Dr.Ir. M.A.H. Donners (1972) schermt sinds 1984. Naast de gebruikelijke wapens heeft hij zich toegelegd op het klassieke schermen, waaronder het Nederlandse stok- en geweer­schermen. In dit artikel schetst hij de introductie en verdere ontwikkeling van het bajo­netschermen binnen het Nederlandse leger.

 

Hoerrah! De bajonetschermkunst in Nederland 1841-1908

door Maurice A.H. Donners

 

`Het commando `attaqueren' wordt gegeven als de compagnie op 20 tot 30 passen gena­derd is. Na het vellen van de geweren wordt in versnelde pas aangemarcheerd. Bij het attaqueren heft de compagniescomman­dant het hoerrah' aan, wat de compagnie overneemt om dan met de looppas aan te vallen'.[1]

 

Inleiding

Sedert hun introductie in Europa verdrongen de vuurwapens langzamerhand de blanke wapens op de slagvelden. Maar tot in het be­gin van de achttiende eeuw werden troepen uitgerust met pieken, omdat zij nodig werden geacht voor het weerstaan van cavalerie­aanvallen en zelfs voor het beslissen van de strijd.[2,3] Na de invoering van de bajonet in het midden van de zeventiende eeuw duurde het nog bijna honderd jaar voordat de lange stok­wapens definitief waren verdwenen uit de handen van de soldaten. Voor officieren en onderofficieren van de infanterie bleven hel­lebaarden en spontons hun rol van persoon­lijk wapen, hulpmiddel voor het leiden van de troepen en rangonderscheidingstelcen hou­den. Pas tegen het einde van de achttiende eeuw schakelde het kader, ondanks herhaalde voorstellen om dit ook met geweer en bajonet te bewapenen, over op de degen of de sabel.[4]

Met de invoering van de vuurwapens vermin­derde het belang dat men in het leger hechtte aan het oefenen in het gebruik van de blanke wapens, zoals men dat eeuwenlang onder­meer ook met de piek en de hellebaard beoe­fend had. Ondertussen werd het onderwijs in het schieten niet voldoende benadrukt. Tot aan de Franse Revolutie maakte de schiet­noch de schermkunst onderdeel uit van het onderwijs aan de soldaten. In de jaren daarna ontbrak de rust om dit onderwijs op te zetten en werden bovendien voortdurend in hoog tempo legers samengesteld uit nieuwe oner­varen lichtingen dienstplichtigen, die het toch al èn aan motivatie èn aan training ont­brak om de bestaande leerdoelen te halen. Hun kunde beperkte zich dan ook meestal tot het in dicht samengepakte linie marcheren, op commando gelijktijdig in de richting van de tegenoverstaande vijand te schieten en de bajonet te vellen, zonder met deze acties veel effect te sorteren. Ondertussen beschouwde men de artillerie en de cavalerie steeds meer als beslissende wapens in plaats van de infan­terie .[3]

Een voorbeeld van een ontwikkeling die in deze turbulente tijd verloren ging is het systeem dat een opzichter van de artillerie in het Franse leger in Catalonië in 1811 op papier zette. Hierbij werd gebruik gemaakt van de bajonet (baionette) en de kolf (crosse), vandaar de naam: Crosnette. Volgens de overlevering had hij zo'n niveau bereikt, dat hij aan ver­schillende ruiters tegelijkertijd het hoofd kon bieden. Een geïllustreerde verhandeling over deze kunst Crosnette, Une théorie du double jeu de la Grosse et de la baïonette werd aan de Keizer aangeboden, waar het in de afgrond van de papier-kraam belandde, om vervol­gens spoorloos te verdwijnen.[5]

 

De eerste stappen

De ervaringen die men in de napoleontische oorlogen opgedaan had, gingen niet allemaal verloren. Zodra Europa in rustiger vaarwater kwam, werd er hard gewerkt om zowel de schiet- als de bajonetschermkunst te syste­matiseren en in te voeren in het militair onderwijs. De onderwijzers ondervonden al lang dat de lichamelijke gesteldheid van de rekruten veel te wensen overliet.[6] Door de invoering van het bajonetschermen, hoe beperkt ook, werd dit probleem alleen maar vergroot.

Voor de oplossing van deze problemen maak­te men gebruik van twee nieuwigheden uit het eerste decennium van de negentiende eeuw. Ten eerste kwam in Duitsland het tur­nen van de grond. Navolgers van Gutsmuth, die wel als grondlegger van het Duitse turnen wordt gezien, zoals bijvoorbeeld Jahn, gebruikten het turnen om de weerbaarheid van de (mannelijke) bevolking te vergroten. Bovendien werd het een middel voor de ver­spreiding van het ideaal van de Duitse een­heid. Lange tijd was het boek van Gutsmuth Gymnastik für die jugend, in 1812 door Prof. J. van Geuns in het Nederlands vertaald. [7,8] de enige bruikbare gymnastiekhandleiding in Nederland.

In Denemarken, aan de rand van het toen nog woelige Europa, had men al in 1806 het bajo­netschermen ingevoerd in het rekrutenon-derwijs. De eerstvolgende die dit idee oppak­te, was Selmnitz in Saksen. A1 vanaf het begin van zijn militaire loopbaan in 1806 was hij geïnteresseerd in het gebruik van de blan­ke wapens. In 1815 maakte hij deel uit van het Saksische bezettingsleger in Frankrijk. Hier maakte hij gebruik van de gelegenheid om van de meest vooraanstaande schermle­raren les te nemen en om aan zoveel moge­lijk wedstrijden deel te nemen. Bovendien maakte hij kennis met het vechten met de baton `à deux bouts' dat traditioneel beoe­fend werd in Normandië en Bretagne en waarbij met beide uiteinden van de stok getroffen kon worden. Zijn initiatieven wer­den door zijn commandanten zeer gewaar­deerd en waar mogelijk ook ondersteund. Zo schiep hij een systeem voor het bajonetscher­men, hoofdzakelijk gebaseerd op het scher­men met de floret.[9] (afb. 1).

 

Afb. 1. De wering rechts tegen de sabelruiter en de wering links tegen de lansier uit 'Die Bajonettfechtkunst (..)' van Selmnitz'.
(Collectie Bibliotheek Legermuseum sign. 1815)

 

In de jaren dertig van de negentiende eeuw begon in Nederland door te dringen dat het bajonetschermen zich internationaal aan het uitbreiden was, waar het enkele jaren daar­voor nog vrij onbekend was. Zelfs Sultan Mahmoud in Constantinopel liet zijn leger met het voor de soldaten nieuwe bajonetgeweer schermen om hen vertrouwen in dit wapen te geven. Het is vreemd dat in Frank­rijk, juist hèt land waar het blanke wapen altijd zo populair is geweest, het bajonet­schermen nog niet van de grond kwam. Waar­schijnlijk voorkwam chauvinisme het invoe­ren hiervan, omdat de basis niet in Frankrijk was gelegd. De invoering zou echter niet lang op zich laten wachten. In Parijs was door de kolonel Amaros een instituut voor onderwijs in kunstmatige lichaamsoefeningen opge­richt. Hier kreeg de militair de behendigheid en vlugheid die nodig was voor het bajonet­schermen. (afb. 2)

 

Afb. 2. 'Parade de tierce en parade de quarte' uit 'Ecole du tirailleur' van Jh. Pinette'
(Collectie Bibliotheek Legermuseum)

