Geweergranaten: artillerie voor de infanterist

door Ron Knip

R.C.A. Knip (1938) is sinds 1998 als vrijwilliger voor wapen- en munitietechniek aan het Legermuseum verbonden. In dit artikel beschrijft hij de historie van de geweergranaat en de omstandigheden die hebben geleid tot de invoering van een granaatwerper voor het Diemaco geweer bij de Koninklijke Landmacht.

 

Inleiding

In juli 2001 werden door de Koninklijke Landmacht bij Heckler & Koch GmbH 1.000 granaatwerpers HK AG-C 40 mm besteld. Zij zijn bestemd voor montage onder het standaard infanteriegeweer Diemaco C7 en de karabijn C8. De levering is in het najaar van 2003 gerealiseerd, zodat nu het moment is gekomen om de historische ontwikkeling van het verschijnsel 'geweergranaat' eens onder de loep te nemen.

 

Tactische noodzaak

Tijdens de Japans-Russische oorlog van 1904-1905 bleek vooral de enorme uitwerking van de toen nieuwe mitrailleurs het strijdtoneel voorgoed te hebben veranderd. Geen heroïsche, massale infanterie- en cavalerieaanvallen in open terrein, maar in plaats daarvan een strijd tussen goed verschanste tegenstanders in loopgraven met prikkeldraadversperringen. De infanterist in de voorste linies moest kunnen rekenen op vuursteun van zijn eigen artillerie om een aanval af te slaan, of om bij een eigen aanval de verdedigers te dwingen dekking te zoeken. In theorie was dat natuurlijk goed geregeld met communicatie tussen beide wapens door middel van telefoon, heliograaf, seinpistolen en ordonnansen. In de praktijk kwam het er echter vaak op neer dat die verbinding niet functioneerde en dan was de infanterie op zichzelf aangewezen.

Het was dan ook met name tijdens het beleg van Port Arthur, dat soldaten zich gingen behelpen met geïmproviseerde handgranaten, spoedig gevolgd door fabrieksmatig vervaardigde exemplaren. Vanaf die tijd had de handgranaat zijn plaats in de bewapening hervonden. Hervonden, omdat reeds vanaf de zestiende eeuw handgranaten gebruikt werden tijdens belegeringen, maar in de negentiende eeuw in onbruik waren geraakt.

Een met de hand te werpen granaat mag echter niet veel zwaarder zijn dan een halve kilo en kan maximaal 30 meter ver worden gegooid. De minimum dracht van de toenmalige loopgraafmortieren was ongeveer 100 meter, zodat het gebied daartussen onbestreken was. Een soort vestzakartillerie voor de infanterist werd derhalve gewenst.

Al eerder waren voor het verder werpen van handgranaten speciaal daartoe vervaardigde geweren in gebruik (afb. 1), maar het idee om hiertoe het geweer van de infanterist zelf te gebruiken, moest nog worden geboren.

 

Afb. 1. Een Franse vuursteen granaatwerper met projectiel, kaliber 68 mm. Vervaardigd tussen 1792 en 1804 te Maubeuge.
(Collectie Prummel) 

 

Het begin

In 1907 kwam een Engelse uitvinder, Martin Hale, op het idee om de door hem ontworpen schokhandgranaat[1] met een geweer te verschieten.

De granaat bestond uit een messing cilinder geladen met 113 gram Tonite.[2] Centraal in de cilinder bevond zich een buisje met daarin een verzwaarde slagpin, die door een zwakke veer werd verhinderd het slaghoedje in de kop te raken. Na verwijderen van een veiligheidspin en het afvuren (of werpen) van de granaat kon de slagpin de veerkracht overwinnen en de granaat tot ontploffing brengen, zodra het projectiel door het raken van het doel tot stilstand kwam.

Om de messing cilinder heen was een gesegmenteerde gietijzeren mantel geklemd, die door de explosie in een groot aantal werkzame scherven werd verdeeld (afb. 2).

 

Afb. 2. Engelse 'Pattern J' geweergranaat met steel in de loop van een Lee Enfield geweer Nr. 1 Mk II*. De messing ring onder de granaat is een soort propeller, die door de langsstromende lucht gaat draaien en de slagpin pas na enkele tientallen meters vrijgeeft.

 

Hale voorzag zijn granaat van een in de geweerloop passende ijzeren steel en verschoot het geheel met een speciale patroon zonder kogel. (Men verwarre dit soort patronen niet met de zogenaamde 'losse flodders' voor oefendoeleinden, want de kruitlading is veel krachtiger; in de Nederlandse militaire terminologie spreekt men van afvuur- of gasdrukpatroon.)

Voor Hale had de steel nog een bijkomend voordeel, want zijn granaat moest voor de goede werking het doel raken met de kop vooruit. Zijn handgranaat had hiertoe aan de achterzijde een aantal linten, die voor stabiliteit in de vlucht zorgde en de steel nam die taak over bij de geweergranaat. Met een Lee Enfield geweer kon het projectiel circa 270 meter ver worden verschoten.

Hale slaagde er in de Cotton Powder Company te Faversham in Kent voor zijn uitvinding te interesseren en deze firma organiseerde in 1908 een demonstratie voor de militaire attachees van de vele ambassades in Londen.

