriceerd.8

Deze ‘militaire’ ongehoorzaamheid zou te maken kunnen hebben met de kwaliteit van de inlandse wol. De inlandse wol was stugger van kwaliteit waardoor deze alleen geschikt was voor harde en grove garens. De wol die van het schaap afkomt moet vele behandelingen ondergaan alvorens deze tot stof verwerkt kan worden. Dit gebeurde in laken- en wollenstoffenfabrieken9: de wol moet gewassen worden, eventueel geverfd10, gevlaakt om het resterende vuil te verwijderen en de wol los te slaan, geplozen (het lostrekken van klitten), gekamd of gekaard en gesponnen (afb. 4). Om garens te maken moeten de vezels door middel van spinnen in elkaar worden gedraaid. Deze draaiing wordt tors of twist genoemd. Linksom gedraaid garen wordt een S-tors genoemd; rechtsom gedraaid garen levert een Z-torsing. Bij een goed wollen laken bestaan de ketting- en inslagstelsels uit garens die in verschillende richtingen zijn gedraaid om te veel spanningen in de weefsels te voorkomen. De ketting is meestal Z-getorst en de inslag S-getorst.11 Na het spinnen werden de garens gebruikt voor de ketting en inslag van een weefsel. Het inslaggaren moet op een spoel worden gezet, de kettingdraden op het getouw geboomd, er werd geweven, genopt12, gevold in een volmolen, geruwd, droog geschoren, geborsteld, nogmaals genopt en gestopt, gevouwen en uiteindelijk geperst op de lakenpers. Laken is de bekendste stof die voor uniformen werd gebruikt.

Afb. 4 Anoniem Noord-Nederlands, De lakenbereiding in zestien taferelen, ca. 1760. Collectie Centraal Museum Utrecht.

Afb. 4 Anoniem Noord-Nederlands, De lakenbereiding in zestien taferelen, ca. 1760. Collectie Centraal Museum Utrecht.

 

Verschil in kwaliteit van laken

Laken is een effen wollen weefsel, uit gekamde13 of gekaarde14, fijnere en goed te vervilten wol, meestal in platbinding geweven. Een weefsel bestaat uit verticale (ketting) en horizontale draden (inslag) die volgens een systeem (binding) ineen geweven worden. Bij een platbinding gaan even en oneven kettingdraden onder en boven de inslagdraad langs (afb. 5) . Na het weven wordt de stof gewassen, eventueel geverfd en zwaar gevold, geruwd, drooggeschoren, gestreken en geperst. Het resultaat is een zware wollen stof met een kort, naar één richting gestreken, glanzend haardek. Naar de grondstof onderscheidde men ‘grof laken’ uit gekamde grovere, langere wol, en ‘fijn laken’ uit fijnere, gekaarde kortere wol. De belangrijkste kwaliteitsverschillen ontstonden echter door de hoeveelheid ketting- en inslagdraden die per centimeter werden gebruikt. Over het algemeen geldt: des te meer draden, des te beter de kwaliteit. Door de weefdichtheid van uniformen te onderzoeken kan dus de kwaliteit van het stuk worden bepaald.

Afb. 5 Door de loep is de platbinding te zien: ketting- en inslagdraden zijn regelmatig één voor één over en onder elkaar geweven. (Foto auteur)

Afb. 5 Door de loep is de platbinding te zien: ketting- en inslagdraden zijn regelmatig één voor één over en onder elkaar geweven. (Foto auteur)

 

Dit werd ook door tijdgenoten onderkend: kwartiermeester en officieren van kleding controleerden de kwaliteit van het laken volgens eenzelfde methodiek. Bij het controleren van de kwaliteit van het laken werd men geacht te letten op zwaarte van de stof, zamenstelling, bewerking en getal der draden, zoo in de lengte als in de breedte... Men voegde daaraan toe, dat voor zware stof dikkere draden in kleinere hoeveelheden werden gebruikt dan voor dun laken.15

In de collectie van het Legermuseum is een rokjas (059266) van het regiment Zwitsers van manschappen en onderofficieren uit de periode tussen 1785 en 1794 bewaard gebleven (afb. 6). Het basislaken is een hele grove stof, met een geringe weefdichtheid (16 draden/cm) en enkele millimeters dik. Het laken zit bovendien vol met weeffouten. Er kan geen groter contrast zijn dan dat met het enige uniform in de collectie van een opperofficier uit deze periode, namelijk een rokjas van Garde du Corps te voet (059265). Mogelijk gaat het om de rokjas van generaal-majoor C.V. van Boetzelaer.16 Zijn laken is van een bijzonder hoog afwerkingsniveau, heeft een weefdichtheid waar vorsten zich niet voor schamen (33 draden/cm) en is rijkelijk bezet met gouddraad borduursel. Vooral de voering van de laatste jas - nog altijd van het fijnste wol - is een groot contrast met het uitzonderlijk grove materiaal van de Zwitserse Jan Soldaat (9 draden/cm). De lakens werden naast de linnenbinding ook in keperbinding geweven17. De keperbinding is gebaseerd op een eenheid van drie of meer kettingdraden en drie of meer inslagdraden, waarbij iedere kettingdraad over twee of meer aangrenzende inslagdraden gaat en onder de volgende inslagdraad, soms ook onder meerdere. De bindingspunten verschuiven telkens één draad in dezelfde richting, zodat de opvolgende inslagdraden diagonale lijnen vormen (afb. 7). Wol kon uiteraard ook tot andere stoffen verwerkt worden. Bijvoorbeeld tot baai, een goedkopere, vaak uit blootwol18 vervaardigde wollen stof, met een kamgaren19 ketting en een kaardgaren inslag, in platbinding geweven, licht van gewicht; gevold, geruwd en licht geschoren. Aan de ene kant kan de stof alleen een viltlaag hebben en aan de andere kant een vrij lang haardek. Deze stof is waarschijnlijk als rode voering terug te vinden in de bovengenoemde rok van het regiment Zwitsers. De jas is stevig en redelijk grof, de baaien voering past hier goed bij. De rok zelf is gemaakt van karsaai. Karsaai is een zware wollen stof die aanvankelijk in platbinding, later in keperbinding werd geweven waardoor ze zwaarder en dikker kon worden dan gewoon laken. Een donkerblauwe, grof geruwde en slecht gekamde stofstaal van rond 1808 is zo’n 2-3 mm dik.20 De karsaai werd zwaar gevold en slechts licht geschoren. Het materiaal werd vooral gebruikt voor manschappen en korporaals, de stofstaal van 1808 onderstreept deze toepassing nog eens en meldt expliciet Voor gemeenen.