 

In 1836 woonde een Nederlandse officier in de school van Amaros een demonstratie bij van de onderwijzer in de bajonetscherm­kunst, M. Pinette. Hierin overwon Pinette enkele infanteristen bewapend met bajonet, een ruiter bewapend met een lans en een ander met de sabel. In zijn laatste partij stort­te Pinette zich echter zo fanatiek op zijn tegenstander dat hij letterlijk stuitte op de kom van de sabel, wat hem een behoorlijke wond opleverde. Daarna vonden enkele par­tijen plaats tussen geoefenden en militairen die alleen volgens het exercitiereglement waren onderwezen. Hierbij werden houten wapens gebruikt, zodanig ingericht dat zij geen letsel honden toebrengen. Uit deze proe­ven werd onder meer geconcludeerd, dat het noodzakelijk was om zowel de infanterist als de ruiter te oefenen in dit soort gevechten, waarbij de ruiter niet alleen het gebruik van de sabel of lans, maar ook het bajonetscher­men moest oefenen, om met de eigenschap­pen van dit wapen vertrouwd te raken en ex zich dus beter tegen te kunnen verdedigen.[10] Aan deze terechte conclusie heeft men in Nederland echter nooit enig gevolg gegeven, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Zweden en Engeland waar dit 'gemengde schermen' tot in deze eeuw beoefend werd (afb. 3).

 

Afb. 3. Gevecht van bajonet tegen sabel.
The Graphic, London, 23 april 1874 (Collectie auteur)

 

Ondertussen was in 1832 het eerste Neder­landse boek over de bajonetschermkunst ver­schenen.[3] De auteur, de cavalerieofficier C.A. Geisweit van der Netten, behandelde achter­eenvolgens de voorbereidende lichaamsoefe­ningen, oefeningen met de schermstok, de stellingen, aanvallen, weringen en nastoten, schijnaanvallen, het goed afstand houden en het schermen tegen een infanterist. Daar­naast weid ook het gevecht tegen een of meerdere ruiters behandeld, net als het gevecht tegen andere wapens, zoals de piek, sabel en degen.

Het boek kreeg bijval uit onverdachte hoek. In een verhandeling over de dekking van de artillerie dooi andere troepen, beval J.C. van Rijneveld, eerste luitenant van de Rijdende Artillerie, het aan als het stelselmatigste werk op dit gebied tot dan toe verschenen.

Terwijl de meeste staande legers in Europa al lange tijd geoefend werden in de bajonet­schermkunst, was dit in Nederland nog niet het geval. Onder andere voor de dekking van de artillerie was dit echter onontbeerlijk. Van Rijneveld hoopte dat de verschijning van het boek van Geisweit van der Netten het invoe­ren van de bajonetschermkunst in het leger zou bevorderen.[11]

 

Het eerste reglement

In 1841 begon men aan de Koninklijke Mili­taire Academie (KMA) de cadetten van de infanterie te onderwijzen in het bajonetvech­ten. Hiervoor schreef majoor J.J. van Mulken - samen met de onderofficier belast met het bajonetschermonderwijs - de handleiding Bajonetschermkunst, die in februari van dat jaar aan de KMA werd uitgegeven.[12] De cur­sus begon met de 'school zonder geweer': gymnastische oefeningen om de aankomend schermer soepel en fit te maken en het vrij uitgebreide voetenwerk te leren. Dit deel werd gevolgd dooi de `voorbereidende school met het geweer', waarin de leerlingen op commando de aanvallen en weringen in de lucht uitvoerden. Indien de opleidingstijd het toeliet, mochten ze hierna het stoten oefenen op een hangende leren of houten bal (balsto­ten), om zo het gevoel voor afstand en rich­ting te krijgen. Als er dan nog tijd resteerde, mochten ze door naar de 'school tegen den infanterist'. Hierin kreeg de leerling individu­ele les van de onderwijzer die voorzien was van een borstharnas en vechthandschoenen. Men gebruikte bajonetten met op de punt een koperen plaatje ter grootte van een cent (dia­meter 22 mm), bevestigd op geweren waar­van het slot verwijderd was. Dit laatste waar­schijnlijk of om deze dure mechanieken te sparen, of om verwondingen door uitsteken­de delen te voorkomen. De oefeningen wer­den op commando uitgevoerd. Op dezelfde wijze werd ook de `school tegen den ruiter' onderwezen, alleen stond de onderwijzer daarbij op een tafel of wal en was bewapend met een sabel of een lans. Qua indeling en gebruikte methodes leunde dit voorschrift sterk aan tegen het werk van Selmnitz.

In de zomer van 1841 werd het onderwijs uit­gebreid naar de korpsen infanterie. Van Mul­ken gaf hiervoor aan de KMA een cursus aan officieren, onderofficieren en korporaals van alle regimenten infanterie en het korps mineurs. Naar aanleiding van de ervaringen uit deze lessen verscheen in 1842 een tweede druk van zijn handleiding.[13] De korporaals en onderofficieren kregen vanaf het jaar daarop extra les in het bajonetvechten, zodat zij tegenover de rekruten een actie konden demonstreren en uitleggen. Speciaal voor deze groep 'hulponderwijzers' werd een hoofdstuk bajonetschermen opgenomen in de Handlei­ding tot het behandelen der wapens.[14]

 

Dat de introductie in het onderwijs niet geheel zonder slag of stoot ging, blijkt uit een bepaling uit oktober 1841, die luidde dat de officieren die bij de korpsen belast waren met de instructie in het bajonetschermen geen andere diensten hoefden te verrichte.[15] Nadat de heren officieren hieraan blijkbaar iets te gretig gehoor gaven, werd twee maanden later bepaald dat deze vrijstelling natuurlijk alleen gold op de dagen waarop deze officieren daad­werkelijk instructie gaven.[16]

Blijkens een bepaling van 20 april 1843 waar­in was besloten dat voortaan bij verplaatsin­gen van korpsen, deze onder meer hun bajo­netschermgereedschappen moesten achterla­ten en overdragen aan het `aankomend' korps,[17] waren in de afgelopen twee jaar alle korpsen van deze uitrusting voorzien. Ondertussen was bij veel korpsen aan de handleiding voor het bajonetvechten te veel het karakter van een reglement gegeven, met als gevolg dat de onderofficieren en de korpo­raals de inhoud ervan letterlijk moesten kennen en de handleiding ook letterlijk toegepast werd. Dit strookt natuurlijk niet met de prak­tische aard van het bajonetvechten. In een aparte legerorder werd daarom ieder theore­tisch onderwijs hierin verboden. Het was vol­doende als de onderwijzers de bewegingen konden uitvoeren en onderwijzen, waarvan de chefs der korpsen zich regelmatig moesten vergewissen.[18]

 

Omdat de methode in de handleiding van Van Mulken uiteindelijk toch te omslachtig werd gevonden, startte op 9 september 1843 in Gorinchem een commissie onder leiding van kolonel De Haan met de opdracht dit voor­schrift te herzien.[19] De doelstelling werd geformuleerd als: de soldaat met de kracht van het geweer, als stootwapen gebezigd, op de meest eenvoudige en doeltreffende wijze gemeenzaam te maken.

