Het schilderij: `De Generaal Chassé op de Citadel van Antwerpen, de morgen na het bombardement van de stad op 27 October 1830' als uniformkundig document

 

Generaal D. H. Baron Chassé

 

De Belgische opstand en de krijgsverrichtingen, die het gevolg ervan waren, vonden ook hun weerklank in de kunst.

Een voor Nederland ongekende belangstelling voor het leger en alles wat daarmee samen­hing bracht tal van kunstenaars er toe om militaire onderwerpen, zoals voorvallen uit de strijd om Brussel en de 10-daagse veldtocht, uit te beelden.

Deze schilderijen, tekeningen, litho's en gravures kenmerkten zich veelal door romantise­ring. Wapperende pluimen, steigerende paarden en heldhaftige posen brachten de kleurrij­ke taferelen, die men toen gaarne zag.

Het schilderij van I. Schouwman, dat het onderwerp is van deze studie, geeft een totaal ander beeld.

Het mist alle bovengenoemde elementen en doet eerder denken aan wat de engelsen een `conversation piece' noemen.

De generaal is in gesprek gewikkeld met zijn naaste medewerkers, terwijl links en rechts van hen groepen officieren eveneens staan te discussiëren.

Op de achtergrond de stad, die zwaar gehavend is, en de schepen van het Nederlandse eskader op de Schelde.

Schouwman heeft zijn schilderij zeer grondig voorbereid.

In 1831 maakte hij ter plaatse een groot aantal voorstudies, de meeste voor een deel geaquarelleerd, doch ook enkele in olieverf. Verder een aantal rake potloodschetsen. Behalve portretten omvat deze verzameling ook situatietekeningen en studies van geschut en geschutopstellingen.

Door deze tekeningen ter plaatse en kort na de gebeurtenissen, die het onderwerp van het schilderij vormden, gemaakt, is het schilderij een belangrijke documentatie geworden voor de officiersuniformen uit die periode.

Alvorens tot de bespreking van de afzonderlijke uniformen over te gaan, dienen enkele algemene opmerkingen gemaakt te worden.

De meeste officieren zijn afgebeeld in hun dagelijkse plunje, hetgeen het schilderij een weinig somber en eentonig maakt. Daartegenover staat, dat men nu eindelijk eens een goed inzicht krijgt van wat men toen bij dagelijkse diensten en te velde placht te dragen . . . Hoe luidden de officiële voorschriften? Het mag misschien als bekend worden veronder­steld, dat er op 27 September 1829 nieuwe voorschriften voor de kleding van de troepen te voet waren verschenen.

De belangrijkste wijzigingen hierin bestonden uit de invoering van een nieuw model schako en de vervanging van het betrekkelijk lichtgrijze laken voor de pantalons, kapotjassen en overrokken door een laken van een onaantrekkelijke donkere bruingrijze tint, die `maringo' genaamd werd.

 

De schako, model 1829, was lager en van boven breder dan die van het vorige model. Het garnituur bestond uit de gebruikelijke oranje kokarde met geelkoperen lis en knoop en stormbanden met geelkoperen schubben. Voor de infanterie was er nog een geelkoperen plaat in de vorm van een halve zon, waarop het nummer van de afdeling in wit metaal. Voorts een bolvormige pompon en in grote tenue een staande paardenharen vlam.

De artillerie droeg aan de voorzijde, in plaats van de schakoplaat, de gekruiste kanonnen met kroon; rode bal en zwarte staande vlam.

Voor de officieren waren de versierselen van verguld metaal, de afdelingsnummers van zilver en de vlam gevat in een tulp van verguld metaal.

In kleine en veldtenue was de schako voorzien van een overtrek van zwart gewast linnen, waarop alleen de stormbanden en de bolvormige pompon gedragen werden.

Dit was voor de officieren vaak de aanleiding om in kleine tenue een schako van bordpapier met overtrek te dragen, die aanzienlijk lichter was dan de eigenlijke schako.

De officieren droegen in kleine tenue de overrok van de nieuwe donkergrijze kleur met de kraag in de kleur van de uitmonstering van de rok, behalve de infanterie en de ingenieurs, waar de kragen donkergrijs waren met aan de voorzijden patjes van wit laken voor de infanterie en van blauw laken met rode biezen bij de genie.

Voor officieren zonder troepen waren de voorpanden met ponceaurood laken gevoerd. Op deze overrok werden de epauletten gedragen.

Verder was het de officieren vergund om bij slecht en guur weer een mantel van donkergrijs laken te dragen.

 

Wat is er van dit alles nu op het schilderij te zien?

 

 

Aan de hand van de voorstudies zal getracht worden de verschillende tenues van de belangrijkste figuren te analyseren.