Afb. 6 Links een rokjas van een opperofficier van de Garde du Corps te voet en rechts van een manschap van het Regiment Zwitsers in Staatse dienst. Het verschil in kwaliteit is goed waarneembaar. Collectie Legermuseum, 059265 en 050795.

Afb. 6 Links een rokjas van een opperofficier van de Garde du Corps te voet en rechts van een manschap van het Regiment Zwitsers in Staatse dienst. Het verschil in kwaliteit is goed waarneembaar. Collectie Legermuseum, 059265 en 050795.

 

Afb. 7 Stofstaal van Schairood Saay, 1808. Saay is geweven in een keperbinding. Collectie Nationaal Archief Den Haag. (Foto auteur)

Afb. 7 Stofstaal van Schairood Saay, 1808. Saay is geweven in een keperbinding. Collectie Nationaal Archief Den Haag. (Foto auteur)

 

Uitmonstering en voeringen

Stoffen die veel ter uitmonstering van de uniformen werden gebruikt zijn saai en cadjand. Saai is een kamgaren stof, licht van gewicht, in keperbinding geweven en heeft dus duidelijk zichtbare diagonale lijnen. De stof is lichter gevold dan laken, geperst, gekalanderd en soms glanzend gemaakt of gepolijst. De jas van het Britse 1st Guards Regiment (1804-1815) (061508) is uitgemonsterd met witte saai21. Cadjand of cajant was een lastige stof om te traceren. Bekend uit archiefstukken, maar niet uit andere gegevens. De rok van een officier van de garde jagers te voet van het Koninkrijk Holland (050820) uit de collectie van het museum werd eveneens op authenticiteit bekeken. Stoffen en andere gebruikte materialen, steken, snit, het leek allemaal origineel, maar de stof waarmee de rokpanden gevoerd waren was onbekend. Een dunne in platbinding geweven wollen stof met zo’n 24 draden per cm, qua kleur exact passend bij de rest van het uniform. Een rode stofstaal uit het archief bood uitkomst: cajant - een wollen stof in platbinding met in dit geval 22 draden per cm - bleek de stof te zijn waarmee de rok gevoerd was. Geen nieuwerwetse toevoeging, maar origineel.

Het niet zichtbare deel van de jas werd over het algemeen gevoerd met gebleekte of naturel linnen. Officiersrokken hebben vaak een voering van afwijkende stof, een fijne wol of zelfs een zijden voering. Archiefstukken geven aan dat de voeringen voor manschappen veelvuldig van Vlaams linnen werden gemaakt, al wordt ook de raadselachtige term ‘Hilversum’ genoemd. Hilversum stond bekend om zijn katoenproductie en produceerde onder de naam Hilversum een halflinnen stof, bestaande uit een linnenketting en een katoenen inslag (afb. 8). In de tijd van Koning Lodewijk leverde de Hilversumse katoennijverheid veel goederen ten behoeve van het leger. Een gerucht dat de koning wilde overstappen op Vlaams linnen leidde tot grote commotie in Hilversum en een commissie vroeg audiëntie bij Lodewijk om het tij te keren. Wat ook lukte. Bij Koninklijk besluit van 23 februari 1807 werd bepaald: dat voortaan tot voering der kleding voor de Armee gedeeltelyk zal worden gebruik gemaakt van het zogenaamde Hilversum, en gedeeltelyk van het Vlaamsche linnen, naar de omstandigheden zulks zullen vereischen. De commissie bedankte de koning allerroerendst: En daarom Sire! Zien wy met brandend verlangen de voordelige gevolgen van Uwe welwillendheid omtrent onze gemeente te gemoet. 22Hilversum is tot nu echter nog niet aangetroffen in een object. Gewoon aannemelijk ‘Vlaams’ linnen is de grondstof die als voering het meest is aangetroffen.

Afb. 8 Stofstaal van Hilversum, 1808. Hilversum bestaat uit een mengweefsel van katoen en linnen in een platbinding. Collectie Nationaal Archief Den Haag. (Foto auteur)

Afb. 8 Stofstaal van Hilversum, 1808. Hilversum bestaat uit een mengweefsel van katoen en linnen in een platbinding. Collectie Nationaal Archief Den Haag. (Foto auteur)

 