Een van de andere bezwaren tegen de hand­leiding van Van Mulken was dat de voorbe­reidende (gymnastische) oefeningen niet tot het gewenste resultaat leidden. Tot op dat moment was de vertaling van het boek van Guthmuths de enige andere beschikbare handleiding voor de gymnastiek. Dit tweede­lig werk was echter te uitvoerig en te kost­baar om het als handboek in te voeren.[20] Om aan deze twee bezwaren tegemoet te komen ontwierp tweede luitenant Van Dulken van het eerste regiment infanterie, dan gelegerd te Nijmegen, Grave en Maastricht[21] de Hand­leiding van het onderrigt in de gymnastiek,[22] dat de bajonetvechtkunst behandelde, naast de 'eigenlijke' gymnastiek en het zwemmen. De president der speciale commissie van inspectie over het militair onderwijs bericht­te op 19 september 1843 de gouverneur van de KMA dat de minister van Oorlog, List, zijn eigen oordeel over het ontwerp van Van Dul­ken onderschreef.[23] De handleiding van Van Dulken voorzag in een wezenlijke behoefte. Maar aangezien verschillende oefeningen al opgenomen waren in het boek van Van Mulken, dat de meeste zo niet alle onderofficie­ren in hun bezit hadden, leek het verstandig hiernaar te verwijzen. Daardoor zou de hand­leiding van Van Dulken minder uitvoerig en tevens minder duur worden, wat van groot belang was, omdat onderofficieren verplicht zouden worden om het aan te schaffen. Enke­le oefeningen werden afgeraden vanwege de mogelijke gevaren voor de leerling.[20]

Omdat bij de meeste korpsen de uitrusting of zelfs een geschikte ruimte voor gymnastiek­onderwijs nog ontbrak, werd dit voorschrift echter nog niet ingevoerd. In plaats daarvan bleven de bestaande gymnastische oefenin­gen in gebruik. Hierbij werden alle oefenin­gen die overbodig gevonden werden, omdat ze te ingewikkeld of te gevaarlijk waren, afge­schaft. Op termijn zou een nieuw voorschrift voor de gehele gymnastiek vervaardigd wor­den, zodat bij de korpsen waarvoor deze oefe­ningen relevant waren, deze volgens dezelfde uitgangspunten gegeven konden worden. Om het meeste profijt te trekken uit de oefenin­gen en om deze aantrekkelijk te houden moest dit voorschrift, waarin ook de bajonet­vechtkunst behandeld werd, niet naar de let­ter maar op een vrije wijze gevolgd worden.[23]

 

Een artikel uit de Allgemeine Militär-Zeitung over het onderwijs in het gebruik van de bajo­net in Duitsland, toont aan dat de situatie daar niet veel beter was. Bij het onderwijs in het bajonetschermen moest men steeds het doel ervan voor ogen houden. Helaas werd de oefening te ingewikkeld en moeilijk door het gebruik van 'een groot aantal kunststukken, welke voor het grootste gedeelte van geen nut zijn'. Bovendien werd te veel tijd besteed aan voorbereidende oefeningen. De meeste solda­ten waren in staat om op commando een aan­val in de lucht technisch goed uit te voeren of op commando te weren. Zelden vond men een soldaat die in staat was om een aanval van een ruiter of infanterist behoorlijk te pareren, laat staan hem een nastoot te bezorgen. Juist het ontbreken van praktischer oefe­ningen zorgde ervoor dat de troep geen ver­trouwen in de bajonet had en daarom ook weinig aandacht besteedde aan het onderwijs daarin, dat bovendien te ingewikkeld gevon­den werd.[24]

 

Uiteindelijk werd in mei 1844 het, vermoe­delijk aangepaste, ontwerp-voorschrift gym­nastiek door de minister van Oorlog goedge­keurd (als 'bijzonder doelmatig'] en doorge­zonden aan de gouverneur van de KMA ter vermenigvuldiging en verspreiding.[22] De handleiding behandelde de eigenlijke gym­nastiek, hardlopen, ver-, hoog- en diepsprin­gen, voltigeren (turnen, soms zelfs acroba­tiek, op het paard/, zwemmen en het bajonet­schermen.[25] Het onderwijs was verdeeld in drie afdelingen, die achtereenvolgens het voe­tenwerk, het aanvallen en weren en tenslotte het oefenen tegenover een onderwijzer behelsden. Voor de eerste twee afdelingen werd het gewone geweer gebruikt, voor de laatste een tot schermgebruik ingerigt geweer. Hieronder werd nog steeds een afge­keurd geweer bedoeld met een van een dop voorziene bajonet. Af en toe moesten de leer­lingen de oefeningen van de tweede en derde afdeling ook in volledig uniform en met volle bepakking uitvoeren.

De soldaten werden verdeeld in twee klassen. De eerste klasse werd slechts eenmaal per week onderwezen en mocht onderling wed­strijden schermen. Hierbij waren de man­schappen voorzien van alle dekkingsmidde­len, terwijl de stoten meer aangetoond dan 'hevig toegebragt' moesten worden. De wed­strijden werden altijd onder toezicht gehou­den, speciaal om de schermers te scheiden als zij 'in drift geraken'. De oefeningen mochten niet langer dan één uur duren en de troep moest trapsgewijs aan de lichamelijke inspanning kunnen wennen. Het balstoten bleef gehandhaafd net als het oefenen van het bajonetvechten tegen de lansier of sabelrui­ter, waarvoor de onderofficieren en korporaals zich nu ook moesten oefenen in het hanteren van de sabel en de lans. Naast de praktische oefeningen werden de `gedragsre­gels', dat wil zeggen de tactiek, voor de bajo­netvechter als theorie met de manschappen doorgenomen.

De minister bepaalde dat het gedeelte met betrekking tot de bajonetvechtkunst het karakter van een reglement had, om ervoor te zorgen dat aan deze oefeningen steeds die waarde gehecht werd die zij verdiende. De overige gedeeltes werden aangemerkt als handleiding. De korpschefs werd verzocht de vereiste aantallen voorschriften bij de KMA aan te vragen tegen een vergoeding van 5 cent voor onderofficieren en korporaals en voor 20 cent voor officieren. De bestaande handlei­ding van Van Mulken verviel hiermee.[22]

 

Om een idee te geven van hoe een gevecht met de bajonet er rond 1845 uit zag (en eigen­lijk nog steeds uit kan zien), volgt hier een beschrijving van een gevecht tussen twee rechtshandige meesters, beschreven aan de hand van de Gedragsregels voor den bajonet­schermer[25] (afb. 4):

 

Afb. 4. Partijschermen met van een dop voorziene bajonet, waarschijnlijk bij de marine.
Prent 'Op de binnenplaats van de kazerne' J.C. Röchling (Collectie auteur)

 

Jan en Piet staan allebei in de stelling. Hun linkervoet staat naar voren gericht, de rech­tervoet staat haaks daarop een halve meter naar achteren. Ze staan goed door hun knieën gezakt, klaar voor het maken van een uitval. Hun rechterhand omvat de greep van het geweer voor de buik met het slot naar bene­den. Het geweer rust op de bijna volledig gestrekte linkerarm. De linkerhand bevindt zich tussen de onder- en de middenband. De punt van de bajonet is gericht op de borst van de tegenpartij.

