Wapens in vreemde krijgsdienst

Door Mathieu Willemsen

Een leger is niet altijd uitgerust met de wapens die voor dat leger zijn vervaardigd. Vaak maken ze gebruik van wapens van (voormalige) tegenstanders. In de collectie van het museum bevinden zich een groot aantal van dergelijke wapens. In dit artikel wordt een kleine selectie hiervan voor het voetlicht gebracht om duidelijk te maken dat legers niet altijd reglementair zijn bewapend, maar dat hier in de praktijk vaak van wordt afgeweken.

Mathieu Willemsen is conservator vuurwapens in het Legermuseum.

Afb. 1 TNI-troepen in 1949, uitgerust met het vooroorlogse Nederlandse geweer M95. Ook de oude KNIL-patroontassen worden nog aan de koppel gedragen. Inv. nr. 00101885

Afb. 1 TNI-troepen in 1949, uitgerust met het vooroorlogse Nederlandse geweer M95. Ook de oude KNIL-patroontassen worden nog aan de koppel gedragen. Inv. nr. 00101885

 

Het algemene beeld bestaat dat een leger is uitgerust met standaardwapens van een bepaald model dat voor dat specifieke leger is ontworpen. In de praktijk van oorlogsvoering gebeurt het echter vaak dat hiervan wordt afgeweken en komt het regelmatig voor dat de manschappen zijn uitgerust met wapens die van de opponent afkomstig zijn. Dit kan gebeuren omdat de eigen oorlogsindustrie het verbruikstempo van de eigen bewapening niet kan bijbenen, omdat de bewapening van de tegenstander beter is of simpelweg omdat grote hoeveelheden van een bepaald type wapen worden aangetroffen in veroverde gebieden. Vaak is het moeilijk vast te stellen of een wapen ook door een ander leger dan het eigen is gebruikt; een uitzondering daarop vormt het Duitse leger dat tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog een grondige aanpak kende van dergelijke Fremdwaffen en Beutewaffen en deze vaak ook als zodanig (h)erkende en hier zelfs officiële militaire publicaties aan wijdde. Hoewel in het artikel een grote nadruk ligt op door Duitse troepen gebruikte wapens, dient dus in het achterhoofd te worden gehouden dat dergelijke ‘exotische’ wapens door alle legers en in alle oorlogen zijn gebruikt. De aantallen buitenlandse wapens konden soms groot zijn en zelfs de reguliere wapens overtreffen. Zo waren op 1 maart 1944 in het bezette Frankrijk, België en Nederland 1133 stukken Duits geschut aanwezig tegenover niet minder dan 3786 Beutegeschütze. Deze grote aantallen buitwapens waren echter niet zo opmerkelijk als het lijkt, aangezien het Oppercommando van het Duitse leger al in 1941 had bepaald dat tien divisies in het West-Europese bezette gebied zoveel mogelijk dienden te worden ‘ombewapend’ met buitwapens1. Voor het overzicht worden de wapens in het artikel onderverdeeld in vier categorieën:

  1. pure buitwapens (tijdens de strijd veroverd)
  2. gemodificeerde buitwapens (tijdens de strijd veroverd en aangepast)
  3. bezettingswapens (onder toezicht van de bezetter geproduceerde wapens)
  4. reglementaire buitwapens (na een overwinning overgenomen in de reguliere bewapening)

Het onderwerp is dusdanig omvangrijk, dat voor dit artikel slechts een greep wordt gedaan uit de uitgebreide collectie van het legermuseum, waarmee de gevarieerdheid van het thema wordt rechtgedaan. Het is dus verre van een volledig overzicht van wat er aanwezig is in de verzameling. Naast wapens, werden ook andere uitrustingsstukken en voertuigen wel overgenomen door de legers2. Hiermee ontstond dus in de praktijk een veel gemêleerder beeld van een krijgsmacht te velde, dan alle propaganda- en speelfilms ons willen doen geloven.

 

Pure buitwapens: tijdens de strijd veroverd

In de Romeinse tijd waren de Romeinen op velerlei gebied superieur aan de autochtone bewoners van de gebieden die zij veroverden. Zo ook op het gebied van de wapentechnologie. Het was voor de inheemse bevolking dan ook niet ongebruikelijk om de bewapening van de Romeinse troepen te stelen en zelf te gebruiken. De Romeinen waren zich hier terdege van bewust en hielden hier ook rekening mee. Zo was de metalen voorkant van de werpspeer (pilum) dusdanig ontworpen dat die slechts éénmaal gebruikt kon worden en verbogen werd nadat zij een treffer hadden geplaatst. Hierdoor konden de tegenstanders de speren niet terugwerpen richting de Romeinen. Met hetzelfde doel was het ook standaard dat de voorlaadkanonnen, zoals die tot diep in de 19e eeuw in gebruik waren, in hun uitrustingspakket een aantal nagels hadden: als de stukken geschut na de strijd niet konden worden meegenomen, dienden de zundgaten te worden dichtgeslagen met nagels3. Op deze wijze waren de kanonnen onklaargemaakt en onbruikbaar geworden. In Amerikaanse wapenvoorschriften uit de Tweede Wereldoorlog was ook standaard een alinea gewijd aan de wijze van permanent onklaar maken van het desbetreffende vuurwapen.