In de middengroep ziet men de centrale figuur van het schilderij, de generaal D.H. Baron Chassé. Hij draagt de grijze overrok met ponceaurode kraag, waarop de gouden epauletten van zijn rang; grijze pantalon en de hoed, kleine tenue, met witte staande pluim. Hij draagt geen sjerp.

Rechts van hem staat de luitenant-generaal Karel Bernhard, Hertog van Saxen Weimar, die op dezelfde wijze gekleed is. Hij draagt echter de overrok met de voorpanden van boven omgeslagen, zodat de rode voering zichtbaar is en daardoor de uniform iets levendiger

wordt. Verder draagt hij de oranje sjerp om het middel en de degen in een stalen schede met 2 ringen aan een smalle zwartlederen koppel met 2 afhangriemen. Deze wijze van dragen van de degen was gebruikelijk voor officieren van de verschillende staven en van de artillerie, die te paard dienst deden.

Iets meer naar achteren staat de generaal-majoor C. A. de Favauge, commandant van de infanterie op de citadel. Deze draagt de normale generaals-uniform, donkerblauwe rok met rode uitmonstering, brede gouden galons om kraag en opslagen; grijze pantalon en de hoed met de staande witte panache.

Rechts achter hem is nog het hoofd van de kapitein Schlarbaum, adjudant van de Hertog van Saxen Weimar te zien.

Hij draagt de overrok met rode kraag en de hoed met zwarte pluim.

De twee overige figuren in de rechterhelft van de hoofdgroep zijn de majoor H. G. Seelig, commandant van de artillerie en de majoor J. M. , baron van der Wyck, commandant van de genie.

De majoor Seelig draagt de gewone artillerie-rok met zwartfluwelen kraag en rode biezen. Hierbij op het schilderij de schako zonder overtrek, met gouden bolvormige pompon, terwijl op de geaquarelleerde voorstudie de schako met overtrek staat afgebeeld.

De majoor Van der Wyck draagt de donkergrijze overrok met de voorgeschreven blauwe patjes op de kraag en de voorpanden van boven opengeslagen. Donkergrijze pantalon met rode bies, hoed met panache van zwarte, hangende hanenveren. De degen in stalen schede draagt hij opgehaakt aan de metalen haak op de voorste afhangriem.

In de linkerhelft van de middengroep valt in de eerste plaats de aandacht op de luitenant­kolonel Jhr. H. E. de Boer, chef-staf van de generaal Chassé.

Hij draagt de rok van de Generale Staf met karmozijnrode uitmonstering; gouden lissen op kraag en opslagen; hoed met staande zwarte pluim.

Meer op de voorgrond de luitenant-kolonel Rupertus van de infanterie, die bij de grijze overrok de hoed draagt, hetgeen buiten dienst was toegestaan.

De meest opvallende figuur is misschien de kapitein ter Zee J. C. Koopman, commandant der flottille voor Antwerpen. Hij is gekleed in de kleine tenue-rok van de marine-officieren met omliggende kraag en brede revers, waarbij hij merkwaardigerwijze het witte vest van de grote tenue draagt. Verder wordt hij gekenmerkt door zijn marinesabel en door het onmisbare attribuut van de zeeman, de zeekijker.

Links naast hem staat de intendant Van den Bergh in de eenvoudige donkerblauwe rok met gouden borduursels op de kraag en opslagen.

Op de tweede rij, rechts achter de kapitein ter zee Koopman, ziet men nog het hoofd van de kapitein J. P. W. Hombach, adjudant van de generaal Chassé. Hij draagt de hoed met de zwarte pluim van hangende hanenveren en de donkergrijze overrok met rode kraag van de adjudanten.

Op een fraaie, gekleurde voorstudie ziet men, dat hij de panden van de overrok tot op de onderste knoop na opengeslagen heeft, waardoor een groot deel van de ponceaurode voering zichtbaar is. Een typisch mode-verschijnsel uit die dagen, waarbij duidelijk een Russische invloed te bespeuren valt.

De groep op de linkerzijde van het schilderij bestaat voornamelijk uit subalterne officieren van de infanterie en artillerie. De meest opvallende figuur is wel de kapitein C. Alewijn van het Korps ingenieurs. Hij is gehuld in een lange donkerblauwe mantel met platte omliggen­de kraag. Dit is weer een eigenaardige afwijking van de reglementen, die spreken van een donkergrijze mantel.

Bij deze blauwe mantel wordt een kwartiermuts van dezelfde kleur met rode uitmonstering gedragen. Deze laatste is volkomen reglementair wat de vorm betreft, hetgeen bij verschil­lende andere officieren op het schilderij niet het geval is. Zo draagt b.v. de eerste luitenant De Mondolphe, links op de voorgrond, zijn kwartiermuts schuin over het rechteroog getrokken. Blijkbaar werd dit eleganter en vlotter gevonden dan de normale wijze van dragen, aangezien verschillende jongere officieren dit zo deden.