Jan slaat het wapen van Piet opzij, waarop deze een sprong achterwaarts maakt. Jan is door zijn slag zelf uit evenwicht geraakt. Dit geeft Piet de kans om Jan een stoot toe te brengen. Hij tilt zijn geweer op met beide handen en laat door het strekken van de rech­terarm het geweer tot het slot door zijn lin­kerhand glijden. Tegelijkertijd maakt hij een halve uitval door zijn rechterknie te strekken en door zijn linkerknie naar voren te buigen. Helaas wordt deze aanval geweerd door Jan die zijn geweer naar links beweegt en een stap terug doet. Nu maakt Jan een schijnstoot naar de rechterschouder van Piet, die een wering hoogrechts maakt. Hierop valt Jan uit en stoot Piet in de buik.

Het is makkelijk voor te stellen dat dit voor iemand zonder enige fysieke training een slo­pende bezigheid is. Niet alleen al door het gewicht van het geweer, dat vrijwel volledig rust op de gestrekte linkerarm, maar ook door het ontvangen van treffers met een wapen dat op zijn zachtst gezegd niet echt meegeeft. En dan hebben we het nog niet over de slagen die, al dan niet bedoeld, terechtkomen op de rechter-, maar vooral op de linkerhand. Maar de meeste soldaten werden niet eens toegela­ten tot de eerste klasse en dus tot het partij­schermen. Zij kwamen niet verder dan het op commando in de lucht steken en zwaaien, zonder dat ze echt leken te begrijpen waar dat nou goed voor was. Misschien was het daar­om juist voor hen nog vermoeiender. Voor veel infanteristen was hun afkeer van het bajonetschermen dan ook zo groot, dat zij dat opgaven als reden waarom zij zich na afloop van hun dienstverband niet meer aan dat wapen wilden verbinden.[26]

Om de animo van de troep voor het bajonet­schermen te vergroten, mocht de manier van beoefenen aangepast worden. Op dagen waar­op andere vermoeiende activiteiten op het programma stonden moesten deze oefenin­gen niet gegeven worden, iets wat daarvóór juist werd aanbevolen. Er werd opgemerkt dat de oefeningen niet uitgebreider onderwezen mochten worden dan aangegeven in de hand­leiding [22,26]

 

Verval

In de loop van 1845 ontving de minister van oorlog verschillende rapporten over de gym-nastische oefeningen bij het leger. Naar aan­leiding hiervan werden de volgende besluiten genomen, 'in het belang van het leger':

  • de oefeningen in de eigenlijke gymnastiek zijn voortaan alleen nog verplicht voor de jonge militairen (onder de 24 jaar);
  • indien zij fysiek niet of weinig geschikt zijn voor deze oefeningen of als ze hier een sterke weerzin tegen hebben, hoeven ook deze niet deel te nemen;
  • het voltigeren en het springen over de kuil mag niet meer plaats hebben;
  • het toebrengen van stoten bij het beoefe­nen van de bajonetvechtkunst wordt nog­maals uitdrukkelijk verboden;
  • de gymnastische oefeningen en de bajonet­vechtkunst moeten zoveel mogelijk gehouden worden op een voor burgers ontoegankelijke plaats, zo dicht mogelijk bij het kwartier.

Helaas is de motivering voor het laatste besluit niet overgeleverd. De minister gaf de bevelhebbers van infanterie en artillerie de opdracht alles te doen om het doel van de gymnastiek, de soldaat vlugheid, sterkte en vertrouwen op zijn wapen te geven, op de meest eenvoudige en aangename weg te bereiken.[27]

 

In 1855 verscheen in de Militaire Spectator een uiterst kritisch anoniem artikel, waarin de resultaten van het onderwijs in de wapen­handel bij de infanterie vergeleken werden met de gewenste situatie, om zo de nodige verbeteringen te bepalen.[28] Het bestaande reglement werd (alweer] te omslachtig gevon­den. Ondanks de voorafgaande gymnastiek bleef de man even stijf. Door het verschil in intensiteit tussen de reglementaire oefenin­gen en het partijschermen, gebeurden bij de plotselinge overgang van droog oefenen naar ècht schermen vaak ongelukken. De voorbe­reidende oefeningen waren bovendien zo langdradig en talrijk dat `de ijver van de man daardoor geheel uitdooft'.

De nauwkeurigheid waarmee een bataljon infanterie de handgrepen uit kon voeren, toonde in ieder geval aan dat de dienstplichti­gen niet ongeschikt of onwillig om te leren waren, echter wel dat het onderwijs in de andere vaardigheden niet deugde. Maar exer­ceren alleen was geen voorbereiding op een gevecht. Dit ging zeker op voor het bajonet­schermen. Enige jaren daarvoor scheen men hiervan meer overtuigd. Na een periode van opkomst en bloei sinds 1842, was het bajo­netvechten nu, midden jaren vijftig, zeker in een periode van verval gekomen. Men ver­taalde Duitse reglementen nauwkeurig in het Nederlands, leerde ze uit het hoofd en bracht ze in praktijk, maar zonder resultaat, omdat zowel het reglement als het onderwijs niet deugden. Naar de mening van de auteur moest het bajonetschermonderwijs een ver­volg zijn op het schermen met de floret en het balstoten. De floret zou hierbij een hulpmid­del zijn om de theorie van het schermen te leren en daarin behendigheid te krijgen. Bij het partijschermen op de bajonet zou de man van beschermingsmiddelen en een houten geweer voorzien moeten worden.

Het schermen kon niet reglementair onder­wezen worden. De methodes van de scherm­meesters waren ongetwijfeld de beste. Zij moesten daarom verantwoordelijk blijven voor dit onderwijs, aldus de anonieme com­mentator.

 

In 1858 publiceerde Christiaan Siebenhaar, sergeant-schermmeester bij het regiment gre­nadiers en jagers zijn Handleiding voor het onderwijs in de schermkunst.[29] Hij legde hier­mee de basis voor wat bekend is geworden als de 'Nederlandse schermschool' of 'Hollandse methode'. Naast het schermen met de degen (beoefend met de floret), de korte en lange stok en de sabel, werden ook enkele lessen met het geweer gegeven. Deze lessen waren een aanvulling op de lessen uit de pelotons­school en gaven alleen de handelingen, zonder ze te beschrijven. In latere drukken werd het bajonetschermen uitgebreider behandeld, waarschijnlijk omdat het ondertussen niet meer in het rekrutenonderwijs onderwezen werd .[30]

Dat er ondertussen niet veel veranderd was aan de gebruikte methodes en technieken, blijkt wel uit het feit dat het onderdeel 'Bajo­netschermen' in de Pelotonsschool van 1861 een bijna letterlijke weergave is van het hoofdstuk bajonetschermen uit het voor­schrift Gymnastiek van 1844 .[31]

 

In 1865 stelde de Inspecteur der Infanterie, luitenant-generaal Duijcker, een voorschrift op dat een groot aantal opmerkingen bevat over het onderwijs aan de rekruten.[32] In zijn ervaringen van de voorgaande jaren bleek het noodzakelijk geworden om een betere leiding en meer verband te brengen in de detailin­structie van de dienstplichtigen bij de infan­terie, vooral voor hen die maar vijf maanden onder de wapenen bleven. Onder detailin­structie werd het onderwijs in de soldaten­school oefening van de individuele soldaat/ en de pelotonsschool (oefening van een pelo­ton soldaten, ongeveer twintig man/ verstaan, met een duur van respectievelijk zes en vier weken. Daarna werden zes weken uitgetrok­ken voor het onderwijs in de compagnies- en de bataljonsschool, waarin onder meer het bajonetschermen, het tirailleren (het indivi­dueel bewegen en schieten op het slagveld/, het schijfschieten, de velddienst en de exerci­ties werden onderwezen.