Van de stoffenhandelaar naar de kleermaker

Uiteindelijk moeten uit de stof uniformen worden vervaardigd. Het leger betrok de stoffen van over het hele land verspreide lakenhandelaren, nadat zoals eerder gemeld, stalen waren goedgekeurd. Er werd hierbij eerder op kwaliteit dan op logistiek gelet: Carsaijen Baaijen enz zal meer op den deugd der stoffagien dan wel op de Plaats waar dezelve gefabriqueerd zijn worden gezien. Het werk van de kleermaker onder het Ancièn Régime was eenvoudigweg het maken van een compleet uniform. Dit veranderde tijdens de administratie van de Bataafse Republiek en die verandering was blijvend - nog bij de instelling van de reglementen van de Koninklijke Nederlandse Landmacht in 1814. Een en ander betekende dat de wisselwerking tussen de militaire functionaris en de kleermaker van groot belang werd. Immers, de kwartiermeester was de man die eerst de stoffen aanleverde bij de kleermaker, de opdracht formuleerde en dan later weer de kledingstukken in ontvangst nam en de gedane arbeid bekeek. De kwartiermeester controleerde of de kleermaker het leger niet had bedrogen door bijvoorbeeld toch stof van mindere kwaliteit te gebruiken of stof achter de hand te houden. Alle benodigdheden behalve de jassen zelf, werden zoveel mogelijk kant en klaar ingekocht, opnieuw naar een standmodel. Hier vond dus niet eerst stofinkoop plaats. Epauletten, pompons, pluimen, knopen, slobkousen, hoofddeksels, hemden23 en nog veel meer kwam rechtstreeks van een atelier. Hierdoor is het zo moeilijk geworden om met zekerheid vast te stellen of bijvoorbeeld een paar epauletten nu wel of niet oorspronkelijk bij een rokjas heeft behoord. Zo is bij de jas van een manschap of onderofficier van de Bataafse infanterie (05083) het vermoeden dat de epauletten niet bij de jas horen, niet te bevestigen op basis van de constatering alleen, dat de epauletten van afwijkende kleur rood en dito stof zijn vervaardigd. Ze kunnen immers van een andere kleermaker komen.

 

Het handwerk van de kleermaker

De meester-kleermaker functioneerde in feite als een onderaannemer van het leger. Hij was aan een regiment toegevoegd, maar zelf geen militair. Zijn brood kwam niet van soldij; hij was een ondernemer, die tegen vastgestelde tarieven stof van het regimentsmagazijn inkocht, de kleding vervaardigde en voor de kledingstukken weer werd betaald door het regiment.24

Het handwerk van de kleermaker laat sporen na, die van grote waarde zijn om een gevoel te krijgen over de authenticiteit van een kledingstuk (afb. 9) Elke tijd en techniek kent immers zijn eigen regels en de verschillende omstandigheden waaronder de kleermakers moesten produceren zijn ook van invloed op het uiteindelijke resultaat. Het zijn juist deze aspecten die door iemand die een goedbedoelde reconstructie maakt, of een oud uniform vernaait, worden vergeten en hem of haar verraden.

Afb. 9 Achterzijde van een rokjas van een officier van de jagers van de garde van het Koninkrijk Holland, 1807-1809. Duidelijk is de positionering van de schoudernaden zichtbaar. Collectie Legermuseum, 050820.

Afb. 9 Achterzijde van een rokjas van een officier van de jagers van de garde van het Koninkrijk Holland, 1807-1809. Duidelijk is de positionering van de schoudernaden zichtbaar. Collectie Legermuseum, 050820.

 

Het knippen van de onderdelen moet volgens een vast patroon gebeuren omdat de stukken uit een vastgestelde hoeveelheid stof vervaardigd moesten worden. Bovendien speelt de rek in een stof een grote rol bij draagcomfort. De kettingrichting van een stof heeft meestal minder rek dan de inslagrichting. Bij goed vervaardigde uniformen is met de draadrichting rekening gehouden of zijn er slechts minimale afwijkingen.

Er zijn twee stukken onderzocht waarbij dit helemaal niet het geval was. Het betrof een vest van een Garde d'Honneur uit 1813 (nieuwe aanwinst) en een kurtka (rok met korte jaspanden) van de Rode Lansiers (1812-1815), de eerste afkomstig uit de museumcollectie, de tweede bezit van een particulier. Bij het vest dat een zeer duidelijke herkomstgeschiedenis heeft, bleek één van de voorpanden niet recht op de ketting gesneden, het andere wel. Na bestudering van de naden en stiksels en het materiaal waarmee gewerkt is, kon worden geconcludeerd dat er aan de jas helemaal niets is veranderd. Het ‘scheve pandje’ is haastwerk en/of zuinigheid van de kleermaker geweest. Waarschijnlijk waren hiervoor goede redenen, die te maken hebben met de haast waarin de uniformen voor dit regiment moesten worden gemaakt en de economische nood in de laatste jaren van het Keizerrijk.

De kurtka daarentegen had een twijfelachtige provenance en was zeer slordig met nieuw garen in elkaar gezet. Sommige delen waren origineel maar het merendeel van de panden is uit oude stof samengelapt en bijna nergens recht op de draadrichting gesneden. Dit geeft niet alleen een slordig uiterlijk als de jas wordt gedragen, maar heeft bovendien geen enkel draagcomfort. Het lijkt er dus op, alsof de kurtka niet in elkaar is gezet door een eigentijdse kleermaker die de jas maakte om gedragen te worden, maar dat de jas uit oude materialen en restanten is gereconstrueerd. En er is meer. Als een jas gedragen wordt ontstaat er gebruiksslijtage langs randen van panden, mouwen, manchetten, op ellebogen, op plekken waar uitrustingstukken of wapens werden gedragen. De stof was echter niet op logische plekken versleten. Al met al waren er genoeg redenen om deze kurtka niet als authentiek te beschouwen.

De snit van de uniformen en de maat die zij hebben kan eveneens een belangrijke aanwijzing zijn voor de authenticiteit, zeker als deze gecombineerd wordt met gegevens uit stamboeken. De uniformen horen natuurlijk het model te hebben dat klopt met de tijd. Een veel gemaakte fout bij een ‘vals’ uniform is de positionering van de schoudernaden bovenop de schouder in plaats van schuin achterop het schouderblad.