Afb. 2 De Romeinse pilum had een lange ijzeren schacht die bij inslag verboog onder het gewicht van de rest van het wapen, zodat hij niet kon worden hergebruikt als buitwapen. Collectie RMO, Leiden, inv. nr. hl.992/8.57

Afb. 2 De Romeinse pilum had een lange ijzeren schacht die bij inslag verboog onder het gewicht van de rest van het wapen, zodat hij niet kon worden hergebruikt als buitwapen. Collectie RMO, Leiden, inv. nr. hl.992/8.57

 

Afb. 3 Een kanon waarvan het zundgat is vernageld, zodat het onbruikbaar is geworden voor de tegenstander. Inv. nr. 005680

Afb. 3 Een kanon waarvan het zundgat is vernageld, zodat het onbruikbaar is geworden voor de tegenstander. Inv. nr. 005680

 

Bewijs voor het gebruik van wapens van tegenstanders is vaak moeilijk te geven. Uit het begin van de 19e eeuw is bekend dat er wapens werden veroverd op tegenstanders en tegen hen gebruikt. Zo waren er in de wapenmagazijnen van het Nederlandse leger ten tijde van Lodewijk Napoleon Oostenrijkse geweren aanwezig die op de tegenstander waren veroverd en die klaar lagen om door de troepen van het Koninkrijk Holland gebruikt te worden. Aangezien dergelijke ‘buitwapens’ vermoedelijk ongemodificeerd werden overgenomen, zijn ze tegenwoordig niet meer als zodanig te herkennen. Het kan slechts worden vermoed als de locatie waar een dergelijk wapen wordt aangetroffen daar aanleiding toe geeft, of als wapens door de veroveraar werden gestempeld, bijvoorbeeld wegens een reparatie. Deze buitwapens worden vaak als noodmaatregel ingevoerd bij een leger. Voorschriften werden er niet voor gemaakt, en hooguit werd er een kleine aanpassing gedaan door bijvoorbeeld de standen van de vuurregelaar te vertalen of de berieming aan te passen aan de gebruikelijke geweerriemen (zie hieronder). Dit betekent dat het merendeel van deze buitwapens niet te herkennen is als zodanig, tenzij ze bij wijze van uitzondering zijn hersteld of anderswijs zijn voorzien van een eigendomsstempel. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kende het Duitse leger, in tegenstelling tot alle andere strijdkrachten, een eigen typenummer toe aan elk buitenlands wapen dat in gebruik werd genomen. Hierbij werd het wapen voorzien van een nummer en een letter tussen haakjes die de oorspronkelijke nationaliteit aangaf. Zo waren er vanaf 1942 bij de Noorse kustartillerie (Artilleriegruppe Örlandet) 5 kanonnen 10,5 cm K335(h) aanwezig, oftewel 5 ex-Nederlandse kanonnen 10 Veld4 en werd de karabijn M95 no. 1 omgedoopt tot ‘Karabiner 411(h)’. In deze typologie maakten de Duitse legerautoriteiten geen onderscheid tussen wapens die behoorden tot de ‘Beutewaffen’ die daadwerkelijk waren veroverd en de ‘Fremdwaffen’ die tijdens de bezetting buiten Duitsland werden geproduceerd.

Afb. 4 Dit Franse Hotchkiss Anti-tankkanon model 1934, kaliber 25 x 193R heeft vermoedelijk, als 2.5 cm PAK 112 (f) onderdeel uitgemaakt van de bewapening van in Nederland gelegerde Duitse troepen. Het bewijs hiervoor is echter niet af te lezen aan het kanon, dat geen enkele modificatie kent dat daarop wijst. Inv. nr. 006648

Afb. 4 Dit Franse Hotchkiss Anti-tankkanon model 1934, kaliber 25 x 193R heeft vermoedelijk, als 2.5 cm PAK 112 (f) onderdeel uitgemaakt van de bewapening van in Nederland gelegerde Duitse troepen. Het bewijs hiervoor is echter niet af te lezen aan het kanon, dat geen enkele modificatie kent dat daarop wijst. Inv. nr. 006648

 

Afb. 5 Dit 7.5 cm kanon van het KNIL is in dubbel opzicht een buitwapen, hoewel dat niet te zien is aan het stuk. Blijkens oude archiefstukken werd het op 26 augustus 1894 tijdens de pacificatie van Lombok veroverd op de Nederlandse koloniale troepen en enkele maanden later weer terugveroverd waarna het nog werd doorgebruikt. Inv. nr. 007133

