Iets over de degengevesten in Hoorn rond het jaar 1650

Een belangrijke wapenhistorische ontwikkeling

door Drs. R. B. F. van der Sloot en J. B. Kist

 

Plaat 1. Kapitein Seyne Coninck en luitenant Pieter Willemsz. van Neck; detail van het schuttersstuk: Het vendel van kapitein Seyne Coninck - 1649 door jan Albertsz. Rolius (1624-1666); Hoorn, Westfries Museum

 

In het Westfries Museum te Hoorn bevindt zich een vier­tal zeer interessante schuttersstukken, die in de jaren 1649 tot 1655 zijn geschilderd door Jan Albertsz. Rotius (1624 - 1666). Alle vier, circa 350 bij 350 cm metende schilderijen, zijn voluit gesigneerd en gedateerd door deze in Medemblik geboren meester, die zich tegen het einde van het jaar 1643 in Hoorn vestigde en daar tot aan zijn dood werkzaam bleef (1)*.

De schuttersstukken en het historisch­economisch aspekt van Hoorn.

Het betreft hier de volgende schilderijen:

  1. Het vendel van kapitein Seyne Coninck. Doek: hoog 359 cm, breed 346 cm.
    Getekend: J. A. Rotius, fecit 1649.
  2. Het vendel van kapitein Jan Vreericks Abbekerk. Doek: hoog 338 cm, breed 3431 cm.
    Getekend: J. A. Rotius, fe. Ao. 1651.
  3. Het vendel van kapitein Jan Symonsz. Jongemaets. Doek: hoog 325 cm, breed 345 cm.
    Getekend: J.A. Rotius, fe. Ao. 1652.
  4. Het vendel van kapitein Claes Willemsz. Jager. Doek: hoog 326 cm, breed 335 cm. Getekend: J.A. Rotius, fe. 1655.

Zie "Noten" aan het einde van dit artikel.

Hoewel deze schilderijen in een betrekkelijk kleine en duistere ruimte hangen met een onvoldoende verlichting, wordt de bezoeker direkt geimponeerd. Zij imponeren echter niet zozeer door oorspronkelijkheid van compositie, stijl of coloriet, danwel door hun extreem realisme en de kostbare kostuums en uitrustingsstukkenvande afgebeelde schutters, welke van een rijkdom en prachtlievendheid ge­tuigen, zoals men in een stad als Hoorn misschien niet zou verwachten. Men moet hierbij echter wel bedenken, dat Hoorn vooral in de eerste helft van de 17e eeuw een zeer welvarende stad was, waarbij de overzeese handel, van oudsher die met de Oostzeelanden en later ook met het Verre Oosten, de scheepsbouw en de visvangst als een solide basis voor de welvaart dienden. Reeds tussen 1500 en 1600 ontwikkelde Hoorn zich al tot de voornaamste in- en uitvoerhaven aan de Zuiderzee en sedert 1573 was de stad zelfs het domicilie van het College van Gecommit­teerde Raden van het Noorderkwartier. Zowel de aan­wezigheid van Kamers van de Verenigde Oostindische Compagnie, de Westindische Compagnie en de Noordse Compagnie als ook de zitting om het andere jaar van het Admiraliteitscollege, wijzen eveneens op de belangrijk­heid van Hoorn in de economische struktuur van de Repu­bliek. Ondanks het feit dat Hoorn, wat de verbinding met de Noordzee betrof, aanzienlijk gunstiger lag dan Am­sterdam met de grote ondiepten voor haar haven, bleef het o. a. in economisch opzicht toch achter bij deze laatste. Een der oorzaken hiervan was wellicht de slechte ver­binding tussen Hoorn en het drassige en moeilijk begaan­bare achterland.

Hoewel Hoorn tegen het midden van de 17e eeuw een be­trekkelijk kleine stad was met circa 15.000 inwoners, voelden deze zich geenszins de minderen van de bewoners van grotere steden in de Nederlanden, zoals Amsterdam. Niet alleen in economisch maar ook in kultureel opzicht stond Hoorn echter wel degelijk achter bij een stad als Amsterdam. Dit blijkt ondermeer uit het feit, dat, hoe­wel er een aanzienlijke materiële welstand was in Hoorn, men niet kan spreken van een specifiek Hoornse schilders - school in die periode, terwijl dit toen bijvoorbeeld in Amsterdam wel het geval was. Wanneer wij het werk van Rotius nader beschouwen, dan valt ons bovendien een sterke verwantschap op in stijl en kleur met de vooral door zijn schuttersstukken bekende Amsterdamse schilder Bartholomeus van der Helst (1613 - 1670. Deze ver­wantschap is zo groot en opvallend, dat de schutters in Hoorn hun groepsportretten naar Amsterdamse voor­beelden hebben moeten laten schilderen.

De schutters lieten zich over het algemeen portretteren in hun fraaiste kostuums en met kostbare uitrustings­stukken als bewijs van hun status. Opvallend zijn bij de vier schuttersstukken in Hoorn echter de afbeeldingen van nog meer fraaie kostuums en nog meer kostbare uitrus­tingsstukken dan bijvoorbeeld op de schuttersstukken uit Amsterdam. De Hoornse schutters hebben dus blijkbaar in hun kleinsteedse trots en mogelijk ook uit een zekere jaloezie er bewust naar gestreefd om nog rijker voor de dag te komen danhun grootsteedse collega's in Amsterdam, teneinde niet voor hen onder te doen. Nu zou men kunnen veronderstellen dat de schilder bij dit streven de zaken fraaier dan de werkelijkheid heeft voorgesteld en daarbij de uitrusting van de schutters naar eigen fantasie heeft verrijkt, ware het niet dat het extreme realisme van de afbeeldingen dit zeer onwaarschijnlijk maakt.

 

De wapens

Hetgeen ons bij de vier schuttersstukken te Hoorn in het bijzonder opvalt zijn de afbeeldingen van de zeer fraaie en zelfs in die tijd kostbare wapens. De nadruk, welke bij het afbeelden hiervan is gelegd op de degens, toont aan dat de schutters bijzonder trots waren op deze wapens en zoals hierna zal worden aangetoond, terecht.

Deze afbeeldingen vormen de meest volledige en gedateerde dokumentatie voor de degen rond het midden van de 17e eeuw in de Noordelijke Nederlanden en waarschijnlijk zelfs vbr daarbuiten.