In de pelotonsschool werd eenmaal per week 's ochtends voor de rustpauze het bajonet­schermen onderwezen, na de rustpauze volg­den de looppas en de sprongen die onderdeel waren van het voetenwerk bij het bajonet­schermen. In de laatste week van de soldaten­school kregen de rekruten verschillende theo­rielessen ter voorbereiding op de pelotons­school, waaronder twee lessen over `het geweer als vuur- en stootwapen'.

Als de dienstplichtigen naar hun bataljon waren overgegaan, kregen ze daar samen met de `oude' manschappen eenmaal per week les in het bajonetschermen. In de bataljons­school kregen de dienstplichtigen de gelegen­heid deel te nemen aan: schermoefeningen, ook met het geweer, waartoe van de nog aan­wezige schermgeweren gebruik kan worden gemaakt tot het markeren van stoten en para­des (weringen).

Deze laatste zinsnede geeft aan dat het nog steeds niet zo goed gesteld kon zijn met het bajonetschermen. In 1870 werd vanwege het 'de nog aanwezige schermgeweren' dan ook besloten dat het wenselijk was om het aantal geweren voor de bajonetvechtkunst bij de verschillende korpsen te vermeerderen. Het aantal bedroeg in het vervolg: bij het regi­ment grenadiers en jagers en bij een regiment infanterie 250, 100 bij het instructiebataljon, 50 bij het bataljon mineurs en sappeurs en 125 bij het koloniaal weefdepot. Deze gewe­ren waren voorzien van kordonbeugels, aan­gezien het de bedoeling was, dat zij bij de oefeningen steeds met geweerriemen werden gebruikt. Deze riemen werden genomen uit de voorraad 'buiten dienst gestelde voorwer­pen'. Dit besluit werd gepubliceerd in de Mili­taire Spectator,[33] ondertekend door een oude bekende: J.J. van Mulken. Uit de papieren blijkt dat, hoewel het bajonetvechten niet onderwezen werd bij de artillerie, de verzor­ging van de wapens wel onder haar hoede viel.

Het tweede punt van zorg is het 'markeren van treffers'. Het spreekt voor zich dat een stoot van een bajonet, ook al is die voorzien van een dop, geen pretje is. In 1869 werd aan de Zweedse majoor Fredrik Wahlfelt, onder­wijzer aan de Gymnastsika Central Institu­tet, in Engeland een patent verleend voor een schermgeweer met een inschuivende bajonet (afb. 5).[34] Hierbij rustte in de uitgeboorde loop van het geweer een stang tegen een drukveer. Bij het treffen met deze nabootsing van een bajonet, veerde deze dus naar binnen, waar­mee het mogelijk werd krachtig te stoten, zonder de tegenstander te verwonden. Hier­mee heeft nu het bajonetschermen, samen met het sabel-, degen- en floretschermen als enige vechtsporten het unieke aspect dat aan­vallen met volle kracht uitgevoerd kunnen worden, terwijl bij bijna alle andere, een aan­val altijd ingehouden zal moeten worden om de tegenstander geen letsel toe te brengen. Bij het gebruik van deze nieuwe schermgeweren volstond ter bescherming een gewoon schermmasker en een linkerhandschoen (afb.6 en 7). Daarnaast droeg men vaak een `gewatteerde schort' die de romp volledig bedekte (zie afb. 4 en 6).

 

Afb. 5. Bajonetschermgeweer met inschuivende bajonet, patent van De Wahlfeldt, 1869" (naar een fotokopie in bezit van auteur).

 

Afb. 6. Les in het bajonetschermen, Prentbriefkaart, ongedateerd (Collectie auteur).

 

Afb. 7. Groepsfoto van bajonetschermers. Hun uitrusting is duidelijk te zien. Prentbriefkaart, ongedateerd (Collectie J.R. Verbeek)

 

Exact twee jaar na de verlening van dit patent, werd besloten om dergelijke geweren ook in het Nederlandse leger in te voeren. Ieder regiment infanterie ontving er twintig, terwijl het instructiebataljon er vier kreeg. Deze geweren waren specifiek bestemd voor het partijschermen, het vrije schermen `man tegen man'.[35]

 

Opleving

In december 1881 werd de verschijning in een oplage van 5000 stuks aangekondigd van de Leidraad bij de Schermoefeningen,[36] dat het schermen met de sabel, degen (eigenlijk floret) en geweer behandelde volgens de Hol­landse methode voor de infanterie en cavale­rie. Dit was een van de weinige schermboe­ken die het schermen niet behandelde per wapen, maar per soort handeling: eerst de aanvallen per wapen, dan de weringen met alle wapens, enzovoort.

Op 15 juni 1889 werd een commissie benoemd om het zoëven genoemde voor­schrift om te vormen tot één dat alleen voor de infanterie zou gelden. Het moest daarbij rekening houden met de aanbevelingen uit de rapporten van de divisie- en korpscomman­danten, om het voorschrift doelmatiger en systematischer te maken. In het bijzonder verdiende het bajonetschermen de aandacht, omdat in de jongste uitgave van de compag­niesschool de bepalingen over `het gebruik van het geweer als stootwapen' waren ver­dwenen. De commissie, bestaande uit luite­nant-kolonel Lanzing van het regiment gre­nadiers en jagers, kapitein Hanckar, van de Normaal Schietschool en kapitein Van der Wijck van het 7e regiment infanterie, stuurde op 18 oktober 1889 haar Ontwerp-voorschrift voor de Schermoefeningen bij de Infanterie naar de inspecteur der infanterie samen met het Franse Manuel d'Escrime, dat als voor­beeld genomen lijkt te zijn .[37]

 

Ondertussen had een andere commissie een Ontwerp-voorschrift voor het schermen met de degen ten behoeve van het wapen der cavalerie gemaakt. Omdat de twee ontwer­pen op sommige punten strijdig leken, stuur­de de inspecteur der infanterie de proefdruk­ken van het cavalerievoorschrift naar de 'infanterie'-commissie, met de vraag dit aan te passen, of in ieder geval de afwijkingen te motiveren. Natuurlijk weigerde deze com­missie zijn ontwerp te wijzigen en de inspec­teur stemde in met haar motivering, die helaas niet bewaard gebleven is. Gevolg was wel dat, terwijl nu juist geregeld was dat lui­tenants van de infanterie bij de Normaal Schietschool een cursus schermen konden volgen, dit voor cavalerie officieren niet mogelijk was. Onder meer voor het geven van deze cursussen werd de organisatie van de Normaal Schietschool gewijzigd [38] en ver­schenen vanaf nu jaarlijks rapporten over het gegeven onderwijs. Tenslotte adviseerde de commissie nog om in navolging van het nieu­we voorschrift gymnastiek, afbeeldingen op te nemen van de belangrijkste houdingen. De kapitein MacLeod van het regiment grena­diers en jagers had aangeboden deze illustra­ties te maken, naar schetsen van kapitein Hanckar.[37] Uiteindelijk werd in mei 1890 besloten om het voorschrift toch te publice­ren en wel in een oplage van 10.000 stuks, ondanks de tegenstrijdigheden met het cava­lerievoorschrift. Met de invoering van het uit­eindelijke Voorschrift voor de Schermoefenin­gen bij de infanterie[39] kwam dus in mei 1890 een einde aan de 'Hollandsche Methode'. Desondanks bleven sommige karaktertrek­jes, zoals het omhalen van de sabel, een gro­ter aantal typische weringen, of het vrijwel ontbreken van het 'doigté' (het sturen van het wapen met de vingers, in plaats van met de pols of arm) bij het sabelschermen nog lange tijd standhouden.[40]