 

De officier van kleding

Onder Lodewijk Napoleon werden de Raden van Administratie afgeschaft. Voor een dergelijke misplaatste democratie was geen plaats meer: opnieuw kregen de officieren het voor het zeggen. Toch blijkt uit alles dat Lodewijk probeerde meer greep te krijgen op de wijze van uniformering: hij wenste èn geen geld te verspillen èn een zo mooi mogelijk gekleed leger. Hij liet zich bij zijn aantreden informeren over het Franse systeem en nam hier een aantal belangrijke elementen uit over. Het belangrijkste was waarschijnlijk de instelling van een zogenaamde 'officier van kleding'. Deze functionaris hield zich alleen bezig met de kleding en de fournituren, zodat zijn werkgebied kleiner was dan van de oude kwartiermeester. Tegelijkertijd werd van hem dan ook een veel strengere hand verwacht. Hij hield de administratie bij, beoordeelde stalen, beoordeelde door soldaten aangevraagde reparaties, beoordeelde kleermakerswerk en beheerde de standmodellen aanwezig bij het regiment. Bovendien inspecteerde hij van tijd tot tijd de kleding van de soldaten. Wanneer kledingstukken voortijdig waren opgedragen of reparatie behoefden, diende hij dit te signaleren. Een en ander werd vervangen dan wel gerepareerd op kosten van de militair. De correspondentie met hogerhand over de uniformering geschiedde nog altijd op last van de kolonel. Dit systeem werd later bijna ongewijzigd door het Koninkrijk der Nederlanden overgenomen.

Binnen de Koninklijke Landmacht van na 1813 was er blijkbaar zelfs een speciale loep ontwikkeld om de kwaliteit van de laken te controleren; zo valt te lezen dat de 'examinatie der stoffen' dient te geschieden 'tegen den dag, door middel van het bij de Armée in gebruik zijnde werktuig'.25

In de archieven zijn veel voorbeelden terug te vinden van kolonels die de koning verzochten om wijzigingen in het uniform, wanneer in de praktijk snit, kleurstof of gebruikte materialen in hun ogen ondeugdelijk waren gebleken. Vaak werd hieraan gehoor gegeven. Dit werkte natuurlijk allerlei verschillen in uniformen in de hand en daarom geldt: afwijkingen aan een uniform ten opzichte van de voorschriften versterken eerder het vermoeden van authenticiteit, dan dat zij het ontkrachten!26

 

Het lot van het kledingstuk

De Bataafse Republiek was ten opzichte van haar voorganger een nogal armlastige overheid. Het waren tijden van oorlog en het bondgenootschap met Frankrijk legde allerlei beperkingen op aan de handel, hetgeen de staatskas geen goed deed. De Republiek besloot dan ook haar nieuwe Bataafse leger gefaseerd in een nieuw uniform te steken. Voortaan werden oude uniformstukken eerst opgedragen, alvorens nieuwe werden verstrekt. Bovendien probeerde men oude hoeveelheden lakense stof eerst op te gebruiken. Zo gebruikte Eerste Battallion van de Eerste Halve Brigade de overgebleven stoffen van het Regiment van Brakel op door het geel laaken van de leveranciers zwart te laten verven tot slopkousen. 27

Niet langer werd een regiment in één keer in het nieuw gestoken. Soldaten kregen kledingstukken uitgereikt, die een bepaalde draagtijd hadden en pas nadien kon men vervanging krijgen. Nauwkeurig werd bijgehouden, welke soldaat wanneer een kledingstuk ontvangen had, hoe oud het bij benadering was en hoe lang het nog gedragen diende te worden. Dit systeem bleef onder Lodewijk Napoleon in 1807 gehandhaafd, om redenen van zuinigheid; de koning heeft wel even getwijfeld, blijkens correspondentie met zijn minister van oorlog.28 Dat is niet zo gek, want het leger moet meer een carnavaleske dan een martiale uitstraling hebben gekregen.

De draagtijd voor een rokjas was 36 maanden, voor een vest 6 maanden, een broek 12 maanden en sjako's ook 12 maanden - nogal divers. Rokjassen werden hergebruikt wanneer ze niet langer dan 18 maanden door een ander waren gedragen; broeken tot zes maanden. In een voorbeeldadministratie van het Koninkrijk Holland, uitgereikt aan de regimenten, is het voorbeeld opgenomen van een soldaat Paulus die een rokjas krijgt niet ouder dan 6 maanden, en een soldaat Bavel die het moet doen met een van 12-18 maanden oud. Soldaat Bavel moet het bovendien doen met een overjas (kapotjas) van 12-24 maanden ouderdom...29

Deze chaos is ook goed te zien op de beroemde tekeningen van de zogenaamde 'burger van Hamburg'. Deze inwoner van de Duitse Hanzestad tekende Hollandse troepen die door zijn stad trokken 'naar het leven'. Op een enkele figuur zijn soms uniformstukken uit drie verschillende regimes vertegenwoordigd.

Geen wonder dat ons zo weinig kleding uit deze periode rest: wanneer de kleding zo wordt uitgewoond en opgedragen, blijft weinig bewaard en past voorzichtigheid omtrent de authenticiteit wanneer we worden geconfronteerd met een uniformstuk 'als nieuw'.

Het zijn in de regel de lelijke eendjes die authentiek blijken te zijn. Een goed voorbeeld is de uniformrok van de chirurgijn Hendrik Verhoef (068824). Deze onooglijke, bruinige jas is van een lelijke kleur, op verschillende plekken versteld, en voldoet niet aan de voorschiften. Maar juist deze rokjas vertoont op die manier de kenmerken van een kledingstuk dat ook daadwerkelijk werd gebruikt.