Van de in totaal 56 op de schilderijen afgebeelde schut­ters hebben slechts enige wapens en uitrustingsstukken, die in type en uitvoering afwijken van de andere; van de groep als geheel kan men echter zeggen dat hun wapens een samenhang in stijl, kwaliteit en uitvoering vertonen. Van de degens mag zelfs worden gezegd, dat zij als groep voor de tijd rond 1650 bovendien ook buitengewoon modern zijn. Zelfs op schuttersstukken uit het zoveel grotere Amsterdam zien we in diezelfde tijd meestal slechts sobere en ouderwetse wapens afgebeeld!

Het mag misschien opmerkelijk lijken, dat in Hoorn toen klaarblijkelijk een hoeveelheid wapens van zulk een hoge kwaliteit voorhanden was, maar dat is het beslist niet. Er bevond zich namelijk in die stad sedert 1573 het Artil­leriehuis of Wapenhuis der Heren Gecommitteerde Raden van Westfriesland en het Noorderkwartier in de kerk van het St. Mariaklooster, waar o. a. het harnas ende helm van de in 1573 gevangen genomen Spaanse admiraal B os su werden bewaard. In 1648 werd het aantal van de zich daar bevindende wapens nog aanzienlijk vergroot: "In het jaar 1648 is dit geweer (= wapentuig) zeer vermeerderd, alzoo door den vrede met Spanje vele wapenen in dit huis werden gebracht, " (2).

 

Plaat II. Kapitein Jan Vreericks Abbekerk, luitenant Barendt Claesz. Bore en vaandrig Jan Meusz. Groot detail van het schuttersstuk: Het vendel van kapitein Jan Vreericks Abbekerk - 1651 door Jan Albertsz. Rotius (1624-1666); Hoorn, Westfries Museum

 

Deze wapens zullen, evenals dit o. a. bij de stadswapen­kamer van Amsterdam het geval was, niet alleen hebben bestaan uit eenvoudige wapens voor krijgsgebruik, maar ook uit kostbare en luxueus uitgevoerde exemplaren voor plechtige en feestelijke gebeurtenissen. Gezien de mate­riële welstand enprachtlievendheid der Hoornse schutters, zullen deze bovendien zeker ook zelf kostbare wapens en uitrustingsstukken in hun bezit hebben gehad. In dit ver­band mag hier zeker worden gewezen op een bijzonder interessante groep van 36 nagenoeg identieke en uit de 18e eeuw daterende sierdegens met fraai bewerkte ge­vesten van verguld messing, welke zich in het stadhuis van Enkhuizen bevinden. Hoewel nadere gegevens over deze degens ons nog ontbreken, is het vrijwel zeker dat zij tot de uitrusting der schutters in Enkhuizen hebben behoord, waardoor zij als groep in zeker opzicht ver­wantzijn aan de afgebeelde degens op de schuttersstukken in Hoorn.

Zoals wij reeds hebben vermeld, zijn de door Rotius hier afgebeelde wapens over het algemeen fraaier en moderner dan bijvoorbeeld die opde schutters stukken uit Amsterdam. De vraag doet zich nu voor of deze kwalitatief zeer hoog­staande wapens van elders zijn ingevoerd dan wel dat zij ondanks het enigszins provinciale karakter van Hoorn toch in die stad kunnen zijn vervaardigd. Het ontbreken van archivale gegevens laat zich bij het onderzoek naar de vervaardiging van wapens in Hoorn echter wel als een zeer ernstig gemis voelen.

Wanneer wij de weinige positieve gegevens samenvatten, dan blijkt evenwel dat er niet alleen in Hoorn wapens zijn vervaardigd, maar dat deze gedeeltelijk ook van zeer hoge kwaliteit waren. Als voorbeeld hiervan moge het type lontslotmusketten dienen, waarvan de notenhouten lade is ingelegd met gegraveerde plaquettes van parel­moer, terwijl de tussenliggende vlakken van de lade zijn versierd met intarsia van koper- of messingdraad (3). Deze musketten dateren uit de eerste helft van de 17e eeuw en zij waren, zoals uit de talrijke afbeeldingen op schuttersstukken blijkt, zeer geliefd bij de schutters als statussymbool.

Een groot aantal van deze musketten, zoals ook het lont­slotmusket ingelegd met parelmoer en messingdraad in het Nederlands Legermuseum te Leiden (4), dragen op de loop het ingeslagen keurmerk met de drie Andrieskruisen van de stad Amsterdam. Sedert 1624 was men in Amster­dam verplicht om op de lopen van de talrijke in die stad vervaardigde vuurwapens dit merk in te slaan wanneer het de test op eventuele gebreken had doorstaan.

Oók op de schuttersstukken van Rotius in Hoorn komen deze ingelegde musketten voor, hetgeen een bewijs is, dat zij door de schutters van die stad zijn gebruikt. Bijzonder belangrijk is echter, dat enige van deze musketten bekend zijn, welke niet alleen zeer Nederlands van stijl zijn, maar bovendien op de loop en in sommige gevallen ook op het slothet stadskeur van Hoorn in de vorm van een jacht­hoorn dragen (5).

Het is helaas niet bekend wanneer de stad Hoorn dit keur - merk voor de daar vervaardigde vuurwapens heeft inge­steld, maar het voorkomen er van vormt in ieder geval een bewijs dat er zoveel van deze wapens werden ver­vaardigd, dat een kwaliteitskontrole verantwoord en nood­zakelijk was. De vraag of er in Hoorn ook nog andere soorten van wapens werden vervaardigd, kan bevestigend worden beantwoord. Er werden namelijk ook bronzen kanonnen gegoten, o. a. voor de bewapening van de schepen der verschillende in die stad gevestigde Kamers. Ook het bronzen beslag voor de schepen moet er zijn gegoten door de zogenaamde "geelgieters".