Dezelfde commissie adviseerde tevens dat het aantal schermgeweren met inschuivende bajonet bij de infanterie vergroot moest wor­den, ondanks de hoge kosten van fl 5000,-.[37] Bovendien zou het bestaande model gewij­zigd moeten worden.[41] In mei 1890 vervaardigde de Werkplaats voor Draagbare Wapenen van de Artillerie-Inrichtingen een proefserie van een nieuw model schermgeweer met inschuivende bajonet, zonder band en met ingekorte lade, ter vervanging van de bestaan­de schermgeweren. Daarvan bestonden er op dat moment twee types: de gewone en de van een inschuivende bajonet voorziene scherm­geweren. De nieuwe schermgeweren werden naar het regiment grenadiers en jagers gestuurd voor beproeving. Eind januari van het jaar daarop werd besloten om het nieuwe model in te voeren. De korpsen infanterie moesten hun schermgeweren bij de stapel­magazijnen inleveren, waarna ze zouden wor­den omgebouwd. Op deze manier werd iede­re compagnie infanterie van tien nieuwe geweren voorzien. Om te voorkomen dat korpsen zonder schermgeweren kwamen te zitten, werd de werkplaats verzocht om de reeds in afwachting van deze beslissing in november ingeleverde schermgeweren die niet bestemd waren voor de koloniën, als eer­ste te wijzigen. Mochten er te weinig bruik­bare geweren voorhanden zijn, dan kon nog gebruik gemaakt worden van een deel van de 3300 Landstormgeweren die opgeslagen lagen in de magazijnen te Brielle.[42] Het is onbekend of deze geweren ook inderdaad gebruikt zijn.

 

Met de invoering van het nieuwe M. 95 Man­nlichergeweer in 1895, werden ook nieuwe schermgeweren ingevoerd (afb. 8). Deze waren vervaardigd van afgekeurde Beaumontge­weren. Het gewicht, de lengte en de ligging van het zwaartepunt kwamen overeen met die van het geweer M. 95. Ze waren voorzien van een inschuifbare bajonet met leren dop. Er waren toen ook nog schermgeweren in gebruik die eerder gemaakt zijn van geweren van 17 mm kaliber.[43] In de editie van 1904 van het Reglement voor de Wapenfeesten, jaarlijkse schermwedstrijden georganiseerd door de Koninklijke Officiers-Schermbond, werd bepaald dat schermgeweren model 'kort' gebruikt dienen te worden. Waarschijn­lijk wordt hiermee het Beaumontschermge­weer bedoeld, maar er waren dus nog andere in gebruik [44] Al met al hebben er dus ten min­ste vier types schermgeweer met inschuiven­de bajonet bestaan, te weten het model 1871 naar het patent van Wahlfelt; het model 1890 met geweerriem; mogelijk het model 1890 vervaardigd uit landstormgeweren; model 1891 zonder band met ingekorte lade; model 1891 op basis van landstorm geweer en model 1895, op basis van het Beaumont geweer. Tot nu toe was alleen het bestaan van dit laatste model bekend.

 

Afb. 8. Beaumont schermgeweer.
(Collectie Legermuseum, inventarisnummer 002459)

 

In 1901 beklaagde zich alweer een anonieme schrijver in de Militaire Spectator over de kwaliteit van het bajonetschermonderwijs bij het Nederlandse leger.[45] De sergeanten en korporaals die dit onderwijs moesten verzor­gen konden perfect een reparatiestaat of een waslijst invullen, maar hoefden vreemd genoeg niet eens de graad van hulponderwij­zer op het betreffende wapen gehaald te heb­ben. De drie kwartier die meestal besteed werd aan het bajonetschermen, 'een uur is het zelden want (..) dan verveelt het te veel', werd nog steeds voornamelijk gevuld met oefeningen op commando: 'werpstoot met de achtersten voet voor - één! Verkorte stoot - één! Je linkerhand tegen de maagholte! Appèl en front - marsch, op de plaats rust!'.

Toen zag de onderwijzer dat de surveillerende officier opeens zijn kant op keek en liet snel dezelfde oefening nog een keer uitvoe­ren. Maar halverwege de oefening keek de officier al niet meer. Hij zag in een andere klas een aantal fouten: ééntje hield de kolf tegen zijn been, een ander hield zijn duim niet over de loop...

Dan slaat de verveling toe: "Luitenant, mogen ze nu niet eens trekken?', vraagt de scherm-onderwijzer, 'dit kennen ze nu al!' `Wel ja!'; is het antwoord, 'laat ze nu maar eens trekken!' Daar komen de borstlappen, de maskers, de handschoenen en de geweren met inschuifbare bajonet: de bajonetten wor­den eerst eens beproefd óf ze wel inschuiven, en de surveillerende officier zegt: 'nou jij en jij! Een partij geweer!' De aangewezene lachen elkander goedig toe, worden door de zorg van de sergeant (die toch ook iets wil doen) voorzien van hunne dekkingsmiddelen, en gaan tegenover elkander staan. Zij trach­ten de stelling aan te nemen, en poken met de geweren tegen elkander in, lachen, even­als de omstanders, bij elken stoot, die bij toe­val raak is, en laten eindelijk, uit vermoeid­heid, of omdat ze het zo flauw vinden, de dop­pen van de bajonetten op den grond rusten. 'Nou! Twee anderen, jij en jij!' gelast de sur­veillerende officier. Dezelfde vertonning! De drie kwartier zijn om, de gereedschappen worden opgeborgen! Morgen als het wéér regent is het wéér bajonetvechten!' ^' Tijdens de wapenfeesten, waaraan door offi­cieren en onderofficieren werd deelgenomen, was het geweerschermen, ondanks de vaker vermelde weerzin onder de manschappen, een populair onderdeel. Jaarlijks kenden de individuele en equipewedstrijden een groot aantal deelnemers. Bij het tweede wapenfeest namen zelfs meer onderofficieren deel aan het bajonetschermen dan aan het sabelscher­men, 87 tegenover 70.[46] Bij het derde wapen­feest waren G korpsen vertegenwoordigd door 18 officieren en namen 28 officieren deel aan de individuele competitie.[47]

 

In het begin van de twintigste eeuw werd onder invloed van de veranderingen in het schermen een nieuwe serie voorschriften ver­vaardigd voor de afzonderlijke schermwapens. Zo verscheen in 1904 het Voorschrift voor de schermoefeningen met het geweer[48] (afb. 9), dat hoofdzakelijk een nauwkeuriger beschrij­ving is van het hoofdstuk 'bajonetschermen' in het Voorschrift voor de schermoefeningen bij de infanterie uit 1902[49] (afb. 10).