 

Slordiger naarmate het einde naderde

Doordat Lodewijk zijn administratie en methodiek had afgekeken van het Franse model, veranderde er in dit opzicht niet veel toen zijn koninkrijk door Napoleon werd ingelijfd. De invoering van het nieuwe Franse uniform verliep zeer langzaam: het is zeker dat tijdens de veldtocht van 1812 nog vele regimenten van voormalig Hollandse oorsprong hun oude uniformen opdroegen. In het geval van sommige regimenten - zoals de gardegrenadiers - was door de kolonel er ook voor gepleit om zo weinig mogelijk veranderingen in uniformering aan te brengen teneinde nog zoveel mogelijk van de oude voorraden stof te kunnen opdragen.30 De wanorde moet enorm geweest zijn, want in dezelfde jaren werden vele nieuwe jongens voor dienst opgeroepen door de conscriptie en deze jongens werden wel in het Franse blauw gestoken. De economische nood was hoog en kleding was kostbaar. Dat leidde tot grote vindingrijkheid om van kleding geld te maken. Hergebruikt werd kleding van overleden gevangenen en gesneuvelde soldaten; van gevangenen - ook van andere naties - werden uniformen opgekocht; en er werden oude, afgeschreven uniformen aan pupillen uitgereikt. Kapotjassen werden tot het bittere einde hersteld en opnieuw ingezet, en sommige soldaten van garnizoenssteden - zoals in Brielle - hadden in de laatste jaren van het rijk alléén nog maar hun kapotjassen als militaire kledij. De nood die geklaagd werd door Commissaris van Oorlog Chanteau in het Department van de Monden van de Maas spreekt boekdelen.31 Een Nederlandse conscript die werd ingelijfd in een regiment van de zogenaamde 'Jonge Garde' beschreef later dat zijn kolonel de burgerkleding van de jongens had opgekocht om het door te verkopen aan een opkoper en zo winst te maken. Hij kwam bedrogen uit, want de jongens waren op mars naar het dépôt niet zuinig geweest met hun kleding: "Een troep bedelaars kon geen droeviger en haveloozer aanzien hebben dan wij, toen wij naar Parijs trokken, en wat nog goeds aan het kleed was, werd op die reis bedorven..."32

De economische malaîse uit zich ook in de kwaliteit van de gebruikte materialen en de aandacht die aan de afwerking werd besteed (afb. 10). Als algemene regel kan gelden dat het waarschijnlijker is dat stukken uit deze late jaren dateren, wanneer de kwaliteit afneemt. Zo is een Kurtka van een Rode Lansier uit de collectie van het Musée de l'Armee (D0333) alleen al door zijn belabberde stof (weefdichtheid: 14 dr/cm) en ongelofelijk slordige afwerking te dateren op de eindjaren van het regiment, 1813-1814.

Afb. 10 Voering van een dolman van het 11e regiment Huzaren van het Franse keizerrijk, 1812-1813. Duidelijk te zien is het verschil tussen het gebruikte saai (de stof in keperbinding met de kenmerkende diagonalen, rechts) en de wollen voering in platbinding (links). Het gebruik van verschillende stukken reststoffen voor de voering kwam bij manschaps- en onderofficiersuniformen vaker voor. Collectie Musée de l'Armee Parijs. (foto auteur)

Afb. 10 Voering van een dolman van het 11e regiment Huzaren van het Franse keizerrijk, 1812-1813. Duidelijk te zien is het verschil tussen het gebruikte saai (de stof in keperbinding met de kenmerkende diagonalen, rechts) en de wollen voering in platbinding (links). Het gebruik van verschillende stukken reststoffen voor de voering kwam bij manschaps- en onderofficiersuniformen vaker voor. Collectie Musée de l'Armee Parijs. (foto auteur)

 

Een voorbeeld van de onderzoeksmethode aan het uniform van Hendrik Jacobus 't Hart, 2e luitenant van het 8e regiment van linie, 1808/09, 050815

In de collectie van het Legermuseum bevindt zich een prachtige wit met blauw uitgemonsterde uniformjas van het 8e regiment van linie (afb. 11). De jas is werkelijk zo fraai dat het nauwelijks te geloven is dat het stuk 200 jaar oud is, dat het gedragen is en er misschien oorlogen in zijn uitgevochten. Over de rokjas was aanvankelijk niet meer bekend dan dat de jas gedragen zou zijn door `t Hart. Deze toeschrijving komt uit de inventaris van Baron Snouckaert van Schouburg uit wiens verzameling de jas afkomstig is.

Afb. 11 Uniformrok van Hendrik Jacobus 't Hart, 2e luitenant van het 8e regiment van linie, 1808/09. De jas van `t Hart is van prachtige kwaliteit en nauwelijks beschadigd door de tand des tijds. Collectie Legermuseum, 050815.

Afb. 11 Uniformrok van Hendrik Jacobus 't Hart, 2e luitenant van het 8e regiment van linie, 1808/09. De jas van `t Hart is van prachtige kwaliteit en nauwelijks beschadigd door de tand des tijds. Collectie Legermuseum, 050815.

 

De rokjas stamt uit de tijd van het Koninkrijk Holland en komt nagenoeg overeen met de uniformmodellen uit die tijd. De uniformering van het Bataafse leger werd door koning Lodewijk Napoleon in 1806 namelijk volledig gewijzigd, net als de samenstelling. De voornaamste wijziging was het korter worden van de jaspanden en de vorm van de borstkleppen, die nu als het ware een geheel voor de borst vormden. Deze borstklep was naar Pruisisch model. De panden liepen nu aan de voorzijde op hoogte van de middel direct in elkaar over, op navelhoogte. De verandering van snit volgde de Europese modeontwikkeling. De basiskleur was wit. De kleur van de kraag, omslagen van de jaspanden, mouwopslagen en borstkleppen zouden afwijkend zijn, maar gelijk en onderscheidend per regiment. Het 8e regiment van linie kreeg op 17 september 1806 lila, hetgeen op 2 januari 1808 op verzoek van de kolonel van het regiment werd vervangen door koningsblauw omdat de oude kleur (…) niet houd, zelfs niet in het magazijn zonder gedragen te worden.33