Zoals te verwachten was had de conservatieve Britse legerleiding geen belangstelling voor het project, want hoewel de behoefte aan een geweergranaat werd onderkend, ontwikkelde men liever zelf iets dan octrooirechten te moeten betalen aan een particuliere fabrikant. Het systeem werd wel gekocht door Spanje, dat er met succes gebruik van maakte in Marokko (1909/1910). Ook het Duitse leger plaatste een kleine order, voornamelijk om ervaring op te doen. Later zou dan ook blijken dat men het systeem vrijwel gekopieerd had.

 

De Eerste Wereldoorlog (1914-1918)

In de eerste maanden van de oorlog was er weinig behoefte aan hand- en geweergranaten. Pas toen na de Slag aan de Aisne de loopgravenstrijd begon, herleefde de handgranaat pas echt. Aanvankelijk weer met improvisaties en modellen die zich niet leenden tot verschieten met een geweer. Speciale werptoestellen op basis van middeleeuwse katapulten en kruisbogen werden uitgedacht. Ook in het gemobiliseerde Nederland ontwierp men een toestel om de schokhandgranaat weg te slingeren (afb. 3). Duitsland had echter in 1913 wel een bruikbare geweergranaat ingevoerd, op basis van het Hale-systeem, waarbij de messing cilinder en de scherfmantel waren vervangen door één gietijzeren, voorgesegmenteerd, granaatlichaam. Engeland koos in februari 1915 voor het 'Pattern J' model, in feite een geautoriseerde kopie van het ontwerp van Hale. Nu kleven er aan het verschieten van een geweergranaat met behulp van een steel in de geweerloop verschillende nadelen: de terugstoot is enorm, waar zowel de schutter als het wapen de gevolgen van ondervinden. De lopen worden snel ontzet, de geweerkolven beschadigd en na een tiental schoten is de loop niet meer geschikt voor het geven van een nauwkeurig geweerschot. De schutter plaatste het wapen meestal met de kolf op de grond, of in een speciaal soort statief om de terugstoot niet zelf te hoeven opvangen. Desastreus is daarnaast het per ongeluk gebruiken van een normale patroon met kogel, in plaats van de speciale, kogelloze, afvuurpatroon: het wapen wordt opgeblazen, de schutter zwaar gewond en in de meeste gevallen explodeerde de geplaatste geweergranaat ook nog, met alle gevolgen van dien. In de hitte van de strijd is een dergelijke verwisseling snel te verwachten en ook meerdere malen voorgekomen.

 

Afb. 3. Nederlandse handgranaatwerper (inv. nr. 0059870) met schokhandgranaat (inv. nr. 005249). Volgens voorschrift Handgranaten No. 68b uit 1932 waren er twee man nodig voor het spannen van de werparm. De werpafstand van 80 meter kon tot 100 meter worden vergroot door een gedeelte van de staart van de schokhandgranaat af te snijden.

 

De Franse kapitein Viven-Bessières ontwikkelde een geheel nieuw principe, waarbij een normale, scherpe patroon kon worden gebruikt voor het verschieten van de geweergranaat. Hij ontwierp een trechtervormige schietbeker, die met een simpele bajonetsluiting op het Lebel geweer Model 1886 kon worden bevestigd. Zijn granaat 'V.B.', die tot 1940 in gebruik zou blijven, bestond uit een gietijzeren lichaam, dat paste in de schietbeker en voorzien was van een axiale doorboring, iets groter dan het kaliber van het Lebel geweer (8 mm). Bij het afgaan van het schot kon de kogel van de normale patroon daar doorheen en zorgde de resterende gasdruk voor het uitstoten van de granaat met een bereik van ongeveer 170 meter. Tijdens het passeren van de kogel door de granaat raakte deze een slagpennetje, dat op zijn beurt via een slaghoedje een vertragingslading ontstak, die na circa 8 seconden brand- (en vlucht-)tijd, de springlading van de granaat tot ontploffing bracht.

Hoewel de terugstoot nog hevig was, kon het wapen toch vanaf de heup worden afgevuurd, was er geen gevaar voor verwisseling van patronen en hoefde de schutter niet een aantal onhandige granaten met steel bij zich te dragen. Bovendien had het systeem van tijdontsteking nog het voordeel dat men de granaat boven de vijand tot explosie kon brengen, in plaats van voor een deel gesmoord in de bodem van het slagveld. Een klein nadeel bij het V.B. systeem was het feit dat de kogel van de normale scherpe patroon zich een paar kilometer in de richting van de vijand beweegt. In oorlogstijd natuurlijk geen bezwaar, maar als men met de granaat wil oefenen, zal er een groot schietterrein moeten worden gevonden om dit zonder risico te doen (afb. 4). Het V.B. systeem werd een succes en de meeste oorlogvoerenden namen het tenslotte over. Ook het Engelse leger koos uiteindelijk voor een schietbeker, maar bleef bij het gebruik van een speciale afvuurpatroon. Alleen de Engelsen bleven bij het oorspronkelijke idee om normale handgranaten met een geweer te verschieten. Zij kozen daartoe de (tijd)handgranaat van Sir William Mills (1856-1932), die aanvankelijk werd voorzien van een steel in de bodemschroef, maar later van een bodemplaat, die in de schietbeker paste. Alleen al in de periode van juli 1915 tot en met november 1918 heeft men in Engeland 68.329.245 Mills granaten vervaardigd, ofwel circa 56.100 per dag![3] In de collectie van het Legermuseum bevinden zich een tweetal Lee Enfield geweren met dergelijke schietbekers, die tot rond 1950 ook nog in de Nederlandse bewapening zijn geweest (afb. 5).