 

Afb. 9. Twee bajonetschermers, bewapend met het Beaumontschermgeweer, in de stelling, uit het 'Voorschrift voor de schermoefeningen met het geweer' 1904".
(Collectie BibliotheekLegermuseum voorschriftnr. 58A 1813-6)

 

Afb. 10. Wering rechts op een stool rechts, uit "Voorschrift voor de schermoefeningen bij de infanterie', 1902".
(Collectie Bibliotheek Legermuseumvoorschriftnr. 826 1813-2)

 

Hervorming

De meeste voorstellen die gedaan zijn om het schermonderwijs te hervormen lijken daad­werkelijk te zijn ingevoerd. Vanaf eind jaren negentig wordt de opleiding tot militair schermmeester verzorgd door de Normaal Schietschool. De opzet hiervan kwam groten­deels overheen met die van de instituten voor het militair schermonderwijs in Italië, België en Frankrijk.[50] Jaarlijks volgden een dertigtal onderofficieren een cursus die hen opleidde tot schermleraar. Zo werd in de cursus van 1898 voor de infanterie, de onbereden artille­rie en de genie het degen- en bajonetscher­men onderwezen, terwijl voor de bereden artillerie het bajonet- en sabelschermen gege­ven werd.[50] Het onderwijs werd verzorgd door eerste luitenant Smets, verbonden aan de Normaal Schietschool, die het jaar daarop hulp kreeg van eerste luitenant Faure.[51]

Zo produceerde de Normaal Schietschool jaarlijks een aantal schermleraren en lang­zaam verbeterde de situatie, maar de meer­derheid van het kader is nog steeds onbekend met het schermen en de relevante voorschrif­ten, wat steeds weer aanleiding gaf tot de eer­der geschetste komische taferelen.[45] In plaats van het bestaande onderwijs te verbeteren, neemt men zijn toevlucht tot het introduce­ren van een `Brevet voor bedrevenheid in het bajonetschermen' om de miliciens te motive­ren.[53] Opvallend is, dat de kosten voor deze brevetten met de Hoofdadministratie van het Regiment Grenadiers en Jagers moest worden verrekend. Blijkbaar had het oude korps van Siebenhaar nog altijd een bijzondere positie voor wat betreft het schermen binnen de landmacht.

 

De eerste luitenant der artillerie Hubert van Blijenburgh, in 1906 aangesteld als hulpin­structeur schermen bij de Normaal Schiet­school, publiceerde in 1908 een memorie over het schermonderwijs in het Nederlandse leger,[52] dat later ook apart uitgegeven werd.[40] In dit werk werden na een zorgvuldi­ge vergelijking met het schermen in onder andere België, Frankrijk, Italië en Zweden, een groot aantal aanbevelingen gedaan over de verbetering van het schermonderwijs in het Nederlandse leger. Naast het invoeren van het degenschermen met wat toen nog wel de 'dueldegen' genoemd werd naast de floret, is een van de meest ingrijpende voor­stellen dat de voorbereidende oefeningen voor het gebruik van het geweer als stootwa­pen gesplitst zouden moeten worden in bajo­netvechten en 'geweerschermen'.

Het bajonetvechten had in Blijenburgh's visie als doel de manschappen voor te bereiden op het daadwerkelijke gevecht. Hij beval een stelling aan waarbij de linkerarm vrijwel recht voor het lichaam wordt gehouden, met de hand veel dichter bij de kolf. Dit in tegen­stelling tot het gebruik bij het bajonetvech­ten, waarbij de linkerhand het geweer ongeveer halverwege vasthield en daarmee de gestrekte linkerarm helemaal bloot gaf. Het stoten wordt geoefend op 'levenlooze' voor­werpen, terwijl het afweren en nastoten met tweeën geoefend werd. Hierbij wordt een geweer gebruikt dat zoveel mogelijk qua gewicht, lengte en zwaartepunt overeenkomt met het geweer M.95.

Daarnaast zou, puur als sport, het geweer­schermen beoefend moeten worden. Dit heeft, net als het sabelschermen voor de offi­cieren, overeenkomsten met het gebruik van het wapen in oorlogstijd en kan dus ook in de voorbereiding daarop gebruikt worden. Van Blijenburgh beval verder aan om zo licht mogelijke schermgeweren en kleding te gebruiken, net zoals dergelijke kleding en zo licht mogelijke wapens voor het sabelscher­men ingevoerd waren. Bovendien adviseerde hij om de linkerarm geldig trefvlak te maken, om zo de bij het bajonetvechten te gebruiken stelling vanzelf af te dwingen. Getuige zijn latere `meester'werk Handleiding voor het schermonderwijs [53] zijn deze stelling en de lichte geweren bij het geweerschermen nooit ingevoerd.

Enige jaren later werd het bajonetschermen inderdaad niet meer onderwezen. De cursis­ten aan de Normaal Schietschool die hoorden bij een bereden wapen kregen les in het sabel­en floretschermen. De officieren van de onbe­reden wapens kregen les in geweer- en sabel­schermen. De gevorderden kregen ook les in floretschermen., Iedereen ontving onderwijs in het gebruik van het 'geweer als stootwa­pen', uit de desbetreffende reglementen.[54]

 

Epiloog

Het mag duidelijk zijn geworden dat de methodes die in de negentiende eeuw gevolgd zijn voor het bajonetschermen en de fysieke voorbereiding hierop niet optimaal waren. Het heeft vooral ontbroken aan een goede analyse van welke vaardigheden nu ècht noodzakelijk waren en hoe deze dan het bes­te aangeleerd konden worden. Ondanks regel­matig geuite kritiek langs deze lijn, bleef men vasthouden aan een systeem dat gebaseerd was op het 'academische' floretschermen vol­gens de Franse school. De omvangrijkheid en moeilijkheid van deze methode kan echter nooit tot zijn recht komen in een korte oplei­ding van hoofdzakelijk ongemotiveerde en fysiek niet voorbereide manschappen. Uitein­delijk komt men dan ook, mede onder invloed van de internationale ontwikkelin­gen, met name het opkomen van de 'sport'­gedachte en de internationalisering van het schermen, tot een splitsing in de voorberei­ding tot het gevecht, het bajonetvechten, en de sport geweerschermen. Door de invoering van bajonetschermgeweren met roverende bajonet in 1871, kan dit uiteindelijk uitgroei­en tot een bij het militaire kader populaire vorm van schermen. Van deze schermgewe­ren hebben op zijn minst vier types bestaan. Alleen het Beaumont schermgeweer is nu nog bekend. Van de andere modellen zijn geen exemplaren of zelfs maar verdere gege­vens bewaard gebleven.

 

'Morgen als het wéér regent is het wéér bajo­netvechten!'