In vredestijd werd over het algemeen in de gieterijen, waar men in oorlogstijd kanonnen en andere voor de strijd noodzakelijke voorwerpen had gegoten, de produktie meer afgestemd op gebruiksgoederen, zoals kandelaars, kronen, vijzels e. d. (6). De degengevesten nu op de kort nh de vrede van Munster in 1648 door' Rotius geschilderde schuttersstukken waren, zoals uit de afbeeldingen blijkt, van zilver of verguld messing. Het vrijwel plotseling voorkomen van zovele van messing of brons gegoten en in feite meer voor sier dan voor krijgsgebruik bestemde degengevesten en het gelijktijdig overgaan op een andere produktie van de geelgieters, kan welhaast geen toeval zijn. Het is bovendien opmerkelijk, dat vele van de vroegste ons bekende en in de Noordelijke Nederlanden vervaardigde gevesten van sierdegens van messing of brons zijn gegoten, terwijl de in het buitenland in die tijd vervaardigde en soortgelijke gevesten meestal van ijzer zijn.

 

De degens in Hoorn en hun plaats in de ontwikkeling van het zogenaamde "small sword"

Tegen het einde van de 16e en in het begin van de 17e eeuw was voornamelijk het rapier in gebruik. Dit ge­duchte maar tamelijk zware wapen diende om er zowel mee te stoten als te houwen en volgens de instrukties van de beroemde Italiaanse en Spaanse vechtscholen moesten ten behoeve van de wendbaarheid hierbij de wijsvinger en de middelvinger van de rechterhand over de pareerstang van het rapiergevest steken. Aangezien deze beide vingers dan echter tegen de scherpe sneden van de kling zouden rusten, werd dit gedeelte van de kling over de afstand van enige centimeters niet geslepen. Dit botte gedeelte van de kling heet de "ricasso" en het is het meest karakteris­tieke element van het rapier. De over de pareerstang heen stekende vingers, werden beschermd tegen de slagen van de tegenstander door twee naar beneden gebogen halfronde beugels, de "ezelshoef". De hand werd bij het rapier be­schermd door het gevest, bestaande'uit een ingewikkelde konstruktie van ijzeren beugels, welke echter door de steeds meer geperfektioneerde kunst van het schermen geen afdoende bescherming meer kon bieden. Het aantal van de ijzeren beugels werd dan ook vooral sedert het begin van de 17e eeuw vergroot tot zij als het ware een kom vormden. In sommige gevallen nam deze kom zulke afmetingen aan, dat zij de hand bijna omsloten en deze konstruktie (afb. 1A) was vooral geliefd in de Lage Landen, waar zij waarschijnlijk wel in haar meest extreme vorm voorkomt op de schuttersstukken van Frans Hals (ca . 1580 - 1666). De rapieren met het vermeerderde aantal beugels, worden door Heribert Seitz "Das ausgereifte Bttgelgefass"genoemd (7), terwijl men in Engeland spreekt van een "swept hilt" (8). Het rapier bleef nog tot in de tweede helft van de 17e eeuw in gebruik als gevechts­wapen.

 

Afb. 1A Tekening naar het rapier van koning Gustav II Adolf van Zweden 1632, Stockholm, Livrustkammaren 

Afb. 1B Tekening naar de degen van kapitein Claes Willemsz. Jager op het schuttersstuk van 1655 door Jan Albertsz. Rotius (1624-1666); Hoorn, Westfries Museum

Afb. IC. Tekening naar het small sword in het Legermuseum te Leiden, inv. 573/Ee - 46 met op de kling een inschrift, betrekkinghebbend op de intocht in Amsterdam van stadhouder Koning Willem III op 12 augustus 1672.

 

Sedert het begin van de 17e eeuw vond een ingrijpende verandering plaats bij het schermen, welke voor de ont­wikkeling van de degen vèrstrekkende gevolgen had. Sedert die periode namelijk liet zich vooral de invloed gelden van de Franse vechtschool, waarvan de grondslag was gelegd door de in 1567 gestichte "Academie d'Armes" te Parijs. Het duurde echter nog enige tientallen jaren voor­dat de "escrime française" zich begon te onderscheiden van haar voorbeeld, de Italiaanse vechtschool en zowel deze als de Spaanse vechtschool kon verdringen. Als de belangrijkste tot deze ontwikkeling bijdragende scherm­meester, kan waarschijnlijk wel Le Perche de Coudray worden beschouwd, die zijn nieuwe ideeën neerlegde in zijn in 1605 te Parijs verschenen werk: "L'Exercice des armes ou le maniement du fleuret" (9).

Het voornaamste kenmerk van deze Franse vechtschool was de soepele manier van vasthouden, waarbij de duim en de wijsvinger elk aan een zijde van het onderste ge­deelte van de greep lagen. Dit maakte het mogelijk om de overige vingers in een gevoeliger en wisselender houding om de greep te plaatsen hetgeen weer een fijner afgestemd bewegingspatroon van de kling met zich bracht. Deze manier van vasthouden was van grote invloed op de vorm van het gevest. Aangezien bij het schermen nu het accent bijna volledig op het stoten kwam te liggen, werd het ge­vest aan de onderzijde afgesloten door een stootplaat. De "ezelshoef" genaamde vingerbeugels, zoals deze ook bij het rapier voorkwamen, verloren nu hun funktionele be­tekenis en werden nog slechts als een dekoratief element opgevat. Om het wapen wendbaarder te maken, werd het gevest lichter en de kling korter gemaakt. Het zwaarte­punt van de degen kwam nu dicht bij het gevest te liggen, waardoor het wapen zeer wendbaar werd.

De tendens om de degen steeds lichter te maken, leidde uiteindelijk tot de vorm van een degen, waarvoor steeds de Engelse benaming "small sword" wordt gebruikt. (afb. 1 C).

Dit small sword (afb. 1C) wordt meestal beschouwd als een in de derde kwart van de 17e eeuw in Frankrijk ont­staan type, dat zich van daaruit over West-Europa heeft verbreid (9). De karakteristieke elementen van het vol­ledig ontwikkelde small sword zijn vooral de geringe af­metingen van het gevest met een lengte van ca. 15 cm en de opbouw van dit gevest. Dit gevest bestaat uit een be­trekkelijk kleine knop, een in het midden zich verdikkende en met metaaldraad omwonden houten greep, een vuist­beugel, een halve pareerstang, een ricasso, een stoot­plaatbestaande uit twee met elkaar verbonden ovale platen en een ezelshoef, welke uit de vuistbeugel en de halve pareerstang ontspringend loodrecht op de stootplaat staat. De degens uit de periode voorafgaande aan het small sword en tot de ontwikkeling daarvan bijdragend, worden meestal "transitional rapiers" genoemd, hoewel er geen enkel historisch bewijs is voor deze term (afb. 1B).