De jas van `t Hart is van prachtige kwaliteit. Alle wollen stoffen zijn inlinnenbinding geweven. Van het witte laken is de ketting Z- en de inslag Sgetorst. De stof telt maar liefst 30 draden per cm en ook het donkerblauwe laken met dezelfde torsingen heeft een bovengemiddeld aantal draden, nl. 25 per cm. Microscopisch onderzoek (280x) wees uit dat het witte laken overal van gelijke kwaliteit is en van dezelfde lap stof is gesneden. Het blauwe laken van de manchetten en dat van de plastron toont een iets afwijkend beeld. De wol van de plastron lijkt meer ineen geklit dan die van de manchetten en toont een lichte afwijking in kleur. Dit is echter niet vreemd omdat plastrons door andere kleermakers werden geleverd dan rokken. De jas is gevoerd met helderwit linnen en wordt gesloten met zilveren knopen. Alle naden van de jas zijn met zijden garen handmatig genaaid. De steekafstand is overal even regelmatig. Slechts op een plek bij een verkleuring aan rokpand is katoenen garen gebruikt en wijken de naaisteken af. Dit is duidelijk een restauratie. De jas heeft twee andere reparaties: een op de linkermouw en een op het rechterrokpand in de omvouw. In beide gevallen is de beschadiging rechthoekig weggeknipt. In het ontstane gat is een nieuw stuk laken geplaatst. De jas toont slechts een lichte slijtage op de ellebogen; de omvouw van de panden toont een logische slijtage, evenals de knoopgaten van de plastron. De jas toont geen zweetplekken; de zakken zijn niet of nauwelijks gebruikt. Het is overduidelijk dat de jas niet intensief is gebruikt. Eigenlijk maakt dit argwanend, ware het niet dat archiefonderzoek uitkomst bood.

Hendrik Jacobus de Hart was een zielig geval. De jongen werd, nadat de vader was overleden, op 13-jarige leeftijd door zijn moeder in het leger geplaatst om het kind een toekomst te geven. Volgens de stamboekgegevens had hij een rond voorhoofd, blauwe ogen, bruin haar en een ovaal bleek gezicht. Zijn lengte was ongeveer 1.7034, een lengte die overeenkomt met de maat van de jas. De relatief korte ruglengte duidt op een lichaamslengte van ongeveer 170 cm. De jas heeft gemeten vanaf de bovenwijdte van 94 cm ongeveer maat 44, wat een niet al te brede herenmaat is. Volgens de stamboekgegevens mat hij op 11 maart 1803 (op 17-jarige leeftijd) 5 voet 5 duim en 2 streek. Uitgaande van 31 cm per voet, 2,61 per duim en 1 mm per streek zou `t Hart een lichaamslengte van 155 + 13,05 + 2 mm = 168,2 mm gehad kunnen hebben.

Het 7e regiment van linie waarin `t Hart eerst diende ging op 26 september 1806 over in het 8e regiment. Op dat moment zou hij een lila uniform gekregen kunnen hebben. Men was verplicht twee jaar met een uniform te doen, dus `t Hart zou pas eind september 1808 voor een met blauw uitgemonsterd uniform in aanmerking gekomen zijn. Vanaf 1807 was zijn regiment echter op veldtocht in Duitsland wat de distributie niet vergemakkelijkt zal hebben. `t Hart nam in het voorjaar van 1807 deel aan het beleg van Kolberg. Soldaten die een stad belegerden deden dit vaak onder erbarmelijke omstandigheden, waardoor er velen ziek werden. `t Hart werd ergens in 1808 of 1809 eerste luitenant en kon zich toen een nieuw uniform laten aanmeten. Veel plezier kan hij er niet van hebben gehad want hij overleed op 15 augustus 1809, ook door ziekte. Als `t Hart in 1809 overleed, en de uniformen pas in de loop van 1807/1808 de officieren bereikten, heeft hij het niet lang gedragen, wat een verklaring voor de goede conditie is.

Wel is de jas zoals gezegd gerestaureerd. De knopen van de jas zijn allemaal opnieuw aangezet. Vermoedelijk gebeurde dit ergens in de zeventiger/tachtiger jaren. Waarschijnlijk heeft men de jas gereinigd en de knopen er afgehaald. Een van de manchetten toont bij de aanzet aan de mouw oude gaatjes en nieuwe steken. Waarschijnlijk is het oude garen geheel verteerd en moest het manchet opnieuw worden vastgezet.

De jas is in uiterst goede conditie en met zeer veel aandacht gemaakt van een fraaie kwaliteit laken. De goede conditie klopt met de draaggeschiedenis van de jas. De jas lijkt volgens voorschrift te zijn vervaardigd, maar dit geldt alleen voor het uiterlijk. In het voorschrift is namelijk bepaald, dat officieren een borstklep van fluwelen stof mochten laten maken. 't Hart heeft hier niet voor gekozen. Deze afwijking bevestigt slechts dat nagenoeg elk kledingstuk van een officier een kenmerk van een persoonlijke keuze droeg. Voor wat betreft de authenticiteit van de jas kan slechts één conclusie worden getrokken: origineel.

 

Samenvatting en conclusie van de onderzoeksgegevens

Gedurende de voorbereidingen voor de tentoonstelling Voor Napoleon.Hollanders in Oorlogstijd was er de gelegenheid om van 28 rokjassen uit diverse collecties, landen en tijdsvakken de technische gegevens te noteren (afb. 12). Op die manier is het mogelijk om het beeld dat uit het archiefonderzoek oprijst, te toetsen aan de werkelijkheid die ons via deze collecties is nagelaten. Natuurlijk is enige voorzichtigheid met de conclusies geboden, aangezien het gering aantal objecten ruimte voor toevalligheden openlaat.