 

Afb. 4. Servische soldaat aan het westelijk front uitgerust met geweer Lebel M1886/93, voorzien van schietbeker 'Viven-Bessiéres'.

 

Afb. 5 Engelse 'Mill's Nr. 36' handgranaat in 'Discharger, 2 112 in. Grenade, Wo. 7' op een Lee Enfield Nr. 1 Mk III geweer (inv. nr. 000717 en 005385). Vóór het afvuren dient de veiligheidsring van de granaat verwijderd te worden.

 

Het Interbellum

In de periode tussen de twee wereldoorlogen was er bij de westerse democratieën weinig belangstelling voor het ontwikkelen van nieuwe wapensystemen en zeker niet op gebied van geweergranaten. Wat zich in de 'Grote Oorlog' bewezen had werd gehandhaafd, zoals de V.B. en de Mill's granaten en men waande zich daarmee voldoende uitgerust.

In Nederland, waar tijdens de mobilisatie van 1914-1918 geen geweergranaten in de bewapening waren, heeft men van 1916 tot 1938 gezocht naar een voor onze M95 geweren geschikte geweergranaat. De ontwerpen en proefnemingen staan uitvoerig beschreven in het boek Nederlandse vuurwapens: Landmacht en Luchtvaartafdeling van G. de Vries en B.J. Martens, zodat er in dit artikel niet verder op ingegaan zal worden.

De eindconclusie luidde dat de M95 wapens weinig geschikt waren voor gebruik met geweergranaten, zodat van invoering werd afgezien.

In Noorwegen trachtte de ontwerper N.W. Aasen een merkwaardige contraptie op de markt te brengen, waarvan in de bibliotheek van de Artillerie Inrichtingen een verkoopfolder is aangetroffen. Hierbij werd vlak voor de kamer van een standaardgeweer een gasaftapboring aangebracht. Het drijfgas van een normale patroon kon dan worden gebruikt om via een terugslagventiel en een gasregelaar een ouderwetse ronde granaat met drijfspiegel te verschieten uit een bovenop de loop gemonteerde schietbuis[4]. Aasen claimde een dracht van 450 meter, maar het systeem is nergens ingevoerd.

In Italië werd in 1928 een granaatwerper ingevoerd, die gemonteerd was aan de rechterzijde van een Mannlicher-Carcano karabijn model 91 TS en gebruik maakte van de grendel van de karabijn zelf. Wilde men de granaatwerper gebruiken, dan moest de grendel van de karabijn zelf worden uitgenomen en in de granaatwerper geschoven. De granaat van maar 38 mm diameter had een doorschotkanaal en kon met een normale scherpe patroon circa 200 meter ver worden verschoten. Hoewel men met het idee van een aangebouwde granaatwerper ongeveer veertig jaar vooruit liep op de ontwikkelingen, voldeed het systeem toen kennelijk nog niet, want in 1934 werd het alweer uit de bewapening genomen.

In Duitsland ontwikkelde men een interessant geweergranaatsysteem op basis van het schietbeker/afvuurpatroon principe, maar met dien verstande, dat de schietbeker was voorzien van trekken en velden en de granaat van een voorgetrokken geleiband. Hierdoor kon veel nauwkeuriger worden geschoten, daar de granaten door de rotatie een stabiele baan volgden. De schietbeker kon snel en eenvoudig worden geplaatst op alle Mauser 98k geweren en er was een speciaal vizier beschikbaar, dat aan het geweer kon worden geklemd (afb. 6). De daarbij ontwikkelde geweergranaat had oorspronkelijk een gevoelige schokbuis en een tijdontsteking, voor het geval dat bij verre schoten de schokbuis zou weigeren, maar kon ook als (tijd-) handgranaat worden gebruikt en was tamelijk gecompliceerd van constructie. Door de kleine diameter van de granaat (30 mm) was de uitwerking relatief gering, maar door de mogelijkheid zuivere treffers te kunnen plaatsen, toch zeer efficiënt. Bovendien was de granaat gevuld met de uiterst krachtige springstof pentriet, die voor artillerie-projectielen te gevoelig is, maar bij de geringe versnelling van een geweergranaat nog net bruikbaar. Naast de brisantgranaat waren ook rook-, licht- en propagandagranaten beschikbaar, terwijl de Wehrmacht in de loop van de Tweede Wereldoorlog nog antitank granaten invoerde[5].

 

Afb. 6. Duitse onderofficier demonstreert het laden van een geweergranaat in de (getrokken) schietbeker van de karabijn 98k. Reproductie van een foto uit Waffen Revue.

 

In Japan werd een kopie van de getrokken schietbeker in gebruik genomen voor het Arisaka geweer, waarvan een exemplaar zich in de collectie van het Legermuseum bevindt (inv.nr. 000566).

In Rusland werd in 1930 een schietbeker voor het Mosin-Nagant geweer ingevoerd, systeem Djakanov, een samenraapsel van de tot dan toe gebruikelijke principes. Het was een getrokken beker, de granaat had een doorschotkanaal en kon dus met een scherpe patroon worden gelanceerd. Voor de ontsteking had het voorgesegmenteerde projectiel een instelbare tijdbuis van 3 tot 12 seconden. Met de normale geweerpatroon kon de geweergranaat tot 300 meter worden verschoten, maar voor afstanden van 300 tot 900 meter kon een extra drijflading van 2,5 gram in de bodem van de granaat worden aangebracht.