 

De overige officieren van deze linker groep zijn vrijwel allen gekleed in de overrok, al of niet met de sjerp om het middel. Men kan de officieren van de artillerie door de zwartflu­welen kraag met rode biezen gemakkelijk onderscheiden van die van de infanterie, die op de kraag slechts witte geschulpte patjes droegen.

Bij de schako's is ook een zekere verscheidenheid op te merken. Sommigen dragen hierop de stormbanden, zoals voorgescheven was, op het overtrek. Anderen daarentegen hebben zich blijkbaar een bordpapieren schako aangeschaft. Deze zijn goed te herkennen aan de keurige regelmatige plooien en de brede band onder aan het overtrek.

De groep op de rechterhelft van het schilderij is op analoge wijze samengesteld, doch veel kleiner.

Ook hier valt dadelijk een officier in een blauwe mantel op. Deze mantel is echter veel korter dan die van de kapitein Alewijn, want de overrok komt er nog vrij ver onder uit. Men ziet verder weer hetzelfde beeld als in de hierboven beschreven groep, n.l. verscheidenheid in de schako's en in de kwartiermuts. Behalve de scheefgetrokken muts van de 1e luitenant L. van Driel ziet men uiterst rechts nog een andere modieuze variatie van de kwartiermuts, n.l. een pet met een vrij smalle bodem.

Ten slotte heeft de schilder op de voorgrond nog wat kleur in het schilderij gebracht door daar een marinier in grote tenue, met de rode pluim op zijn leren hoed en een sappeur van de infanterie met zijn grote kolbak neer te zetten.

De artilleristen op de achtergrond brengen daar wel wat leven, maar de figuren zijn te klein om uniformkundige details op te leveren.

Alles bij elkaar genomen kan men tot de conclusie komen, dat 150 jaar geleden het afwijken van de gegeven voorschriften ook al gebruikelijk was.

 

1e Lt. J. C. C. d'Horion de Corbij(7e Afd. Inf.)Aquarel door I. Schouwman 1831. Een uitstekend voorbeeld van eenmodieuze uitvoering van de kwartiermutsvoor de officieren, de bolsmaller en hoger dan die van hetstandmodel en voorzien van een lederenstormband.

 

Li. de Intendant Van den Berg, hier in burgercostuumgetekend, doch op het schilderijin uniform. Re de kapt. J. P. W. Hombach,adjudant van de generaal Chassé.Naar het leven geteekend door I. Schouwmanop de Citadel bij Antwerpen 1831.De kapt Hombach laat zien, hoe men, doorhet omslaan van de met rood laken gevoerdevoorpanden, de overrok een vlotter en kleurrijkeraanzien kon geven.

 

V.l.n.r. No 27, kapt. J. C. Anemaat (7e Afd. Inf); No 26 Maj. C. Buseck (9e Afd+Inf.); No 25 kapt. C. Alewijn (ingenieur); No 23 kapt. C. D. Schutter (3e Batm. Art.Nat. Mil); No 24 kapt. M. C. Ampt, (9e Afd. Inf.); No 22 kapt Van HoeySchilthouwer van Oostee (3e Batn Art. Nat Mil.); leLt adj. Doorman, adj. v.d. MajSeetig; No 20 Maj. J. H. Voet (10e Afd. Inf.).Deze acht portretten naar het leven ge teekend op den Citadel bij Antwerpen door I.Schouwman, 1831.Behalve de kapt. Alewijn, die in het artikel uitvoerig vermeld is, vallen de verschillenin de schako's hier duidelijk in het oog.

 

Van li. n. re.: No 14, kaptSchlarbaum, adj. van deHertog van Saxen Weimar;No 9 maj. H. G. Seelig,comm. v.d. Art. op de citadel;No 10 Maj. J. M., baronvan der Wyck, comm. derGenie.Naar het leven geteekend opde Citadel bij Antwerpendoor I. Schouwman, 1831.potlood en aquarel.De pluimen op de hoeden vande kapt. Schlarbaum en vande maj. Van der Wyck behorenzwart te zijn, doch hierwit gelaten om de tekeningvan de veren beter te latenuitkomen.De maj. Seelig, draagt op hetschilderij de schako zonderovertrek.

 

Iconografie 

I. Schouwman: `De generaal Chassé op de citadel van Antwerpen, de morgen na het bombardement van de stad op 27 october 1830.'
Olieverf, doek, gesigneerd I. Schouwman 1832.
K.N.L.W.M. Leiden

 

Aanwijzing voor de Plaat voorstellende een gezigt op de Stad Antwerpen den Morgen van den 28 october 1830.
Voorstudies, tekeningen en portretten, gedeeltelijk in aquarel, voor bovenge­noemd schilderij.
Atlas Van Stolk Rotterdam.