De degengevesten nu op de schilderijen van Rotius tonen een zeer belangrijke ontwikkelingsfase in het ontstaan van het small sword en zij staan zeer dicht bij het volledig ontwikkelde gevest van deze laatste. Dit is vooral daarom zo belangrijk, omdat naar ons is gebleken de algemeen gangbare mening, als zou het small sword in Frankrijk zijn ontstaan, niet juist is.

Het eerste ons bekende volledig ontwikkelde gevest van het small sword-type, het eindpunt van de ontwikkeling, komt namelijk voor op het schuttsersstuk van Batholomeus van der Helst in het Rijksmuseum te Amsterdam, voor­stellend "De schuttersmaaltijd op 18 juni 1648" (10). Een eerder en nog niet geheel ontwikkeld type van dit ge­vest, voorzien van een neergebogen stootplaat in de vorm van een schelp, zoals deze ook wordt gedragen door kapitein Coninck op het schuttersstuk door Rotius uit 1649 (plaat I), komt reeds voor op het schuttersstuk uit 1645 door Govert Flinck in het Rijksmuseum, voorstel­lend het korporaalschap van kapitein Albert Bas, dat ook in zijn compositie aan dit schilderij van Rotius als voor­beeld heeft gediend (11).

Het gaat hier dus kennelijk om een in deze periode in de Noordelijke Nederlanden algemeen bekend degentype, waarvan de afbeeldingen zelfs vroeger te dateren zijn dan de Franse exemplaren, welke algemeen als het voorbeeld worden beschouwd.

Zonder hier te willen stellen, dat in dit geval een Neder­landse ontwikkeling als voorbeeld heeft gediend voor een Franse, willen wij toch wijzen op een vergelijkbare situ­atie, namelijk de beïnvloeding van het Franse vuursteen­slot in het begin van de 17e eeuw door een ouder Neder­lands slottype. Enige der vroegste Franse vuursteensloten tonen namelijk een duidelijke verwantschap met het Hol­landse snaphaanslot (12).

Gezienhet intensieve handelsverkeer is deze beïnvloeding niet zo verwonderlijk, hoewel het toch op z'n minst op­merkelijk mag worden genoemd, dat vooral de belangrijke Franse wapenfabrikage in de eerste helft van de 17e eeuw is beihvloed door het zoveel kleinere Holland. Zelfs in de tweede helft van de 17e eeuw, toen de grote Franse in­vloed zich tengevolge van de expansiepolitiek der Franse koningen in Noordwest Europa sterk liet gelden, had het werk van de aan het Franse hof verbonden Nederlandse geweermaker Adriaen Reynier, bijgenaamd Le Hollandois, een geheel nieuwe stijl in de Franse vuurwapenfabrikage tot gevolg.

Hoewel de hierboven geschetste ontwikkeling van de degen duidelijk is gebaseerd op een in Frankrijk ontwikkelde vechttheorie, is het echter zeer wel mogelijk, dat de degentypen, die wij hier op de schuttersstukken van Rotius zien, in de Nederlanden zijn ontstaan.

 

Beschrijving van de wapens op de schut­tersstukken van Rotius

Wanneer wij de degen van kapitein Coninck op het schut­tersstuk van 1649 bezien, dan blijkt hier duidelijk het wapenhistorisch belang van deze afbeeldingen door Rotius (plaat I).

Deze degen immers staat in vorm en verhoudingen der verschillende onderdelen van het gevest zeer dicht bij het small sword in zijn definitieve vorm, zoals deze bijna ongewijzigd tot in de 19e eeuw bleef gehandhaafd. Het verschil tussen kapitein Coninck's degen en een volont­wikkeld small sword is dat hier nog sprake is van één enkele stootplaat en dat de ezelshoef hier geheel ontbreekt. De afhangende stootplaat die wij hier aantreffen is mis - schien geinspireerd door voorbeelden kort ncI. 1600, maar het schelpmotief er van kan wellicht worden teruggevoerd op de grote schelpvormige stootplaat, die voorkomt aan de enterhouwers, die de Nederlandse zeelieden rond 1600 gebruikten. Een soortgelijke kleine schelpvormige stoot­plaatkont eveneens voor op een degen inhet Legermuseum te Leiden (afb. 2).

 

Afb. 2. Leiden, Nederlands Legermuseum: inv. nr. 1025/Ee - 124, degengevest met schelpvormige stootplaat en gegraveerde bladranken in Noord-Nederlandse stijl

 

Een bijzonder goed voorbeeld van het extreme realisme van de door Rotius afgebeelde wapens, is hier ook de hellebaard, welke luitenant Van Neck vasthoudt. Op Noord-Nederlandse schuttersstukken komen verschillende typen van hellebaarden voor, die representatief zijn voor de hier toen heersende smaak; Rotius blijft hierin niet achter. Het wapen, voorzover men hier nog van een wapen kan spreken, is o. a. door de kleine en ronde gaatjes, welke zich aan de basis van de kling bevinden, een goed voorbeeld van een in de Noordelijke Nederlanden veel voorkomend type. Kenmerkend voor de Noord-Nederlandse hellebaard is ook de duidelijke en door middel van een verdikking geaccentueerde afscheiding tussen de kling en de bijl. Ter vergelijking wijzen wij hier naar de afbeel­ding van een exemplaar in het Legermuseum te Leiden (afb. 3), welke zeer veel punten van overeenkomst heeft met de afbeelding in Hoorn.

 

Afb. 3. Leiden, Nederlands Legermuseum; inv. nr. L. 809, hellebaard van Noord-Nederlands type

 

De hellebaard tenslotte werd in ons land gebruikt ter aanduiding van de rang van sergeant, terwijl de partisaan hier gevoerd werd als aanduiding van de rang van luitenant.

De twee centrale figuren op het schuttersstuk van 1651 met kapitein Abbekerk links en luitenant Bore rechts, dragen wapens, die te midden van onze 56 Hoornse schut­ters duidelijk opvallen door hun afwijkende vorm en type (plaat II).