 

De Tweede Wereldoorlog

Tijdens de Duitse opmars in mei 1940 door Nederland, België en Frankrijk bleek al snel dat de infanterist vrijwel weerloos was tegen tanks. Waren de tanks uit de Eerste Wereldoorlog nog wel te bestrijden met de zogenaamde anti­tankgeweren van 13 tot 20 mm kaliber, waarop men ook zijn hoop in het begin van de Tweede Wereldoorlog had gevestigd, de tanks van de nieuwe generatie waren veel zwaarder gepantserd en frontaal vrijwel onkwetsbaar voor ballistische projectielen van antitankgeschut tot aan 37 mm toe. Bovendien waren dat soort wapens ook nog veel te zwaar voor infanteriegebruik, er moest een andere oplossing worden gezocht.

Nu hadden al in 1938 twee Zwitserse uitvinders, Matthias en Mohaupt, aangekondigd dat zij een geheel nieuwe springstof hadden ontwikkeld. Zij demonstreerden hoe met hun explosieve projectielen pantserplaten konden worden doorboord, maar hielden het principe strikt geheim en eisten grote bedragen voor licentierechten. Een bij die demonstratie aanwezige chemicus van het Armament Research and Experimental Establishment uit Woolwich, kwam al snel tot de ontdekking dat de slimme Zwitsers niets anders dan normale TNT (trinitrotoluol) gebruikten, maar opnieuw het 'Monroe Effect' hadden ontdekt. Dit principe was in 1888 aangetoond door een professor C.E. Monroe, werkzaam bij de Amerikaanse Marine Academie. Hij had aangetoond dat een uitholling in een springstoflading op een staalplaat zorgde voor een sterk verhoogd effect. Later bewees de Duitse ingenieur Egon Neumann dat het bekleden van die uitholling met metaal en het nemen van enige afstand tot de staalplaat zelfs voor doorboring kon zorgen. Dit principe van de 'holle lading' was ten tijde van de ontdekking voor niemand van belang, maar werd nu uiterst interessant.

In Duitsland had men deze techniek al snel onderkend en speciaal voor de luchtlandingstroepen een antitankgeweergranaat ontwikkeld, de GGIP 40. Omdat het holle lading effect verminderd wordt door rotatie van het projectiel, werd geen gebruik gemaakt van de inmiddels ingevoerde getrokken schietbeker. In plaats daarvan werd een schiettap vervaardigd: eigenlijk een verlengstuk van de geweerloop, met een buitendiameter van 24 mm. De schiettap kon op alle Mauser geweren net zo worden bevestigd als een bajonet. Over het verlengstuk werd de van stabilisatievinnen voorziene granaat geschoven, die daarna met behulp van een afvuurpatroon kon worden gelanceerd. De granaat had een werkzame dracht van 275 meter en kon 35 mm pantserstaal doorboren. Door een speciaal vizier en een uitklapbare korrel op de schiettap kon met dit projectiel vrij nauwkeurig worden geschoten. Doordat in het begin van de oorlog de Fallschirmjäger weinig met tanks in aanraking kwamen is de granaat niet veel gebruikt en uit productietechnische overwegingen vervangen door exemplaren, die uit de standaard Wehrmacht schietbeker konden worden verschoten. Dit waren ook projectielen met een holle lading, die in de loop van de oorlog steeds groter werden, om gelijke tred te houden met de steeds zwaarder wordende pantservoertuigen. Zo had men de Gewehr-Panzergranate 30, 40, 46 en 61, waarbij de getallen de diameter van de gevechtskop in millimeters aanduidden.

Terug naar de chemicus uit Woolwich, die voor Engeland net op tijd de anti­tankgranaat Nr. 68 heeft kunnen ontwikkelen. Net op tijd, want door de overhaaste evacuatie uit Duinkerken, was het Britse leger vrijwel alle wapens kwijtgeraakt en moest men zowel het reguliere leger als de Home Guard voorbereiden op de massale 'Panzereínsatz' die, naar gevreesd werd, de Duitsers bij een eventuele invasie zouden meebrengen.

De granaat Nr. 68 kon 50 mm pantserstaal doorboren en werd verschoten vanuit de standaard 2 inch schietbeker voor de handgranaat. De werkzame dracht was circa 70 meter en stabilisatie in de vlucht werd bereikt door 4 vinnen. De prestatie op het doel was voor die tijd (1940) ongekend groot, maar door de kromme baan was het uiterst moeilijk een pantservoertuig daadwerkelijk te treffen (afb. 7).

 

Afb. 7. Engelse Home Guard oefent met anti-tank granaat Nr. 68. De sterk gekromde baan maakte de kans op een treffer zeer gering. Reproductie van een foto uit Waffen Revue.

 

Toen Amerika aan de oorlog ging deelnemen, was er in de bewapening geen geweergranaat aanwezig. In de Eerste Wereldoorlog had men gebruik gemaakt van Engelse en Franse granaten en zelf niets ontwikkeld. Men was onder de indruk van de door de Britten op Kreta buitgemaakte Duitse schiettap voor de GGIP 40 granaat en besloot iets dergelijks te ontwikkelen voor de eigen infanteriewapens. Zo ontstond voor het Springfield geweer 1903 de schiettap M1, voor het Garand geweer de M7 en voor de Winchester karabijn de M8.