Afb. 5 Dit 7.5 cm kanon van het KNIL is in dubbel opzicht een buitwapen, hoewel dat niet te zien is aan het stuk. Blijkens oude archiefstukken werd het op 26 augustus 1894 tijdens de pacificatie van Lombok veroverd op de Nederlandse koloniale troepen en enkele maanden later weer terugveroverd waarna het nog werd doorgebruikt. Inv. nr. 007133

 

Uit de Tweede Wereldoorlog is onder meer bekend dat de Britse troepen de voorkeur gaven aan de kwalitatief betere MP40 pistoolmitrailleur boven de Stengun. Helaas is het niet mogelijk om deze Brits gebruikte MP40’s te herkennen doordat ze niet gestempeld zijn en door het improvisorische karakter van de door de Geallieerden gebruikte buitwapens. Ook het Nederlandse Papoea Vrijwilligers Korps op Nieuw-Guinea had veroverde wapens in haar bezit, namelijk volautomatische Cetmegeweren; deze waren een stuk effectiever dan de Mauser grendelkarabijnen waarmee men was uitgerust. Hoewel deze geweren in de Nederlandse wapenkluizen aanwezig waren, zijn ze uiteindelijk niet ingezet, omdat de Uzi al spoedig vanuit Nederland arriveerde.

 

Gemodificeerde buitwapens: tijdens de strijd veroverd en aangepast

Hoewel het vaak voorkwam dat wapens ongemodificeerd werden gebruikt, kwam het ook regelmatig voor dat de nieuwe gebruiker de wapens wilde aanpassen. De modificaties liepen uiteen van zeer marginaal (het vertalen van de letters bij een vuurselector, zodat de gebruiker wist wanneer het wapen op vuren of op veilig stond, kwam bij veel wapens voor) tot zeer ingrijpende modificaties waarbij een geweerfabriek moest worden ingeschakeld.

Redenen hiervoor waren bijvoorbeeld dat de geweren op een andere wijze moesten worden gedragen, of dat er een andere bajonet op moest passen omdat er niet genoeg veroverde bajonetten ter beschikking waren. De oudste gemodificeerde buitwapens in de collectie stammen uit de Eerste Wereldoorlog. Een Russisch Mosin-Nagantgeweer model 1891 is voorzien van nieuwe kordonbeugels, waardoor deze op de Duitse wijze is te dragen met riemen aan de onderkant in plaats van aan de zijkant. Daarnaast is ook de neuskap gewijzigd en voorzien van een opzetmogelijkheid voor een mesbajonet. Ook een Frans Lebelgeweer is tijdens deze oorlog door het Duitse leger aangepast5. Hierbij heeft men uitsluitend een andere bajonethaft op het wapen geplaatst en de kast voorzien van een Duits eigendomsstempel6.

Afb. 6 boven Deze Poolse geweermitrailleur WZ28 uit 1937 is door het Duitse leger gebruikt, getuige de gebruiksaanwijzing van de vuurselector op de kolf. Inv. nr. 007173

Afb. 6 boven Deze Poolse geweermitrailleur WZ28 uit 1937 is door het Duitse leger gebruikt, getuige de gebruiksaanwijzing van de vuurselector op de kolf. Inv. nr. 007173

 

Afb. 7 onder Russisch geweer model 1891, door het Duitse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog gebruikt. Op de kolf is het eigendomsstempel te zien van het Duitse Keizerrijk dat vanaf 1915 werd gebruikt op alle in de bewapening zijnde buitenlandse wapens. Inv. nr. 002555

Afb. 7 onder Russisch geweer model 1891, door het Duitse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog gebruikt. Op de kolf is het eigendomsstempel te zien van het Duitse Keizerrijk dat vanaf 1915 werd gebruikt op alle in de bewapening zijnde buitenlandse wapens. Inv. nr. 002555

 

De buitwapens die het Duitse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog veroverde kregen geen eigen typeaanduiding, zoals dat bij de navolgende oorlog wel zou gebeuren. Ze behielden dezelfde benaming als in het oorspronkelijke leger. Behalve zaken als berieming en bajonethaft, werden ook wel ingrijpender modificaties uitgevoerd. Zo werd bij de Franse geweermitrailleur model 1924/29 een luchtdoelvizier toegevoegd. Ter aanduiding van deze aanpassing aan de moderne oorlogsvoering werd in het wapen achter de typebenaming n/A (neuer Art) geslagen. Hiermee waren deze wapens uit de jaren ’20 helemaal up-to-date zodat ze een bedreiging vormden in de inmiddels opgekomen luchtoorlog. Ook de kalibers van veroverde wapens werden wel gemodificeerd, zodat de veroverde wapens standaardmunitie van het nieuwe leger konden gebruiken. Dit kwam ondermeer voor bij Franse Lebelgeweren die tijdens de Eerste Wereldoorlog door de Duitse troepen werden gebruikt en bij Nederlandse M95 geweren en karabijnen die in Nederlands-Indië door de Japanners werden gebruikt.