 

Noten

  1. Reglement op de exercitiën der infanterie - compagniesschool (Breda 1875).
  2. J.G.W. Merkes, 'Geschiedkundige nasporingen omtrent de uitvinding en eerste aanwen­ding der bajonet op het schiet-geweer', In: De Militaire Spectator (1837) 86-88.
  3. C.A. Geisweit van der Netten, De Bajonetschermkunst ('s Gravenhage 1832).
  4. Puységur, Art de la guerre, par principes et par règles (..) (La Haye 1749) 94-98.
  5. Jh. Pinette, Ecole du tirailleur (..) (Paris 1846).
  6. Reglement op de exercitiën en manoeuvres van de infanterij, (..), Eerste Deel (..) Soldaten­en Pelotonsschool (Den Haag 1815).
  7. J. Kugel, Beknopte geschiedenis van de lichaamsoefeningen (Utrecht 1967).
  8. J. van Geuns, Volledig leerstelsel van kunstmatige ligchaams-oefeningen (..)(Den Haag 1818).
  9. E. von Selmnitz, Die Bajonettfechtkunst, oder Lehre des Verhaltens mit d. Infanterie­Gewehre als Angriffs- und Vertheidigungswaffe. 1er Theil. (Dresden 1825).
  10. 'Proefondervindelijke nasporingen over de waarde en voordelen der bajonetschermkunst',
    In: De Militaire Spectator (Breda 1836) 1-4.
  11. J.C. Rijneveld, 'Proeve eener verhandeling over het gedrag der troepen bijzonderlijk belast met de dekking der artillerie in het veld', In: De Militaire Spectator (Breda 1833) 95.
  12. J.J. van Mulken, Bajonetschermkunst, Handleiding ten dienste van de onderwijzers der infanterie bij het Nederlandsche leger (Breda 1841).
  13. J.J. van Mulken, Bajonetschermkunst, Handleiding ten dienste van de onderwijzers der infanterie bij het Nederlandsche leger (Breda 1842) [tweede verbeterde druk van 12].
  14. Handleiding tot het behandelen der wapens (Breda 1842).
  15. Aanschrijving van 22 Oktober 1841, No. 1G A, In: Recueil Militair, Tweede Deel, 1841 (Amsterdam 1842) 284.
  16. Order voor het leger, 27 december 1841, No. 4, In: Recueil Militair, Tweede Deel, 1841 (Amsterdam 1842) 284.
  17. Order van 20 April 1843, No. 2B, in: Recueil Militair 1843 (Den Haag 1843) 80.
  18. Afschrift besluit Ministerie van Oorlog, Afdeling Personeel, No. 19 B, 12 september 1843, Algemeen Rijksarchief Den Haag, Inventaris van de archieven van de KMA, Hoofdcursus­sen te Kampen en 's Hertogenbosch en Cadettenschool, en (fragment-) archieven, toegang 2.13.22, inventarisnummer 16, 1843, omslag 170.
  19. Schrijven van de Inspectie over het Militair Onderwijs, Nr. 90, 19 september 1843, ARA, toegang 2.13.22, inventarisnummer 1G, 1843, omslag 170.
  20. Afschrift van brief van W.J. Knoop en H. Beckman, Breda, 3 oktober 1842, ARA, toegang 2.13.22, inventarisnummer 16, 1843, omslag 170.
  21. H. Ringoir, Vredesgarnizoenen van 1715 to 1795 en 1815 tot 1940 (Den Haag 1980) 60.
  22. Order van 9 mei 1844, No. 53 b., In: Recueil Militair, 1844 (Den Haag 1845) 159-162.
  23. Schrijven van de Inspectie over het Militair Onderwijs, Nr. 90, 19 september 1843, ARA, toegang 2.13.22, inventarisnummer 16, 1843, omslag 170.
  24. C.V.E., 'Opmerkingen op het onderrigt omtrent het gebruik van de bajonet', In: De Militai­re Spectator (Breda 1844) 170-172.
  25. Handleiding voor het onderwijs in de gymnastiek, uitgegeven met voorkennis van het Departement van oorlog (Breda 1844)
  26. 'De beoefening van den wapenhandel bij de infanterie', In: De Militaire Spectator (Breda 1855) 331-340.
  27. Order van 1 november 1845, No. 4b, in: Recueil Militair, 1845, tweede deel (Den Haag 1846) 12-14.
  28. 'De beoefening van den wapenhandel bij de infanterie', In: De Militaire Spectator (Breda 1855) 331-340.
  29. C. Siebenhaar, Handleiding voor het onderwijs in de schermkunst (Den Haag 1858).
  30. J.D. Augustijn, 'Bajonetschermen', In: Indisch Militiar Tijdschrift 1887, deel II, 44-50.
  31. Reglement op de exercitien der infanterie-Pelotonsschool (Breda 1861) 67-81.
  32. 'Voorschrift ter regeling van de detail-instructie bij de infanterie', In: Recueil Militair, 1865, order No. 39 P, 24 januari 1865, (Den Haag 1866) 14-24.
  33. Order van 28 maart 1870, No. G7 A, opgenomen in: Recueil Militair, 1870 (Den Haag 1871) 16-18.
  34. F. de Wahlfeldt Guns for Bayonet Drill Patent No. 3171, 1 November 1869, British Patent Office.
  35. Order van 7 november 1871, No. 38 P, in: Recueil Militair (Den Haag 1879) 78.
  36. Leidraad bij de Schermoefeningen (Breda 1881).
  37. Departement van Oorlog, Verbaal van 30 augustus 1890, No. 98, Algemeen Rijksarchief Den Haag, Gewoon verbaal-archief van het Departement van Oorlog/Defensie 1813-1945, toegang 2.13.01, inventarisnummer 3921, 1890.
  38. Departement van Oorlog, Verbaal van 21 januari 1891, No. 58, ARA, toegang 2.13.01, inventarisnummer 3930, 1891.
  39. Voorschrift voor de schermoefeningen bij de infanterie (Breda 1890).
  40. W.P. Hubert van Blijenburgh, Eene poging tot bevordering van De Schermkunst in Neder­land (Den Haag 1908).
  41. Brief van de inspecteur der infanterie aan de minister van Oorlog, van 9 april 1890, ARA, toegang 2.13.01, inventarisnummer 3930, 1891.
  42. Departement van Oorlog, Verbaal van 30 januari 1891, No. 37, ARA, toegang 2.13.01, inventarisnummer 3930, 1891.
  43. Instructie-inventaris voor de artillerie der landmacht, Hoofdstuk VI, Draagbare wapenen (..) (Breda 1908) 3.
  44. Reglement op de wapenfeesten (Den Haag 1904).
  45. 'De Schermoefeningen bij de infanterie in het Nederlandsche Leger', In: De Militaire Spec­tator (Haarlem 1901) 605-608.
  46. 'Verslag tweede wapenfeest', Verbaal van 23 september 1899, No. 125, ARA, toegang 2.13.01, inventarisnummer 4107, 1899.
  47. `Verslag derde wapenfeest', Verbaal van 7 maart 1900, No. 95, ARA, toegang 2.13.01, inven­tarisnummer 4113, 1900.
  48. Voorschrift voor de schermoefeningen met het geweer (Breda 1904.
  49. Doorschrift voor de schermoefeningen bij de infanterie (Breda 1902).
  50. 'Verslag nopens gehouden cursussen (..)' Verbaal van 22 februari 1898, No. 14, ARA, toe­gang 2.13.01, inventarisnummer 4076, 1898.
  51. 'Verslag gymnastiek- en schermonderwijs (..)' Verbaal van 24 februari 1899, No. 47, ARA, toegang 2.13.01, inventarisnummer 4097, 1899.
  52. W.P. Hubert van Blijenburgh, `Memorie (..)' Verbaal van 19 februari 1908, No. 209, RA, toegang 2.13.01, inventarisnummer 4240, 1908.
  53. WP. Hubert van Blijenburgh Handleiding voor het schermonderwijs (Breda 1922).
  54. 'Beknopt verslag (..)' Verbaal van 13 maart 1908, No. 248, ARA, toegang 2.13.01, inventa­risnummer 4241, 1908.