Als munitie werd gebruik gemaakt van een eenvoudige adapter M1A1, waarmee de normale handgranaten konden worden omgebouwd tot een vingestabiliseerde geweergranaat. Een slim schuifje zorgde daarbij voor het vasthouden van de granaatbeugel na het verwijderen van de veiligheidspin (afb. 8). Zodra het schot afging, bleef het schuifje door de traagheid achter en kon de beugel losspringen, daarmee de tijdontsteking van de handgranaat in werking stellend.

 

Afb. 8. Verlichtingshandgranaat Mk 1/0 met geweergranaatadapter M1A1 (inv. nr. 031612). Na het verwijderen van de veiligheidsring, houdt het schuifje de granaatbeugel op zijn plaats, totdat het door de schok van het afvuren achterblijft en dan de beugel vrijgeeft, waarna de tijdontsteking in werking treedt.

 

Later werd ook een adapter M2(T2E1) gefabriceerd voor het verschieten van rook- en (traan)gasgranaten. Voor tankbestrijding werd de (holle lading)gevechtskop van de 2.36" raketwerper M9 geschroefd op een adapter M17, waardoor de antitankgeweergranaat M9A1 ontstond (afb. 9). Deze granaat kon tot 100 mm pantserstaal doorboren, maar beschikte ook over een tot op 50 meter dodelijke scherfwerking. Zij is met veel succes toegepast bij de bestrijding van Duitse sluipschutters, die zich in bomen hadden genesteld. De gevoelige schokbuis sprak al aan op het kleinste takje en de scherfwerking deed de rest. Ook de Britten namen de M9A1 geweergranaat over met een speciale schiettap voor het Lee Enfield geweer Nr. 4 en na de oorlog is de granaat ook nog enkele jaren in de Nederlandse bewapening geweest. Samen met de schiettap werd voor de verschillende wapens een speciaal vizier ontwikkeld, waarmee zowel direct als indirect (krombaan) kon worden gericht. Bij indirect vuur werd het wapen onder een vaste hoek, meestal 45°, op de grond geplaatst en werd de granaat meer of minder ver op de schiettap geschoven. Daardoor werd de kracht van de afvuurpatroon respectievelijk maximaal gebruikt, of afgezwakt. Hiertoe waren op de schiettap markeringen en groeven aanwezig waar de granaat in vastklikte, om zo de vereiste schootsafstand te bereiken. Om die schootsafstand verder te vergroten werd naast een afvuurpatroon bij de M9A1 granaat ook een M7 Cartridge, Grensde, Auxiliary verpakt, door de G.I.'s 'vitaminepil' genoemd.[6] Dit was een met 20 grafins IMR 4809 kruit gevuld messing huisje met een rand, dat in de schiettap werd geplaatst voordat daar de granaat overheen werd geschoven[7]. Met deze extra drijflading kon de dracht ongeveer 50 yards (45 meter) vergroot worden. Met het Garand geweer onder een hoek van 45 graden betekende dat dan 330 yards (300 meter), waarbij de granaat geheel over de schiettap diende te worden gepositioneerd.

 

Afb. 9. Manschappen van de 30e US Infantry Division op het Onze Lieve Vrouwplein in Maastricht tijdens de bevrijding op 14 september 1944. De man links draagt, tegen de voorschriften in, een M9A1 geweergranaat op de adapter van zijn Garand geweer.

 

Voor het krijgen van ervaring waren herstelbare oefengranaten beschikbaar. Een heel apart gebruik werd gemaakt van de oefengranaat M11A2: men kon er telefoonkabels mee verschieten over hindernissen als rivieren of prikkeldraadversperringen.

De gevoeligheid van de M9A1 granaat had ook een keerzijde: zo is er een geval bekend waarbij een Nederlandse militair tijdens een Politionele Actie beide benen verloor, doordat hij een dergelijke granaat liet vallen. Hij had de granaat schietklaar op de adapter gehad en de veiligheidspin vast uitgenomen. Doordat de noodzaak tot verschieten er niet meer was, wilde hij de granaat weer opbergen, maar vergat daarbij de veiligheidspin weer aan te brengen.

De diameter van 7/8 inch (22 mm) van de Amerikaanse schiettap zou later de norm worden voor alle NAVO-geweergranaten.

 

Politiegebruik

Naast het militaire gebruik van brisante geweergranaten is er ook een politionele toepassing van de geweergranaat, namelijk het verschieten van traangasgranaten. Al in 1912 werd in Parijs voor het eerst gebruik gemaakt van een dergelijk projectiel bij het 'uitroken' van een zich verschanst hebbende bende criminelen.

In Nederland werd in 1963 de Winchester karabijn ingevoerd bij de Mobiele Eenheden van de Gemeentepolitie.

Aanvankelijk werd met deze karabijn de gecombineerde traangashand- en geweergranaat LAC M1 van de Fabrique Nationale d'Armes de Guerre uit Herstal (FN) verschoten. Deze granaat was voorzien van een kunststofsteeltje, wat eenvoudig in de loop van de karabijn werd gestoken, waardoor een schootsafstand van 65 meter kon worden bereikt. Van enige nauwkeurigheid was geen sprake, maar die was ook niet nodig, daar de granaat was bedoeld voor inzet tijdens relletjes in de open lucht. De traangasgranaat maakte tijdens de vlucht het geluid als een voetzoeker. De daarna plaatsvindende felle gasontwikkeling ging vergezeld van enkele knallen. Het plastic omhulsel werd door de warmte week en kleverig, waardoor teruggooien met de blote hand onmogelijk was. Vooral in de woelige jaren '80 (krakersrellen) is de traangasgranaat regelmatig ingezet (afb. 10). In 1976, werd voor de karabijn een speciale schiettap ontwikkeld, waarmee van vinnen voorziene traangasgranaten TW 704 van Dynamit Nobel nauwkeurig konden worden verschoten. Hiermee kon de granaat bijvoorbeeld door een raam of deur in een te ontruimen vertrek worden gemikt.[8]

 

Afb. 10. Tijdens de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt rellen in 1975 vuurt een agent met zijn Winchester karabijn een traangasgeweergranaat naar één der gekraakte panden, welke ontruimd moesten worden.