Afb. 8 Frans lebelgeweer, tijdens de Eerste Wereldoorlog voorzien van een nieuwe bajonethaft en eigendomsstempels van het Duitse rijk. Wat de letters A.D. betekenen is onbekend. Inv. nr. 000754

Afb. 8 Frans lebelgeweer, tijdens de Eerste Wereldoorlog voorzien van een nieuwe bajonethaft en eigendomsstempels van het Duitse rijk. Wat de letters A.D. betekenen is onbekend. Inv. nr. 000754

 

Afb. 9 Franse geweermitrailleur model 1924/29 Neuer Art, met luchtdoelvizier (het ronde voorwerp achter aan de loop) en Duitstalige vuurselector (E=Einzelfeuer, D=Dauerfeuer). Inv. nr. 003923

Afb. 9 Franse geweermitrailleur model 1924/29 Neuer Art, met luchtdoelvizier (het ronde voorwerp achter aan de loop) en Duitstalige vuurselector (E=Einzelfeuer, D=Dauerfeuer). Inv. nr. 003923

 

Afb. 10 Deze M95 karabijn van het KNIL is tijdens de bezetting van Nederlands-Indië door de Japanners omgebouwd naar het kaliber .303; het merkteken op de kamer betekent zoveel als “wapenarsenaal”. Inv. nr. 000789

Afb. 10 Deze M95 karabijn van het KNIL is tijdens de bezetting van Nederlands-Indië door de Japanners omgebouwd naar het kaliber .303; het merkteken op de kamer betekent zoveel als “wapenarsenaal”. Inv. nr. 000789

 

Soms waren de wijzigingen zo ingrijpend dat gesproken kon worden van een nieuw type wapen. De sterke verliezen van het Duitse leger aan het oostfront deden de noodzaak voor meer materieel voelen. Als een van de oplossingen werd een nieuw type antitankkanon ontworpen. Hiertoe gebruikte men de 75 mm lopen van Franse veldkanonnen model 1897 en plaatste deze op onderstellen van de 5 cm PAK 38. Op deze wijze ontstond een krachtig wapen dat opgewassen was tegen Russische tanks. Deze 7,5 cm Panzerjägerkanone 97/38 bleek zeer effectief. Zo verkreeg Gerardus Mooijman in maart 1943 als eerste Nederlandse SS-er het ridderkruis van het IJzeren Kruis omdat hij tijdens de slag om het Ladogameer met zijn kanon 13 Russische tanks wist uit te schakelen.

Afb. 11 De Nederlandse SS-er Gerardus Mooyman (de eerste niet-Duitse ridder IJzeren Kruis) poseert bij de PAK 97/38 waarmee hij 13 tanks wist uit te schakelen. Inv. nr. 00120432

Afb. 11 De Nederlandse SS-er Gerardus Mooyman (de eerste niet-Duitse ridder IJzeren Kruis) poseert bij de PAK 97/38 waarmee hij 13 tanks wist uit te schakelen. Inv. nr. 00120432

 

Afb. 12 De PAK 97/38 in de collectie van het Legermuseum. Dit wapen bestaat uit een Franse schietbuis model 1897 (met een nieuwe mondingsrem) op een Duits onderstel. Inv. nr. 005755

Afb. 12 De PAK 97/38 in de collectie van het Legermuseum. Dit wapen bestaat uit een Franse schietbuis model 1897 (met een nieuwe mondingsrem) op een Duits onderstel. Inv. nr. 005755

 

Bezettingswapens: in bezette gebieden geproduceerd onder toezicht van de overwinnaar

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden veel gebieden veroverd waar actieve wapenfabrieken stonden, zoals de FN in Luik (België), CZ in Brno (Tsjechoslowakije) en Fabryka Broni W Radomiu in Radom (Polen). Gedurende de bezetting bleven deze fabrieken veelal hun vooroorlogse productielijn voortzetten. Hooguit werden de wapens voortaan soms voorzien van Duitstalige opschriften. Vaak lagen er ook nog wapens in de opslag, klaar voor nieuwe klanten. Ook deze werden wel overgenomen door de bezettingsmacht. De wapens die tijdens de Tweede Wereldoorlog in deze bezette gebieden onder Duits toezicht werden vervaardigd, werden gecontroleerd door in de fabrieken gelegerde Waffenämte. Na acceptatie werden deze wapens gestempeld met een acceptatiestempel bestaande uit een adelaar en vaak het nummer van het Waffenamt dat de wapens in de fabriek goedkeurde voor gebruik in het Duitse leger. Een variant op dit thema is het Roemeense geweer 1893, kaliber 6,5 mm dat in 1914 werd overgenomen door de Oostenrijkse strijdkrachten. Zo’n 75.000 exemplaren lagen klaar in de Steyrfabrieken om aan Roemenië te worden afgeleverd. Toen de oorlog in 1914 uitbrak en de twee landen tegenover elkaar kwamen te staan, kocht de Oostenrijkse overheid deze wapens van de fabrikant. Ze werden niet meer uitgeleverd aan de oorspronkelijke opdrachtgever, maar aangepast aan de Oostenrijkse munitie en in het kaliber 8 x 50 aan de Habsburgse troepen uitgereikt. De wapens werden niet, zoals gebruikelijk, voorzien van het Roemeense wapen op de kolf en de kroon bovenop de kamer. Het vizier op de geweren was overeenkomstig de vizieren van de reglementaire Oostenrijkse geweren model 1895.