Afb. 12 Conservator Dr. S. Letin, Staatsmuseum De Hermitage, Rusland, met de rokjas van Tsaar Alexander uit 1814 en zijn eigen jas. Kennisuitwisseling en internationaal vergelijk zijn van grote waarde voor onderzoek als dit. Dr. Letin was ons zeer behulpzaam. Helaas overleed hij in 2005. (Foto auteur)

Afb. 12 Conservator Dr. S. Letin, Staatsmuseum De Hermitage, Rusland, met de rokjas van Tsaar Alexander uit 1814 en zijn eigen jas. Kennisuitwisseling en internationaal vergelijk zijn van grote waarde voor onderzoek als dit. Dr. Letin was ons zeer behulpzaam. Helaas overleed hij in 2005. (Foto auteur)

 

In de hierbij afgebeelde tabel zijn de gegevens verzameld over de kwaliteit van de gebruikte stoffen voor de basis van de rokjas, de uitmonstering en voor de voering (afb. 13, 14, 15). Daarbij is afgezien van soortnamen, al voldoet bijvoorbeeld het laken van de rokjas van een manschap van het regiment Zwitsers (050795) overduidelijk aan de omschrijvingen van karsaai en vertoont het witte uitmonsteringslaken van de rokjas van een officier van de Franse Chasseurs à Pied (050819) de kenmerken van zogenaamd kasimier35. Omdat die soortnamen echter meer verwarring dan duidelijkheid kunnen scheppen, is ervoor gekozen alleen de grondstof en de bindingsoort te vermelden. Een paar dingen vallen op. In zijn algemeenheid, dat laken met een weefseldichtheid van ongeveer 20-24 draden per cm van een gemiddelde kwaliteit genoemd kan worden. Weefsels met een geringere dichtheid zijn zonder meer van manschappen en onderofficieren. Een goede kwaliteit begint ergens rond de 26, uitschieters boven de 28 kunnen uitzonderlijk genoemd worden. Dat niet alleen de weefdichtheid iets zegt moge duidelijk zijn uit de uniformen van de keizers Napoleon en Alexander, die beide hun kwaliteit danken aan het hoge afwerkingsniveau van het laken (afb. 16).

Afb. 16 De expositie 'Voor Napoleon: Hollanders in Oorlogstijd 1792-1815' met in de voorgrond een rokjas van Napoleon als kolonel van de Nationale Garde, 1815. (Foto Jos Stoopman)

Afb. 16 De expositie 'Voor Napoleon: Hollanders in Oorlogstijd 1792-1815' met in de voorgrond een rokjas van Napoleon als kolonel van de Nationale Garde, 1815. (Foto Jos Stoopman)

 

Het grote verschil tussen de kwaliteit van de kledingstukken van de manschappen en dat van de officieren is hem verrassend genoeg gelegen in de voeringen. Deze variëren bij officieren sterk in gebruikt materiaal, soms nog linnen, maar vaak ook zijde of fijne wol. De weefseldichtheid van deze weefsels is vaak hoog, net als de ‘aaibaarheidsfactor’ van de stof. Blijkbaar vonden officieren het vooral de moeite waard om hier geld aan te besteden - het draagcomfort van de eenvoudige voeringen van de manschappenjassen zal wel niet hoog geweest zijn. Bij vijf van de onderzochte jassen was de voering geheel vernieuwd - jammer, want juist de voering biedt historische informatie over de status en weelde van de drager. Een uitzondering op deze regel wordt gevormd door de Russische uniformen uit 1799 van het Pavlovski regiment, waar het verschil in kwaliteit van het laken tussen het manschaps- en het officiersuniform bijna stuitend te noemen is. In het Russische leger werden de manschappen in deze periode nog altijd door de kolonels gekleed!

Keperbindingen zijn uitzonderlijk en werden bijna alleen in de stof voor het uitmonsteringslaken of de voering toegepast.

In zijn algemeenheid staven de gegevens uit het overzicht inderdaad het beeld dat met name de officierskleding eenvoudiger werd naarmate de jaren verstreken en de oorlogen voortduurde. Geen der jassen van na 1800 kan qua kostbaarheid tippen aan de rokjas waarmee generaal baron Van Boetzelaer zich anno 1793 uitdoste. Dit zal zowel te maken hebben met de pogingen van hogerhand de kwaliteit van de manschapskleding iets op te hogen als de economische malaise, waardoor steeds minder officieren geneigd zullen zijn geweest grote sommen geld in hun kleding te steken.

Iets wat niet uit dit overzicht afgeleid kan worden maar tijdens het onderzoek een belangrijk, terugkerende kenmerk van de kleding was, is de slordigheid waarmee manschaps- en onderofficierskleding werd afgewerkt; in mindere mate geldt dit ook voor de kleding van officieren die niet tot het grote tenue behoort. Zo is het al eerder genoemde vestje van een Garde d'Honneur uit 1813 door de betrokken kleermaker erbarmelijk slecht in elkaar gezet. De naad van het de kraag zit niet in het midden, op enkele plekken zijn stukken ingevuld met losse, ingenaaide stukjes laken en de knopen en knoopsgaten sluiten niet goed op elkaar aan. Toch laten de herkomst, de gebruikte materialen en de maakwijze weinig twijfel aan de authenticiteit. Maar ach, het is ook een goed voorbeeld van het beeld dat uit de archieven oprijst - wie in oorlog is, heeft haast, weinig geld en kijkt niet zo kritisch naar het kleermakerswerk.

 