 

Thans is wereldwijd een grote verscheidenheid niet-dodelijke riot-control-munitie beschikbaar, die echter meestal wordt verschoten vanuit speciale granaatwerpers. Ook de Nederlandse politie heeft onlangs de werper van Heckler & Koch in de bewapening opgenomen.

 

Nieuwe technologie

Na afloop van de Tweede Wereldoorlog bleek al snel dat voor de westerse democratieën de Sovjet-Unie met haar satellietstaten de nieuwe tegenstander zou zijn. In verband met de te verwachten massale tankaanvallen moest alle aandacht worden gericht op pantserbestrijding, ook op infanterieniveau. De meeste NAVO-landen, waaronder ook Nederland, kozen voor de Energa geweergranaat, een van oorsprong Zwitsers ontwerp.

Om de Zwitserse uitvoerbeperkingen te omzeilen, werden productie en export ondergebracht in België, bij de Société Anonyme Belge de Mécanique et d'Armament, kortweg: MECAR. De granaat dateert oorspronkelijk van 1948, maar is tot in de jaren '90 in gebruik gebleven. Voor de toen in onze bewapening aanwezige Lee Enfield en Garand geweren werden schiettappen in foedraal meegeleverd en zelfs voor de Mauser repeteerkarabijn van het Papoea Vrijwilligers Korps (PVK) werd speciaal een schiettap gemaakt. Het pantserdoorborende vermogen was met 250 mm indrukwekkend, maar de terugstoot ook. Veel dienstplichtigen uit die jaren zullen zich nog wel een week ziekteverlof kunnen herinneren, dankzij een beschadigde hand, schouder of sleutelbeen (afb. 11). Voor oefeningen werd trouwens zelden gebruik gemaakt van scherpe granaten: men had daartoe oefenprojectielen vervaardigd, waarvan de verwisselbare kop gevuld was met gekleurd krijtpoeder. Een interessant detail van de granaat was de punt van de schokbuis in de kop: deze was van zeer scherp getand wolfram-carbide, waardoor het afschampen van de granaat bij schuine treffers werd voorkomen. Omdat iedere infanterist zich tegen tanks moest kunnen verdedigen, werden later alle NAVO-geweren standaard uitgerust met een 22 mm schiettap, annex vlamdemper.

 

Afb. 11. "Staande schiethouding vrije hand, kolf gesteund aan achterzijde". Instructie-foto uit VS 2-1350 (Handboek voor de soldaat, 1988). Geweer Garand met schiettap en Energa geweergranaat antitank.

 

Doordat de gebruikelijke repeteer-(grendel)geweren inmiddels waren vervangen door halfautomatische exemplaren met gasaftap (Garand, FAL, M14), werd het probleem van de speciale afvuurpatroon nog sterker ervaren. Men moest niet alleen die patroon in het magazijn stoppen, maar ook de gasregelaar sluiten, om een geweergranaat te kunnen verschieten. De kans om per abuis een scherpe patroon in de kamer te hebben met een granaat op de schiettap was nu nog groter en het aantal daardoor ontstane ongelukken navenant.

Bovendien dreigde er een ander probleem: rond 1980 besloot de NAVO over te gaan op de .223 inch patroon, in Europa genaamd 5,56 x 45 mm, met de SS109 kogel van FN, in plaats van de tot dan toe ingevoerde .308 inch patroon, de 7,62 x 51 mm. Dit betekende onder meer geweren van een lichtere constructie, die de krachten van het afvuren van een zware geweergranaat niet verdragen.

In de Verenigde Staten had men rond 1963 dat probleem al ondervangen door de invoering van de granaatwerper M79, een apart granaatgeweer met getrokken loop (afb. 12).

 

Afb. 12. Amerikaanse 40 mm granaatwerper uit 1963, de M 79 (inv. nr. 001802). Het wapen kan worden opengeklapt en geladen als een jachtgeweer. Het vizier is instelbaar van 75 tot 375 meter.

 

Hiermee konden met grote nauwkeurigheid 40 mm granaten worden afgevuurd, waarvan er in korte tijd vele soorten beschikbaar kwamen. Tactisch gezien terug naar de achttiende eeuw dus... Een geheel nieuw principe van hoge en lage druk in de drijflading brengt bij deze wapens de terugstoot terug tot een aanvaardbaar niveau.

Het feit, dat de M79 schutter voor zijn eigen verdediging slechts over een pistool beschikte, bracht de vuurkracht van de infanteriegroep echter behoorlijk omlaag, vooral ook omdat er geen M79 granaten geschikt zijn voor tankbestrijding.

Voor dat laatste doel kwamen vrij snel lichte 'wegwerp' wapens beschikbaar, zoals de LAW.[9] Maar om de persoonlijke bescherming van de (geweer)granaatschutter te verbeteren koos men in 1969 voor de granaatwerper M203, die onder het standaard M16 geweer kon worden bevestigd. Dat werd daardoor echter wel zo'n 1,5 kg zwaarder.