Vergelijkbare voorbeelden zijn ook te vinden in andere wapenfabrieken in Europa: in de collectie bevinden zich een viertal Iraanse Browning vliegtuigmitrailleurs die in 1939 door de FN-fabrieken te Luik zijn vervaardigd. Het kan haast niet anders (hoewel hiervoor bewijs ontbreekt), of deze stukken zijn in 1940 door de Duitsers in de fabriek aangetroffen en vervolgens opgenomen in de bewapening van de Duitse strijdkrachten.

Afb. 13 Een Tsjechisch pistool CZ27, blijkens de modelaanduiding tijdens de Duitse overheersing van Tsjecho-Slowakije in Brno (Brünn) geproduceerd. Inv. nr. 004354

Afb. 13 Een Tsjechisch pistool CZ27, blijkens de modelaanduiding tijdens de Duitse overheersing van Tsjecho-Slowakije in Brno (Brünn) geproduceerd. Inv. nr. 004354

 

Afb. 14 Een Browning 1910/22, gefabriceerd bij de FN-fabrieken in Luik en tijdens de bezetting door het Duitse leger in gebruik genomen als Pistole 626 (b). Op de kast staan Duitse afname- en Waffenamt-stempels. Waffenamt 103 bevond zich bij de FN-fabriek te Luik. Inv. nr. 004329

Afb. 14 Een Browning 1910/22, gefabriceerd bij de FN-fabrieken in Luik en tijdens de bezetting door het Duitse leger in gebruik genomen als Pistole 626 (b). Op de kast staan Duitse afname- en Waffenamt-stempels. Waffenamt 103 bevond zich bij de FN-fabriek te Luik. Inv. nr. 004329

 

Afb. 15 Een Frans pistool model 1935A, geproduceerd in de Société Alsacienne de Constructions Mécaniques (SACM) tijdens de Duitse bezetting als Pistole 625(f). Tussen de modelaanduiding en de fabrieksnaam is het Waffenamt-stempel zichtbaar. Inv. nr. 002826

Afb. 15 Een Frans pistool model 1935A, geproduceerd in de Société Alsacienne de Constructions Mécaniques (SACM) tijdens de Duitse bezetting als Pistole 625(f). Tussen de modelaanduiding en de fabrieksnaam is het Waffenamt-stempel zichtbaar. Inv. nr. 002826

 

Afb. 16 Een Roemeens geweer model 1893, tijdens de Eerste Wereldoorlog gemodificeerd voor het Oostenrijkse leger. Het vizier is aangepast voor Oostenrijkse munitie en identiek aan het vizier van het Oostenrijkse geweer model 1895. In tegenstelling tot de Roemeense wapens, is op de kast geen koningskroon zichtbaar. Inv. nr. 003170

Afb. 16 Een Roemeens geweer model 1893, tijdens de Eerste Wereldoorlog gemodificeerd voor het Oostenrijkse leger. Het vizier is aangepast voor Oostenrijkse munitie en identiek aan het vizier van het Oostenrijkse geweer model 1895. In tegenstelling tot de Roemeense wapens, is op de kast geen koningskroon zichtbaar. Inv. nr. 003170

 

Afb. 17 Een van de mitrailleurs die in 1939 bij de Fnfabrieken is gemaakt voor Perzië. Deze zal ongetwijfeld door de Duitsers zijn overgenomen voor hun bewapening. Inv. nr. 003805

Afb. 17 Een van de mitrailleurs die in 1939 bij de Fnfabrieken is gemaakt voor Perzië. Deze zal ongetwijfeld door de Duitsers zijn overgenomen voor hun bewapening. Inv. nr. 003805

 

Afb. 18 Een Pruisische karabijn model 1873 systeem Chassepot. Een van de vele exemplaren die tijdens de Frans-Duitse oorlog zijn veroverd door de Duitsers en vervolgens is omgebouwd van naaldvuur naar centraalvuur. Onder het vizier is een fraaie serie Duitse inspectiestempels zichtbaar. Inv. nr. 001394