De degenvankapitein Abbekerk heeft een gevest, waarvan de knop inde vorm van een leeuwekop is uitgevoerd. Deze gevestvorm komt reeds in de tweede helft van de 16e eeuw in Zwitserland voor bij de zogenaamde "Schweizer­säbel", maar raakte daar kort nà 1600 buiten gebruik. De opmerkelijke lengte van het degengevest van kapitein Abbekerk komt overeen met die van de Zwitserse ge­vesten en men is geneigd om hierin een uit Zwitserland afkomstig gevest te zien, dat op de een of andere wijze in het bezit van kapitein Abbekerk is gekomen. Het voor­komen van een stootplaat in schelpvorm, welke men niet bij de Zwitserse gevesten aantreft, kan dan wellicht een latere toevoeging zijn van een wel Nederlands element; te meer daar het gevest hier duidelijk is gemonteerd op een rechte degenkling en niet op die van een sabel. Luitenant Bore draagt hier een te midden der andere wapens van de schutters geheel uit de toon vallend rapier van het type, zoals op afbeelding 4.

 

Afb. 4. Leiden, Nederlands Legermuseum; inv. nr. 968/Ee - 185, rapier van in de Noordelijke Nederlanden veel gebruikt type

 

Afgezien van het feit dat hij het rapier verkeerd in de drager heeft geplaatst, is het duidelijk, dat Rotius met dit ingewikkelde en bij de Hoornse schutters ongebruike­lijke wapen moeite heeft gehad. Dit moge blijken uit de ongeloofwaardige konstruktie van het gevest. Ieder, die zelf wel eens heeft getracht een dergelijk ingewikkeld rapiergevest na te tekenen, zal met de kunstenaar kunnen meevoelen. Voor Rotius nauwkeurige observatie pleit echter het detail van de rood-laken bekleding van de ri­casso van dit rapier. Duidelijk is hier tevens het verschil in lengte van het rapier en de degen te zien.

Hier, zoals ook op de andere schuttersstukken, vallen de bijzonder rijk met goud- en zilverdraad geborduurde ban­deliers op, die geenszins onderdoen voor bijvoorbeeld de in de Livrustkammaren te Stockholm bewaarde exempla­ren van de Zweedse koningen.

Het type van de brede bandelier was omstreeks 1630 in West-Europa in de mode gekomen en de Noordelijke Ne­derlanden bleven hierbij niet achter. Eveneens op dit schuttersstuk uit 1651 zien wij sergeant Josyas Wybo ge­tooid met de rijkste degen, die op deze schilderijen voor­komt (plaat III). Ook vaandrig Jan Meeuwsz.Groot op dit­zelfde schilderij draagt een vrijwel identieke degen. Beide degens vallen op door hun gevest, dat weliswaar qua op­bouw een eenvoudig kruisgevest is, maar daarentegen uit­munt door sterk plastische dekoratie. Zo deze beide gevesten al niet in edelmetaal, in casu zilver of verguld zilver zijnuitgevoerd, dan is het toch duidelijk dat bij hun vervaardiging een edelsmid betrokken is geweest. Hoewel de administratie van het gilde der zilversmeden in Hoorn verloren is, gegaan, zijn toch een aantal namen van deze zilversmeden en enige van hun werken bekend.

 

Plaat III. Sergeant Josyas Wybo: detail van het schutterstuk: Het vendel van de kapitein Jan Vreerick Abbekerk - 1651 door Jan Albertsz. Rotius (1624 - 1666): Hoorn, Westfries Museum

 

Hieruit blijkt dat hun werk over het algemeen enigszins grover van stijl was dan dat van hun collega's in de grotere steden. Het belangrijkste Hoornse zilver dateert uit de eerste helft van de 17e eeuw, maar vooral rond het mid­den daarvan (13). De greep van deze degens bestaat uit twee ruggelings tegen elkaar geplaatste menselijke half­figuren, die uit voluutornamenten oprijzen. De inspiratie voor een dergelijke versiering kunnen wij wellicht zoeken in de uit menselijke figuren opgebouwde mesheften, zoals die in deze periode in geheel West-Europa niet ongewoon zijn, maar bij degengevesten blijkt deze dekoratie zeer zelden voor te komen. Ter vergelijking wijzen wij hier op een zilveren degengevest in het Rijksmuseum te Amster­dam (afb. 5), vervaardigd door de Amsterdamse zilver­smid Michiel van Esselbeek, die in 1642 voor het eerst als meester wordt genoemd. Ook hier zien wij een rijk versierd degengevest van dezelfde eenvoudige opbouw, waarbij de dekoratie echter is uitgevoerd in groteske "kwabstijl". De herkomst van deze stijl is wel gezocht in zuidelijke voorbeelden, maar kan door de sterk op spie­ren, weefsels en organen gelijkende vormen ook worden gezocht in de grote belangstelling voor anatomie, die in Holland sedert 1556 opkomt, In dat jaar namelijk werd bij privilege aan de stad Amsterdam toegestaan jaarlijks een lichaam van een geëxecuteerde misdadiger voor ontleed­kundige experimenten te gebruiken. Zeker sinds in 1624 te Amsterdam een "theatrum anatomicum" werd geopend, zijn de resultaten van dit wetenschappelijk onderzoek in brede kringen doorgedrongen. Naar de grote voorbeelden van Adam van Vianen (1569 - 1627) en Paulus van V Vianen (156570 - 1613) hebben speciaal de zilversmeden in de Noordelijke Nederlanden zich met een zekere voorkeur van het "kwab" -ornament bediend.

 

Afb. 5. Amsterdam, Rijksmuseum: inv. nr. RBK 1964 - 4, zilveren degengevest uitgevoerd in de ,,kwab"-stijl door de in 1642 meester geworden Amsterdamse zilversmid Michiel van Esselbeck

 

Op het schuttersstuk van 1655 heeft de schilder Rotius zichzelf afgebeeld met een hellebaard in de rechterhand als aanduiding van zijn rang van sergeant (plaat IV). De degen welke hij draagt valt te midden van de overige de­gens op door zijn uitzonderlijke vorm (afb. 6). Het gevest met een vuistbeugel, die even over de helft van de greep­lengte reikt, komt kort nà 1600 meer voor, o. a. bij de "Hongaarse" pallasch van hertog Maximiliaan I van Beie­ren uit 1610 in het Bayerisches Nationalmuseum te München (14).