Hoewel de projectielen M79/M203 geen echte geweergranaten zijn, maar een eigen drijfladingshuls hebben, vallen zij toch binnen het bestek van dit artikel. Zij stellen namelijk de infanterist in staat op korte afstand granaatvuur uit te brengen.

 

De wapenindustrie heeft intussen allerlei oplossingen gevonden voor de genoemde bezwaren. Eén daarvan is de zogenaamde 'bullettrap' granaat, met een soort kogelvanger in de holle staart. Die granaten kunnen met een scherpe patroon worden verschoten, omdat de kogel als het ware vastloopt in de bodem van de granaat en alle energie doorgeeft aan die granaat. Een nadeel daarvan is, dat het projectiel zwaarder wordt door die ingebouwde kogelvanger, waardoor minder nuttige lading kan worden aangebracht. Ook is de terugstoot nogal heftig en psychologisch is het zeer belastend om een scherpe patroon af te vuren op de brisante lading aan het eind van je geweer. Toch is in de jaren negentig een dergelijke granaat van fabrikant MECAR in de Nederlandse bewapening opgenomen (geweest) onder de naam: Grensde, rifle, HE, Nr. 60 (afb. 13).[10]

 

Afb. 13.

  1. beschermkap (kunststof)
  2. schokbuis
  3. springlading
  4. granaatlichaam
  5. stopplug(aluminium) kogelvanger
  6. buffer (vervormbaar)
  7. voorste deel kogelvanger
  8. rubber afsluitring
  9. staartstuk
  10. vinstuk (kunststof)

Doorsnedetekening van de 'bullet-trap'-granaat van MECAR, die als 'Grenade, rifle, HE, Nr. 60' in de Nederlandse bewapening was opgenomen. Tekening uit VS 9-850.

 

Een andere oplossing is een herleving van het Franse idee uit de Eerste Wereldoorlog, nu een bullet thru®-granaat genaamd[11]. Deze granaten zijn ontworpen door de Fabrique Nationale. Het doorschotkanaal biedt de mogelijkheid om de granaat met een scherpe patroon te verschieten, net als de Viven Bessière.

De brisante projectielen zijn voorzien van een schokbuis. Zij kunnen voor training ook met een losse afvuurpatroon worden verschoten, daarmee één van de bezwaren uit de weg ruimend, namelijk de behoefte aan een zeer groot oefenterrein. Om de afmetingen binnen de perken te houden, zijn de granaten voorzien van een uitschuifbaar staartstuk en een uitklapbaar vizier. Zij kunnen met ieder geweer met een standaard NAVO schiettap worden verschoten. De terugstoot is zeer aanvaardbaar en er zijn brisante-, rook-, verlichtings- en oefengranaten in het programma (afb. 14).

 

Afb. 14. AP-X 'bullet thru®' (oefen-)granaat van FN, in afvuurstand met uitgeklapt richtmiddel (inv. nr. 033901). Deze granaat kan zonodig eenvoudig worden gerepareerd en dan opnieuw gebruikt.

 

Toekomst

Zoals in de inleiding vermeld, heeft de Koninklijke Landmacht besloten een 40 mm granaatwerper aan te schaffen voor gebruik onder de Diemaco geweren ruim 30 jaar na de invoering van de M203 in de Verenigde Staten (afb. 15).

 

Afb. 15. Diemaco geweer C7A1 met aangebouwde granaatwerper AG-C. Naast de normale richtkijker heeft het wapen een speciaal granaatvizier, dat zowel links- als rechts kan worden bevestigd.

 

Organiek worden bij de Nederlandse, acht man sterke infanteriegroep twee granaatwerpers ingedeeld. Het is te hopen dat we nooit zullen weten of deze aanschaf een juiste beslissing is geweest.

Ondertussen heeft de technische ontwikkeling niet stilgestaan en is de trend te zoeken naar een andere oplossing voor de behoefte aan granaatvuur voor de infanterist.

Zowel de F.N., Heckler & Koch en de Franse GIAT fabrieken werken aan een infanteriegeweer, waarbij een loop voor normale projectielen en een loop voor geweergranaten in één wapen zijn ondergebracht. We moeten dan niet meer denken aan de traditionele zware geweergranaten, maar aan zeer geavanceerde projectielen van een diameter van 20 tot 30 mm. Heckler & Koch heeft zelfs een granaat ontwikkeld, die zichzelf nauwkeurig afstelt om te exploderen op de gewenste afstand (nadat die afstand eerst met behulp van een ook ingebouwde laser-afstandmeter is gemeten). Hiertoe wordt gebruik gemaakt van een elektronische rekeneenheid in de granaat, die het aantal omwentelingen van het roterende projectiel ten opzichte van het aardmagnetisme meet.

De kosten van dergelijke wapensystemen zijn voorlopig nog zo hoog, dat aan aanschaf niet zal worden gedacht, maar voor speciale eenheden is iets dergelijks wellicht op korte termijn beschikbaar (afb. 16).

 

Afb. 16. Prototype van een OICW (Objective Individual Combat Weapon) van Heckler & Koch. Het wapen heeft naast elkaar een loop voor de standaard NAVO patroon van 5,56 mm en een loop voor 20 mm granaten. Reproductie van een foto uit Die offizielle Geschichte der Oberndorfer Firma Heckler & Koch van M. Kersten en W. Schmid.