Afb. 18 Een Pruisische karabijn model 1873 systeem Chassepot. Een van de vele exemplaren die tijdens de Frans-Duitse oorlog zijn veroverd door de Duitsers en vervolgens is omgebouwd van naaldvuur naar centraalvuur. Onder het vizier is een fraaie serie Duitse inspectiestempels zichtbaar. Inv. nr. 001394

 

Reglementaire buitwapens: na een overgave opgenomen in de reguliere bewapening

Na afloop van een oorlog laat een bezetter vaak grote aantallen wapens achter. Ook komt het voor dat tijdens een oorlog grote hoeveelheden van een identiek model wapen worden veroverd. Soms werden deze wapens (al dan niet gemodificeerd) opgenomen in de na-oorlogse bewapening. Het vroegste voorbeeld in de collectie van het Legermuseum is een aantal Franse Chassepotgeweren die na de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871 zijn overgenomen in Duitse dienst. De naaldvuurgeweren werden hiertoe grondig gemodificeerd door ze in te korten tot karabijnen en het naaldvuurmechanisme om te bouwen naar centraalvuur. Voor dit doeleinde had het Duitse leger in 1871 niet minder dan 600.000 geweren ter beschikking, waarvan een deel in diverse Duitse fabrieken werden omgebouwd7. Dit ombouwen gebeurde omdat in 1871 een nieuw centraalvuur Mausergeweer werd ingevoerd in het Duitse keizerrijk. De aanmaak van de Mauser karabijnversie zou nog enige tijd op zich laten wachten en om toch op korte termijn een centraalvuurkarabijn voor de bereden troepen ter beschikking te hebben werden de Franse Chassepots omgebouwd. In totaal zouden zo’n 275.000 karabijnen model 1873 voor de kurassiers en lansiers worden vervaardigd uit veroverde Franse wapens. Een kleine halve eeuw later zien we iets vergelijkbaars gebeuren bij onze zuiderburen: na de wapenstilstand van 1918 verlieten de Duitse troepen België, grote hoeveelheden wapens achterlatend. Hieronder bevonden zich ook Maxim mitrailleurs M08/15. Deze werden na de oorlog gemodificeerd door de Manufacture d’armes de l’état en in gebruik genomen door het Belgische leger. Hiertoe werden deze wapens ondermeer voorzien van een nieuwe loop in het Belgische kaliber 7.65 x 53, nieuwe richtmiddelen en een verstelbare kolf. Toen Nederland in 1945 werd bevrijd, was er ook een groot gebrek aan vuurwapens. Logisch dus dat er in die eerste periode na de oorlog ook volop Duitse wapens werden verstrekt aan Nederlandse troepen. In de collectie bevinden zich een aantal vuurwapens die zijn gestempeld met de letters R.E.8. Naar verluidt zou dit Rijks Eigendom betekenen, wat zou impliceren dat deze wapens door de Nederlandse overheid zijn gebruikt. Het is niet exact bekend wie deze wapens heeft laten stempelen, maar mogelijk is dit tijdens de woelige dagen rondom de bevrijding gebeurd door de Binnenlandse Strijdkrachten. Daarnaast zijn bijvoorbeeld ook Duitse K98 karabijnen in de collectie aanwezig die na 1945 bij de Artillerie Inrichtingen zijn omgebouwd tot schermgeweer. Ook andere overheden in Nederland gebruikten wapens van de voormalige bezetter. Zo was de Papoea politie in Nieuw-Guinea tot 1962 uitgerust met K98 karabijnen en MP40 pistoolmitrailleurs. De na-oorlogse harde bijstandseenheid van de rijkspolitie had, naast Duitse karabijnen, zelfs MG34’s in de bewapening. Ook het departement van Financiën bezat mauserkarabijnen getuige een exemplaar in de collectie met het stempel DvF. Vermoedelijk zal dit exemplaar in gebruik zijn geweest bij de douane. Getuige enkele exemplaren in de collectie, werden rond 1950 ook K98- karabijnen bij de Artillerie Inrichtingen omgebouwd tot schermgeweren voor het Nederlandse leger. Een type oefenwapen dat tegenwoordig onbekend is in de krijgsmacht.

Afb. 19 Een na de Eerste Wereldoorlog door de Manufacture d’Armes de l’État voor het Belgische leger omgebouwde Duitse MG 08/15. Inv. nr. 001681

Afb. 19 Een na de Eerste Wereldoorlog door de Manufacture d’Armes de l’État voor het Belgische leger omgebouwde Duitse MG 08/15. Inv. nr. 001681

 

Afb. 20 Een Duits Karabiner 43 en een Italiaanse Beretta model 1938A met het stempel R.E. op de kolf dat naar verluidt staat voor ‘Rijks Eigendom’ en dat aantoont dat deze wapens na 1945 door het Nederlandse koninkrijk in de bewapening zijn genomen. Inv. nrs. 003645 + 003286