 

Afb. 6. Gevest van de degen van sergeant ]an Albertsz. Rotius op het schuttersstuk van 1655 door Jan Albertsz. Rotius (1624-1666); Hoorn, Westfries Museum

 

Plaat IV. Kapitein Clacs Willemsz. Jager, vaandrig Pauwels Lambertsz. en sergeant J. Albertsz. Rotius; detail van het schuttersstuk: Het vendel van kapitein Claes Willemsz. Jager - 1655 door Jan Albertsz. Rotius (1624-1666); Hoorn, Westfries Museum

 

Wel opvallend is hier de knop in de vorm van een honde - kop. De hondekop als versieringselement op wapens werd waarschijnlijk het eerst in Frankrijk gebruikt bij de kolfkappen van pistolen uit het einde van de dertiger jaren van de 17e eeuw. Ter vergelijking tonen wij hierbij een hartsvanger met een overeenkomstige opbouw van de vuistbeugel, afkomstig uit de wapenkollektie van admiraal Cornelis Tromp (1629 - 1691) (afb. 7).

 

Afb. 7. Amsterdam, Rijksmuseum: inv. nr. N. M. 6096A, gevest van een hartsvanger met agaten greep uit de wapenverzameling van admiraal Cornelis Tromp

 

De greep bestaat hier uit één stuk Agaat; in die tijd van­wege de er aan toegekende magische eigenschappen een zeer kostbaar materiaal. Evenals bij het gevest van Rotius' degen, was ook hier het boveneinde van de vuist­beugel door een kettinkje met de knop verbonden.

Vaandrig Pauwels Lambertsz. draagt op dit schilderij uit 1655 een degen met barok kruisgevest (afb. 8), dat in principe van dezelfde konstruktie is als de eerder op plaat III besproken voorbeelden. Deze eenvoudige kruis­gevesten komen nà 1640 in Noordwest-Europa veel voor en zullen hun simpele vorm wellicht hebben te danken aan de eisen, die het degenvechten volgens de Franse school stelde. De oudere theorie, dat het hier om zogenaamde "pillow-swords", d. w. z. degens die men 's nachts onder zijn hoofdkussen kon leggen en bij gevaar snel te voor­schijn kon trekken, gaat is thans achterhaald. Het zijn elegante wapens zonder doelmatige handbescherming, waarvanwaarschijnlijk het uit 1616 gedateerde exemplaar in Windsor Castle het vroegste exemplaar is. In een Zweedse inventarislijstuit 1655 wordendeze degens "wan­deldegens "genoemd, waardoor de theorie van de "pillow­sword" wordt ontzenuwd. De gevesten van deze degens zijn meestal gezwart of met zilveren of gouden ornamenten ingelegd of ook alleen maar van gepolijst blank ijzer ver­vaardigd.

 

Afb. 8. Gevest van de degen van vaandrig Pauwels Lambertsz. op het schuttersstuk van 1655 door Jan Albertsz. Rotins (1624-1666); Hoorn, Westfries Museum

 

De degen van vice-admiraal Pieter Floris (gest. 1658), die inhetWestfries Museum te Hoorn wordt bewaard (afb. 9), één van de zeer zeldzame ons bekende in Hoorn vervaar­digde degens, is een bijzonder goed voorbeeld van dit type en vormt tevens een bewijs dat de door Rotius afgebeelde wapens op bestaande voorbeelden zijn terug te voeren. Voor de degen van kapitein Jager op dit schuttersstuk uit 1655, moet bijzondere aandacht worden gevraagd omdat deze de niet eerder opgemerkte slotfase vormt in de ont­wikkeling, direkt voorafgaand aan het volledig ontwikkelde small sword (plaat V).

 

Afb. 9. Hoorn, Westfries Museum, degen met bronzen gevest van vice-admiraal Pieter Florisz. (gest. 1659) (de greep van latere datum)

 

Plaat V. Kapitein Claes Willemsz. Jager luitenant Willem van Sander en een niet geïdentificeerde schutter; detail van het schuttersstuk: Hel vendel van kapitein Claes Willemsz. Jager,- 1655 door Jan Albertsz. Rotius (1624-1666); Hoorn, Westfries Museum

 

Alle elementen van het small sword zijn hier al aanwezig, zoals ook blijkt uit de naar dit gevest gemaakte afb. 1B, alleen is de ezelshoef hier nog horizontaal in plaats van vertikaal geplaatst. Men zou kunnen veronderstellen, dat Rotius dit gevest niet korrekt heeft afgebeeld en dat het hier een niet bestaande gevestvorm betreft. Tegen deze opvatting pleit echter het feit, dat soortgelijke gevesten ook zijn afgebeeld op het in 1643 door Bartholomeus van der Helst geschilderde schuttersstuk "Het vendel van kapitein Roelof Bicker voor de bierbrouwerij De Haan" in het Rijksmuseum (15).

Wij hebben. hier tenminste een aanwijzing, dat de Noorde­lijke Nederlanden een rol hebben gespeeld bij de ontwikke­ling van het small sword, iets wat geen verwondering be­hoeft te wekken, gezien de rol die deze gewesten in West­Europa hebben gespeeld bij de vervaardiging van wapens. Het is in dit opzicht opmerkelijk, dat men sedert enige tijd wel',de vervaardiging van gewone en voor krijgsge­bruik bestemde wapens in de Noordelijke Nederlanden sedert het begin van de 17e eeuw als een vaststaand feit wil accepteren. De vervaardiging hier te lande van wapens met een hogere technische en artistieke kwaliteit, wordt nog steeds niet of slechts in geringe mate in overweging genomen. Dit is in niet geringe mate te wijten aan het verdwijnen van representatieve stukken uit ons land en onvoldoende archiefonderzoek. Ten onrechte worden hier­door nog dikwijls wapens uitsluitend op' grond van hun hoge artistieke en technische kwaliteit toegeschreven aan die landen, welke traditioneel om hun wapensmeden be­roemd waren. Zo worden in het bijzonder ook nog steeds degens op grond van signaturen op de klingen in Duitsland, Italië en Spanje geplaatst, waarbij men over het hoofd ziet dat ongemonteerde klingen een voornaam exportar­tikel waren en bovendien vele van deze signaturen als kwaliteitsmerk in andere landen zijn nagebootst. Met het oog op het bovengenoemde, koesteren wij de hoop dat systematische bestudering van de wapens op 17e eeuwse Noord-Nederlandse schilderijen een nieuwe dimensie aan het onderzoek kan toevoegen.