 

Literatuur

  • Courtney-Green, P.R., Ammunition for the Land Battle (Shrivenham 1990).
  • Field manual FM 23-30: Hand and rifle grenades, Uitgave Department of the Army (Washington 1949, 1954 & 1969).
  • Gaspar, B., 'La 'grenade-artillerie' pour faire face a I'avenir', in: Defense & Armement Héraclès International 58 (1987) 56-57.
  • Geskus, G. & W. Sibbelee, 'The bullet thru rifle grenades by F.N.', in: SAM­Wapen Magazine 49 (1991) 7-12.
  • Girodet, J., 'Trends in the development of rifle grenades', in: Defense & Armement International 102 (1991) 47-51.
  • Harding, D. (red.), Weapons (London 1980).
  • Hogg, I.V., Grenades and mortars (New York 1974).
  • Hogg, I.V., Ammunition (London 1998).
  • Jane's Infantry weapons 1985-86 (London 1985).
  • Hufnagel, W., U.S. Karabiner .30M1 Waffe und Zubehör (Stuttgart 1994).
  • Kastell, S., 'Les premiers systèmes lance-grenades du XVIème siècle a 1914', in: Gazette des Armes 327 (2001) 50-52.
  • Kastell, S., 'Grenades et cartouches suffocantes de 1914', in: Gazette des Armes 333 (2002) 49-52.
  • Lande, J. de la, ' A New Telescopic Anti-Personel Rifle Grenade', in: Defense & Armement Héraclès International 66 (1987) 56-57.
  • Kaye, S.M., Encyclopedia of explosives and related items (Picatinny Arsenal 1980).
  • Kersten, M. & W. Schmid, Die offizielle Geschichte der Oberndorfer Firma Heckler & Koch (Wuppertal 1999).
  • Kromhout, A., 'HK AG-C 40 MM granaatwerper voor Nederlandse krijgsmacht', in: AK5644 (2001) 18-19.
  • Lenselink, J., Vuurwapens van 1840 tot heden (Bussum 1975).
  • Pawlas, K.R., 'Das Gewehrgranatgerät', in: blaffen Revue 3 (1971) 443-470.
  • Pawlas, K.R., 'Russische Geweergranaten', in: blaffen Revue 2 (1971) 217-236.
  • Pawlas, K.R., 'Geweergranaten zur Panzerbekämpfung GG/P 40', in: blaffen Revue 4 (1972) 605-612.
  • Pawlas, K.R., 'Britische Gewehrgranate No.68', in: blaffen Revue 49 (1983) 7883-7886.
  • Schiller, D.Th., 'Ein-Mann-Artillerie", in: Visier 12 (2002) 134-142.
  • Simone, G., R. Belogi & A. Grimaldi, in: 11 fucile 91 (Milaan 1970)
  • Steadman, N., 'Rifle grenades - an acquired taste?', in: Defense (maart 1988) 183-184.
  • Uitrusting Mobiele Eenheden Gemeentepolitie. Uitgave Ministerie van Binnenlandse Zaken ('s-Gravenhage 1979).
  • Voorschrift VS-154: Geweergranaten ATB nr. 4 en ATB nr. 5. Uitgave Ministerie van Oorlog, Hoofdkwartier van de Generale Staf ('s-Gravenhage 1953).
  • Voorschrift VS 9-850: Hand- en geweergranaten. Uitgave Koninklijke Landmacht ('s-Gravenhage 1993).
  • [Voorschrift] nr. 53.111 d: Die Panzerwurfgranate. Uitgave Zwitserse leger (Bern 1957).
  • Vries, G. de & B.J. Martens, Nederlandse vuurwapens: Landmacht en Luchtvaartafdeling 1895-1940 (Amsterdam 1993).
  • Vries, G. de & B.J. Martens, Nederlandse vuurwapens: KNIL en Militaire Luchtvaart 1897-1942 (Amsterdam 1995).

 

Noten

  1. Schokhandgranaat: een handgranaat, die tot ontploffing komt bij het raken van een voorwerp of de grond.
  2. Tonite: door Cotton Powder Company gepatenteerde springstof, bestaande uit een mengsel van rookzwak kruit en bariumnitraat.
  3. Opgave I. Hogg in Ammunition.
  4. Drijfspiegel: een, meest houten, klos onder een rond projectiel ter afsluiting van de gasdruk.
  5. Propagandagranaten: holle projectielen met een kleine uitstootlading, die konden worden gevuld met pamfletten, waarin de vijand bijvoorbeeld werd aangeraden zich over te geven.
  6. G.I. staat voor 'Government Issue' en betekent dienstplichtig soldaat.
  7. 20 grain IMR 4809 kruit = 1,4 gram drijfladingkruit voor het Amerikaanse 60 mm mortier.
  8. Met dank aan drs. J.M. Breukers, conservator van het Nederlands Politiemuseum voor de gegevens over het gebruik van traangasgranaten.
  9. LAW staat voor 'Light Antitank Weapon' en is een éénmalig bruikbare raketlanceerbuis met een 66 mm raket, voorzien van een holle lading en een pantserdoorborend vermogen tot 400 mm (M72A3). De effectieve dracht bedraagt circa 200 meter.
  10. HE staat voor 'high explosive': brisant in het Nederlands.
  11. De schrijfwijze "bullet-thru" is een geregistreerd handelsmerk van de FN.