Afb. 20 Een Duits Karabiner 43 en een Italiaanse Beretta model 1938A met het stempel R.E. op de kolf dat naar verluidt staat voor ‘Rijks Eigendom’ en dat aantoont dat deze wapens na 1945 door het Nederlandse koninkrijk in de bewapening zijn genomen. Inv. nrs. 003645 + 003286

 

Afb. 21 Agent van de Papoea veldpolitie op Nieuw-Guinea met een Duitse K98 uit de oorlog. Het wapen ontbeert een pompstok. De K98 was het standaardwapen voor de politie aldaar. Ook MP40’s werden verstrekt. Inv. nr. 00146983

Afb. 21 Agent van de Papoea veldpolitie op Nieuw-Guinea met een Duitse K98 uit de oorlog. Het wapen ontbeert een pompstok. De K98 was het standaardwapen voor de politie aldaar. Ook MP40’s werden verstrekt. Inv. nr. 00146983

 

Afb. 22 Deze Duitse K98 is na de oorlog gebruikt door het departement van Financiën, getuige de stempeling. Inv. nr. 004635

Afb. 22 Deze Duitse K98 is na de oorlog gebruikt door het departement van Financiën, getuige de stempeling. Inv. nr. 004635

 

Afb. 23 Duitse K98, rond 1950 bij de Artillerie Inrichtingen omgebouwd tot schermgeweer. Inv. nr. 002023

Afb. 23 Duitse K98, rond 1950 bij de Artillerie Inrichtingen omgebouwd tot schermgeweer. Inv. nr. 002023

 

Niet alleen vuurwapens werden gebruikt als buitwapens, ook bij blanke wapens kwam dit wel voor. Helaas werden deze wapens vaak echter niet gemodificeerd, en zijn ze niet als zodanig herkenbaar. Een van de bekende uitzonderingen is de zogenaamde Heiho-klewang: een type klewang van het KNIL dat na de overgave van Nederlands-Indië werd gebruikt door Indonesiërs in Japanse hulptroepen, de Heiho. Deze klewangs werden gewijzigd door ze in te korten en de gevestkorf weg te nemen. Op een vergelijkbare wijze werden bijvoorbeeld ook Nederlandse stormdolken tijdens de Tweede Wereldoorlog gemodificeerd en doorgedragen. Ook in andere landen werden blanke wapens wel gemodificeerd: het Noorse leger besloot na de oorlog om Duitse bajonetten te modificeren, zodat ze geschikt waren voor het Amerikaanse Garandgeweer.

Afb. 24 Een klewang van de Heiho, een Japans hulpkorps dat in 1943 in Nederlands-Indië werd opgericht. De gevestkorf is verwijderd en de kling is ingekort evenals de schede. Inv. nr. 015934

Afb. 24 Een klewang van de Heiho, een Japans hulpkorps dat in 1943 in Nederlands-Indië werd opgericht. De gevestkorf is verwijderd en de kling is ingekort evenals de schede. Inv. nr. 015934

 

Afb. 25 Duitse mauserbajonet, door het Noorse leger gemodificeerd voor passing op het Garandgeweer. Hiertoe is de greep gewijzigd en is de schede voorzien van ophanghaken, zodat deze in de koppel naar Amerikaans model past. Inv. nr. 019218

Afb. 25 Duitse mauserbajonet, door het Noorse leger gemodificeerd voor passing op het Garandgeweer. Hiertoe is de greep gewijzigd en is de schede voorzien van ophanghaken, zodat deze in de koppel naar Amerikaans model past. Inv. nr. 019218

 

Dat er nog steeds buitwapens in gebruik zijn bij diverse legers, bewijzen onder meer de Duitse Bundeswehr en de Afghaanse rebellen. Toen Oost- en Westduitsland met elkaar werden verenigd in 1990, was er een groot overschot aan Oostduits oorlogsmaterieel. Toen dan ook zeven jaar later een nieuw geweer werd geïntroduceerd bij de Bundeswehr, werd weliswaar niet besloten om de Oostduitse kalasjnikov te nemen (hoewel daarvan grote hoeveelheden beschikbaar waren), maar om een nieuw ontwerp van de firma Heckler & Koch in te voeren: de G36. Als bajonet werd echter voor een oud model gekozen: de Oostduitse bajonet van de kalasjnikov. Deze werd gemodificeerd door de geweerbevestiging zodanig aan te passen dat die aan de nato-normen voldeed, en ook de ophanging aan de koppel te moderniseren. De huidige tegenstander van de Nederlandse troepen in Uruzgan maakt ook vooral gebruik van buitwapens. Zo hebben de Britse troepen die tot 1919 over Afghanistan heersten grote hoeveelheden Martini Henry’s en Lee Enfieldgeweren achtergelaten; wapens die nu nog gebruikt worden in de strijd tegen de NAVO-troepen. Ook de 10-jarige aanwezigheid van het Russische leger aldaar (1979-1989) heeft er voor gezorgd dat grote hoeveelheden Russische geweren, mitrailleurs en granaatwerpers tot op de dag van vandaag de grootste tegenstanders vormen voor de ISAF-eenheden.