Een ander voorbeeld van de Noord-Nederlandse bijdrage in de ontwikkeling der verschillende wapentypen in West­Europa vormt de partisaan van luitenant Willem van Sander op dit schilderij. Deze partisaan namelijk is van karakte­ristiek Noord-Nederlandse vorm, zoals blijkt uit de komma-vormige uitsnijdingen aan de boven- en onderzijde van de vleugels. Dit partisaan-type is in het begin van de twintiger jaren van de 17e eeuw in de Noordelijke Neder­landen ontstaan en het was spoedig ook in het buitenland zeer gezocht, zoals blijkt uit de partisanen welke koning Gustav II Adolf van Zweden in 1626 in Amsterdam liet vervaardigen (16). Het Nederlandse partisaan-type ver­toont reeds in de eerste helft van de 17e eeuw de neiging om korter van kling te worden, zoals ook blijkt uit het hier door Rotius afgebeelde exemplaar. Ter vergelijking kan hier een partisaan worden aangevoerd in het Leger - museum te Leiden (afb. 10).

 

Afb. 10. Leiden, Nederlands Legermuseum: inv. nr. L. 532, partisaan van het Noord- Nederlandse type

 

Van bijzondere betekenis is ook het degengevest van ser­geant Jan J. Groot de Jonghe op het schuttersstuk van 1655 (plaat VI). Hoewel qua opbouw behorend tot de reeds eerder genoemde eenvoudige kruisgevesten, vertegen­woordigt deze een bijzonder interessant type. Het komt in verschillende vormen driemaal op deze schilderijen voor, waarbij de plastisch gemodelleerde leeuwefiguur steeds de gehele gevestopbouw overheerst. Dergelijke leeuwen­gevesten werden bijna tezelfdertijd toegepast bij de ere­sabels, die de Amsterdamse Admiraliteit aan verdienste­lijke vlootvoogden schonk. Van deze eresabels, die waren voorzien van een gouden leeuwengevest, bleef helaas geen enkel exemplaar bewaard, zodat wij hen alleen kennen van de portretten van deze vlootvoogden (17). Interessant is in dit opzicht het zilveren en te Middelburg vervaardigde gevest van de in 1659 door de Admiraliteit van Zeeland aan Domenicus de Virieu geschonken eredegen in het Legermuseum te Leiden, waarvan de knop is gevormd als een halve klimmende leeuw in verband met het wapen van Zeeland (afb. 11).

 

Afb. 11. Leiden, Nederlands Legermuseum, zilveren te Middelburg vervaardigd gevest van de in 1659 door de Admiraliteit van Zeeland aan Domenicus de Virieu geschonken degen

 


Plaat VI. Sergeant Jan J. Groot de Jonghe; detail uit het schuttersstuk: Het vendel van kapitein Claes Willemsz. Jager - 1655 door Jan Albertsz. Rotius (1624-1666); Hoorn, Westfries Museum

 

Het Legermuseum te Leiden bezit bovendien een leeuwen­gevest van verzilverd brons, dat geheel in de stijl van de Noord-Nederlandse leeuwengevesten past (afb. 12). Buiten Nederland werd dit motief ook aangetroffen in Duitsland, waar het, voorzover ons bekend, alleen kan worden aangetoond van de hand van de modelleur en stempelsnijder Gottfried Leygebe (1630 - 1683).

 

Afb. 12. Leiden, Nederlands Legermuseum: inv. nr. 1381/Efa - 2, gevest van verzilverd brons in de vorm van een zittende leeuw met een bal tussen de poten

 

Het leeuwengevest wordt door Seitz (18) zelfs als een uit­vinding van Gottfried Leygebe beschouwd. In het werk, dat door Ada B rühn aan het werk van Gottfried Leygebe is gewijd (19), wordt het aan Leygebe toegeschreven leeuwengevest in Slot Rosenborg bij Kopenhagen echter op grond van de stijl van zijn plaquettes en medailles gedateerd in ca. 1670:

De Hoornse leeuwengevesten zijn dan dus aanzienlijk vroeger dan het exemplaar van de hand van Leygebe en deze kan het zeer wel naar Noord-Nederlandse voorbeelden hebben gemaakt. Of dit al dan niet het geval is geweest, een feit is dat de Noordelijke Nederlanden, zoals hier eens te meer is aangetoond , niet ten achter liepen bij andere landen wanneer het de inventie van bijzondere wapentypen betrof en dat zij in zeker opzicht hierin baanbrekend werk verrichtten.

Het bovenstaande wil in eerste instantie niet meer zijn dan een aansporing tot het systematische onderzoek van de Noord-Nederlandse schuttersstukken omdat deze voor de kennis van de wapens uit de 17e eeuw een zeer belangrijke bron vormen. Zij vormennamelijk een continu doorlopende dokumentatie vanaf het einde van de 16e eeuw tot ver in de 17e eeuw, waarbij wij nog worden geholpen door de eisen van realistische weergave die aan de schilder werden ge­steld. De kwaliteit van de afgebeelde wapens blijkt zo hoog te zijn omdat het hier ging om een toonaangevende groep van de stedelijke burgerij, die gewend was om hoge eisen te stellen.

 

Noten:

  1. Voor gegevens over de schilder Rotius en zijn werk: Renckens, B. J. A. : De Hoorns e portrets childer Jan Albertsz. Rotius; Nederlands Kunsthistorisch Jaar­boek, 's- Gravenhage 194849 blz. 165 - 234
  2. Van der Aa, A. J.: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden; Gorkum 1844 Dl. V blz. 808 - 809
  3. Afbeeldingen en beschrijvingen van deze musketten o. a. in:
    Lenk, T.: Flintlaset dess upkomst och utveckling; Stockholm 1939, Pl. 7 : 2
    Hayward, J. F. : The art of the Gunmaker; Vol. I London 1962, Pl. 28a, c
    Hoff, Arne: Feuerwaffen, Dl. 2 Braunsweich 1969, S. 106 Abb. 81
  4. Leiden, Nederlands Legermuseum: inv. nr. 1557/Ia-10
  5. Afbeeldingen van deze keurmerken in:
    St~ckel, J. F. : Haandskydevaabens Bed~mmelse; Bd. 2 Kopenhagen 1943, blz. 894 - 895, nrs. 5226 - 5234
  6. Over deze omschakeling van de produktie: Ffoulkes, Ch. :ACraftPicture by Jan Breughel; Bur­lington Magazine 19 (1911) p. 40 - 48
  7. Seitz, Heribert: Blankwaffen, Dl. 2 Braunsweich 1968 S. 56 - 71
  8. Mann, Sir James: Wallace Collection-European Arms and Armour, Vol. 2 London 1962 nrs. A.557 e.v.
  9. Verdere uitgaven in 1676 en zelfs nog in 1750
  10. Amsterdam, Rijksmuseum: Cat. 1135
  11. Amsterdam, Rijksmuseum: Cat. 924
  12. Het Hollandse snaphaanslot had o. a. eenronde schijf­vormige plaat aan de buitenzijde van de kruitpan en deze vinden wij als een rond cirkelvormig ornament terug op de slotplaat van enige der vroegste Franse vuursteensloten uit ca. 1610
  13. Mulder, T. R. : Catalogus van de tentoonstelling "Zilver van het Noorderkwartier" in het Westfries Museum te Hoorn, 1957
  14. Seitz, H.: Blankwaffen, Dl. 2 Braunsweich 1968, S. 172 en Abb. 183
  15. Amsterdam, Rijksmuseum: Cat. 1134
  16. Seitz, H.: Bardisanen (The Partisan as a Swedish Yeomen's and military Weapon, Summary) Stockholm 1943 -
  17. Voorbeelden hiervan zijn:
    Amsterdam, Rijksmuseum - B. van der Helst: 1668 - portret van luitenant admiraal Aart van Nes Amsterdam, Rijksmuseum - B. van der Helst: 1668 - portret van vice-admiraal Johan de Liefde
  18. Seitz, H.: Blankwaffen, Dl. 2 Braunsweich 1968, S. 87 - 88
  19. Brühn, Ada: Der Schwertfeger Gottfried Leygebe; T~jhusmuseets Skrifter 1, Kopenhagen 1945, S. 65

 

De afbeeldingen (zwartwit)

 

  1. A Tekening naar het rapier van koning Gustav II Adolf van Zweden, gesneuveld 1632; Stockholm, Livrustkammaren
    B Tekening naar de degen van kapitein Claes Willemsz. Jager op het schuttersstuk van 1655 door Jan Albertsz. Rotius (1624 - 1666); Hoorn, Westfries Museum
    C Tekening naar het small sword in het Leger museum te Leiden, inv. nr. 513/Ee - 46, met op de kling een inschrift, betrekking­hebbend op de intocht in Amsterdam van stadhouder koning Willem III op 12 augustus 1672
  2. Leiden, Nederlands Legermuseum: inv. nr. 1025/Ee - 124, degengevest met schelpvor­mige stootplaat en gegraveerde bladranken in Noord-Nederlandse stijl
  3. Leiden, Nederlands Legermuseum; inv. nr. L. 809, hellebaard van Noord-Nederlands type
  4. Leiden, Nederlands Legermuseum; inv. nr. 968/Ee - 185, rapier van in de Noordelijke Nederlanden veel gebruikt type
  5. Amsterdam, Rijksmuseum: inv. nr. RBK 1964 - 4, zilveren degengevest uitgevoerd in de "kwab"-stijl door de in 1642 meester geworden Amsterdamse zilversmid Michiel van Esselbeek
  6. Gevest van de degen van sergeant Jan Al­bertsz. Rotius op het schuttersstuk van 1655 door Jan Albertsz. Rotius (1624 - 1666); Hoorn, Westfries Museum
  7. Amsterdam, Rijksmuseum: inv. nr. N. M. 6096A, gevest van een hartsvanger met agaten greep uit de wapenverzameling van admiraal Cornelis Tromp
  8. Gevest van de degen van vaandrig Pauwels Lambertsz. op het schuttersstuk van 1655 door Jan Albertsz. Rotius (1624 - 1666); Hoorn, Westfries Museum
  9. Hoorn, Westfries Museum, degen met bronzen gevest van vice-admiraal Pieter Florisz. (gest. 1659) (de greep van latere datum)
  10. Leiden, Nederlands Legermuseum: inv. nr. L. 532, partisaan van het Noord-Nederlandse type
  11. Leiden, Nederlands Legermuseum, zilveren te Middelburg vervaardigd gevest van de in 1659 door de Admiraliteit van Zeeland aan Domenicus de Virieu geschonken degen
  12. Leiden, Nederlands Legermuseum: inv. nr. 1381/Efa - 2, gevestvan verzilverd brons in de vorm van een zittende leeuw met een bal tussen de poten

 

De platen (in kleuren)

 

  • Plaat I Kapitein Seyne Coninck en luitenant Pieter Willemsz. van Neck; detail vanhet schutters­stuk: Het vendel van kapitein Seyne Coninck - 1649 door Jan Albertsz. Rotius (1624 - 1666); Hoorn, Westfries Museum
  • Plaat II Kapitein Jan Vreericks Abbekerk, luitenant Barendt Claesz. Bore en vaandrig Jan Meusz. Groot; detail van het schuttersstuk: Het vendel van kapitein Jan Vreericks Abbekerk - 1651 door Jan Albertsz. Rotius (1624 - 1666); Hoorn, Westfries Museum
  • Plaat III Sergeant Josyas Wybo; detail van het schut­tersstuk: Het vendel van kapitein Jan Vree - ricks Abbekerk - 1651 door Jan Albertsz. Rotius (1624 - 1666); Hoorn, Westfries Museum
  • Plaat IV Kapitein Claes Willemsz. Jager, vaandrig Pauwels Lambertsz. en sergeant J. Albertsz. Rotius; detail van het schuttersstuk: Het vendel van kapitein Claes Willemsz. Jager - 1655 door Jan Albertsz. Rotius (1624 - 1666); Hoorn, Westfries Museum
  • Plaat V Kapitein Claes Willemsz. Jager, luitenant Willem van Sander en een niet geidentificeerde schutter; detail van het schuttersstuk: Het vendel van kapitein Claes Willemsz. Jager - 1655 door Jan Albertsz. Rotius (1624 - 1666); Hoorn, Westfries Museum
  • Plaat VI Sergeant Jan J. Groot de Jonghe; detail uit het schuttersstuk: Het vendel van kapitein Claes Willemsz. Jager - 1655 door Jan Al~ bertsz. Rotius (1624 - 1666); Hoorn, West­fries Museum