Noten

  1. Wij mochten onderzoek doen in de collecties van de Hermitage (Sint-Petersburg), Musée de l'Armee en Musée national de chateâu de Fontainebleau (Parijs), Koninklijk Museum voor het Leger en de Krijgshistorie (Brussel), National Army Museum (London), Koninklijk Huis Archief ('s-Gravenhage), Heeresgeschichtliches Museum (Wenen) en diverse particuliere collecties.
  2. Zie: Hardenberg, Overzigt der voornaamste bepalingen betreffende de sterkte, zamenstelling, betaling, verzorging en verpleging van het Nederlandsche leger, sedert den vrede van Utrecht in 1713 tot den tegenwoordigen tijd (Den Haag 1858), p. 102-109.
  3. Dit maakte geen einde aan de malversaties. Weinig manschappen en onderofficieren durfden zich in deze raad tegen de kolonel te keren die op het excercitieplein weer de dienst uitmaakte. Een goed voorbeeld is de geschiedenis van de malversaties van Valentijn van Amende en zijn kolonel James Nicholson, die in 1801 voor de rechter kwamen. Mark van Hattem, Mariska Pool en Mathieu Willemsen, Voor Napoleon. Hollanders in oorlogstijd 1792- 1815 (Bussum 2005) p. 30-33.
  4. In het Stedelijk Museum de Lakenhal te Leiden bevindt zich een stalenboek met deze indeling : Echantillons de la Fabrique de Draps à Leyde, 1775-1800.
  5. Nationaal Archief Den Haag (hierna: NA), Ministerie van Oorlog voor 1813 (hierna: MvO) 2.01.14.02. no 990.
  6. Dr. N.W. Posthumus, De Geschiedenis van de Leidsche Lakenindustrie, II de nieuwe tijd., Den Haag 1939.
  7. Het merinoschaap is kortwollig. De gestrekte vezellengte is 25 – 80 mm.
  8. Resolutien der Agenten van Oorlog.
  9. Rond 1818 telde Nederland in 60 steden dergelijke fabrieken en in talloze kleinere dorpen waren er wolweverijen. De lakennijverheid was een belangrijke industrie. Zie hiervoor: Stof uit het Leidse Verleden. Zeven eeuwen textielnijverheid. (Leiden 1991).
  10. Het verven van de wollen stof kon gebeuren voor het weven, dan sprak men over ‘in de wol geverfd’, of na het weven en dan kreeg men ‘in het stuk geverfd’ laken.
  11. J.H. Hofenk de Graaf, De geschiedenis van de textieltechniek (Amsterdam 1992). p.58.
  12. Noppen is het verwijderen van oneffenheden in een weefsel.
  13. Bewerking voorafgaand aan het spinnen, volgend op het kaarden, waarbij de vezels evenwijdig aan elkaar komen te liggen.
  14. De ruwe wol wordt om het voor het spinnen voor te bereiden, uit elkaar gehaald, uitgespreid en van klitjes e.d. ontdaan.
  15. J.F. Teupken, Kleeding en wapenuitrusting van de Koninklijke Nederlandse Troepen, ingeleid door H.L. Zwitzer, 1978 (facsimile uitgave van de oorspronkelijke uitgave uit 1823), 99.
  16. De herkomstgegevens van de rokjas zijn verloren gegaan. Het museum heeft echter - zie het jaarverslag uit 1938 - van Van Boetzelaer ook een eredegen (Willemstad 1793) in bezit gehad, en bezit een handgetekend, contemporain portret van de generaal in dit uniform (00148310). Het uniform zal, gezien de kostbare uitvoering, van een der weinige opperofficieren van de garde du corps geweest zijn.
  17. De meest voorkomende is de 3-schachts keperbinding.
  18. Een schaap wordt ieder jaar geschoren. De wol van de eerste schering is langer en fijner dan die van de daaropvolgende jaren en wordt lamswol genoemd. Het tweede jaar heet de wol jaarlingswol, het derde en de volgende jaren moederwol. Na ongeveer zeven jaar gaat de wolkwaliteit achteruit en wordt het schaap meestal geslacht. Al deze wol is scheerwol. Wordt de wol van een huid betrokken, dus na de slacht van het schaap, dan heet de wol blootwol of looiwol; deze wol is vrijwel altijd minder van kwaliteit en wordt voor kwalitatief slechte stof gebruikt.
  19. Garen gesponnen van lang, zacht en zwak gekrulde wol, waaruit het korte garen, het strijkgaren, is verwijderd.
  20. NA, MvO 2.01.14.02 no 990
  21. In Engeland wordt saai ‘say’ genoemd en het werd hier veel toegepast als voering voor mantels
  22. Gedenkboek Hilversum 1424-1924
  23. Het vervaardigen van hemden werd uitbesteed aan een ‘hemdemaakster’. Dit was, in tegenstelling tot kleermaker, een typisch vrouwenberoep. Het kleermakersvak was al eeuwen aan mannen voorbehouden. Naaien hoorde ook voor mannen tot de basisvaardigheden van het leven. Soldaten dienden ook hun eigen kleine reparaties uit te kunnen voeren. Niet voor niets kregen zij een naaizakje mee in de ransel.
  24. Teupken, 82
  25. Teupken, 100
  26. Vergelijk bijvoorbeeld de uitvoerige correspondentie van de kolonel van het 9e regiment, Pitcairn, die verzoekt om de omslagen van de jaspanden wit te mogen doubleren, daar de zwarte kleur bij regen door de stof heen sijpelt. Zijn verzoek werd uiteindelijk ingewilligd, zodat een afwijkend model is ontstaan. Archives Nationales, Cabinet Louis Napoleon, p. 81, Pitcairn aan Lodewijk.
  27. Resolutieboek voor den Administratie NA 02A30 inv. nr. 256
  28. Archives Nationales, Cabinet Louis Napoleon, 259, brief van MvO Bonhomme aan Lodewijk, ongedateerd maar voor 1 oktober 1807
  29. NA, MvO, 1286, 'Instructie nopens de Magazijns rekeningen en verantwoording..', 7 mei 1809
  30. Service Historique de l'Armee du Terre, Xab 14, Tindal aan Clarke, 22 oktober 1810
  31. Nationaal Archief, Oorlog voor 1813, 3.02.15
  32. P. Haremaker, Mijne Lotgevallen in Fransche Dienst gedurende de jaren 1813-1814 (Zaandijk 1852) p.24
  33. NA, MvO, 2.01.14.02, 997, brief van kolonel Delisle
  34. NA, MvO, 2.01.16.98. Stamboek 8e regiment van linie
  35. Kasimier heeft in dit geval niets te maken met cashmir, de wolsoort, maar met de weefbinding. Een kasimirkeper is een gelijkzijdige- of dubbelkeperbinding.