Ook bij toekomstige oorlogen zal het ongetwijfeld blijven voorkomen, dat buitwapens worden ingezet; vooral als het gaat om conflicten waarbij strijdende partijen tegenover elkaar staan die op technologisch gebied geen gelijken zijn.

Afb. 26 De bajonet voor het moderne geweer G36 is een gemodificeerde kalasjnikovbajonet van het voormalige Oostduitse leger. Inv. nr. 019638

Afb. 26 De bajonet voor het moderne geweer G36 is een gemodificeerde kalasjnikovbajonet van het voormalige Oostduitse leger. Inv. nr. 019638

 

Afb. 27 Deze Russische Kalasjnikov is in Uruzgan door ISAF- troepen op de tegenstander buitgemaakt. Inv. nr. 007854

Afb. 27 Deze Russische Kalasjnikov is in Uruzgan door ISAF- troepen op de tegenstander buitgemaakt. Inv. nr. 007854

 

Literatuurlijst

  • Beliën, P., Het Romeinse leger in Nederland (Delft 1996)
  • Breukers, J., ‘Gewapend tegen oproer, de bewapening en uitrusting van de Amsterdamse karabijnbrigade, 1935-1940, en harde bijstandsdetachementen der rijkspolitie in de vijftiger jaren’, in: Nederlands Politie Museum jaarboek ’95, 39-42
  • Carney, K. & R.W. Edwards, Captured Mosin-Nagant rifles, op www.mosinnagant.net
  • Eckardt, W. & O. Morawietz, Die Handwaffen des Brandenburg-Preußisch-Deutschen Heeres 1640-1945 (Hamburg 1957)
  • Goldshmith, D.L., The devil’s paintbrush, Sir Hiram Maxim’s gun (20023)
  • Harrison, G.A., United States Army in World War II, the European Theater of operations, Cross-Channel Attack (Washington 20022)
  • Hintermeier, H., In der Stunde der Not, die fremdländischen Gewehrmodelle in Österreich-Ungarn 1914-1918 (Wien 2003)
  • Jervas, B., German coastal defence in Norway during WW II, op www.feldgrau.com/norwcoast.html
  • Pawlas, K.R. ‘Die 7,5 cm Pak 97/38’, in: Waffenrevue 28, 4533-4552
  • Pawlas, K.R. ‘Beutegeschütze bei der Deutsche Wehrmacht’, in: Waffenrevue 63, 125-145
  • Puype, J.P. & R.J. de Stürler Boekweit, Klewang, catalogus van het Legermuseum (Delft 2001)
  • S.n. Kaliber-einheiten der Artillerie-Munition für Beutegeschütze (1944)
  • Spielberger, W.J., Beute-Kraftfahrzeuge und –Panzer der deutschen Wehrmacht (Stuttgart 19993)
  • Vries, G. de, “ Duitse militaire wapens: Beutewaffen”, in: SAM 94, 56-61
  • Vuillemin, H., ‘La grande aventure des fusils expérimentaux’, in: La Gazette des Armes 255, pp.47-49
  • Willemsen, M., ‘De Nederlandse bewapening op Nieuw-Guinea 1950-1962’ in: SAM 126 (dec.2003/jan.2004),26-31
  • Wrobel, K.-H., Drei Linien: die Gewehre Mosin-Nagant (Schwäbisch Hall 1999)

 

Noten

  1. Harrison, p. 240 (memo van het Oberkommando Des Heeres, 6-12-1941, titel Umbewaffnung von Westdivisionen auf Beutewaffen)
  2. Het boek van Spielberger gaat uitgebreid in op allerlei buitvoertuigen die het Duitse leger tijdens de Tweede Wereldoorlog bezat.
  3. Voor een afbeelding van een dergelijke nagel, zie ook het artikel van J. Hilkhuijsen over een merkwaardig aandenken elders in deze publicatie, waar een gave nagel wordt getoond onder in het reliekenkastje.
  4. Ontleend aan Jervas
  5. In het Duitse leger werden Lebelgeweren verstrekt aan spoorwegtroepen; hun mausergeweren werden dan vervolgens ter beschikking van de infanterie gesteld (mededeling Dr. D. Storz, Bayerisches Armeemuseum).
  6. De door de Duitsers gebruikte buitwapens werden vanaf 1915 voorzien van een eigendomsmerk van het Duitse rijk, om te voorkomen dat ze standrechtelijk door de vijand zouden worden geëxecuteerd wegens plundering (mededeling Dr. D. Storz, Bayerisches Armeemuseum).
  7. Eckardt & Morawietz, p. 140
  8. Het betreft een Duits Gewehr 43 (003288), een Duitse karabijn K43 (003286), een Britse Lee Enfield no. 4 (004636) en een Italiaanse Beretta pistoolmitrailleur model 38/42 (003645).